H.N. Werkman

Het is 1923. In een Gronings pakhuis staat een keurig geklede man in een gapend lege ruimte. In de hoek prijkt een gietijzeren drukpers en een zetkast met letterstaven. Een maand ervoor had hij nog een bloeiend drukkersbedrijf met meer dan twintig werknemers, nu is hij alleen over. De man lurkt aan zijn pijp en staart somber uit het raam. Hij kijkt naar de dakpannen, bakstenen en schoorstenen aan de andere kant van het water. Een paar minuten, een half uur, een uur. En jawel, daar is de Epifanie.

Geestdriftig duwt hij zijn drukpers naar het midden van de ruimte. Hij haalt grote vellen gebruikt papier uit de prullenbak en trekt de staven uit de kast. Hij begint te drukken. Dezelfde letters, cijfers en blokken die hij tot voor kort voor commerciële drukopdrachten had ingezet, gebruikt hij nu om de structuren van de daken en de rook uit de schoorsteen na te bootsen. Die dag besluit hij: ik word kunstenaar.

keerpunt

Het is deze scène, gemystificeerd of niet, die als cruciaal keerpunt in Werkmans leven wordt gezien. Bovendien heeft het nog steeds een sterke romantische aantrekkingskracht: midden in het dieptepunt van een persoonlijke en economische crisis besluiten om het onzekere pad van de autonome kunst op te gaan. ‘Dan moet je toch wel verdomd sterk in je schoenen staan,’ zegt kunsthistoricus Henk van Os. Zijn Amsterdamse huis puilt uit van de Werkmannen. In de slaapkamer hangt de bekende figuratieve serie Chassidische legenden, vage mensfiguren met gebogen hoofden in een schemerend landschap. Op de kast liggen stapels mappen met experimentele grafische tijdschriften die Werkman uitbracht onder de titel The Next Call.
Van Os bladert door de tijdschriften. ‘Moet je kijken wat hij doet! Dat is toch ongelofelijk. Zo’n doodgewone letterhaak zet hij scheef en daaromheen plaatst hij een hoofdletter K en talloze 3’en. Zo ontstaat er een geweldig visueel spektakel met meerdere dimensies.’ Zowel het figuratieve werk met uitgeknipte sjablonen als het meer grafische heeft de drukpers als basis. ‘Tot dan toe werd de drukpers alleen gebruikt voor informatieverwerking, maar Werkman gebruikte hem om gevoelsmatig betekenis te geven. Hij was een van de eersten die met het drukkersmateriaal speelde en de grenzen ervan opzocht. Van Gogh, Mondriaan én Werkman, dat zijn de drie grootste kunstenaars die Nederland gekend heeft.’
Hoewel internationale en Nederlandse kenners hem gelijkstellen aan de groten der aarde, moeten veel mensen toch even op hun hoofd krabben: Werkman, wie is dat ook al weer? Volgens Van Os komt komt dat ten eerste omdat hij niet gemakkelijk in een kunsthistorisch hokje te plaatsen is. ‘Hij is niet expressionistisch, niet constructivistisch, niet dadaïstisch, hij is gewoon niet -istisch.’ En ten tweede: ‘Hij zat daar in dat verre Groningen, een soort hot spot in isolement. Dat heeft zijn kunstenaarschap in positieve zin bepaald, maar het heeft er ook voor gezorgd dat hij in het westen minder bekend is. Om hem echt te begrijpen, moet je naar het noorden.’

opeenhoping van ellende

De treinreis naar Groningen leent zich goed voor het boek H.N. Werkman (1882-1945). Leven & werk, dat vooruitlopend op de gelijknamige expositie verscheen. In het boek wordt beschreven dat Werkman opgroeide in een creatief gezin in Leens, als een van de drie zonen van een veearts. De jongens hadden een minidrukpers, knipten soldaatjes uit als sjablonen en stopten ze zorgvuldig in zelfgemaakte doosjes. Ze speelden in de groene weilanden en maakten muziek. Een bijna clichématig gelukkige jeugd uit een kinderboek, maar wel een met een tragisch einde. Toen vader Werkman abrupt overleed, moesten de jongens per direct aan het werk. Hendrik Werkman werd naar een drukkerij in Sappemeer gestuurd. Tussen de turfhopen, de aardappelfabrieken en de boeren leerde hij tegen wil en dank het drukkersvak en in 1907 begon hij een zelfstandig bedrijf. In de jaren tien ging het hem goed. Tot die opeenhoping van ellende begin jaren twintig: het overlijden van zijn vrouw en het onvermijdelijke faillissement.

zijn eigen gang

Vanaf het treinstation is het Groninger Museum vol in beeld. In de hal staat kunstenaar en Werkman-liefhebber Martin Tissing. Hij is niet te missen: woeste grijze baard, grote bontjas, knalrode schoenen. ‘Nou jaaa zeg! Hallo!’ Hij praat met luide stem en maakt grootse gebaren. In de vaste collectie van het Groninger Museum zijn een aantal Werkmannen opgenomen. De rest, ruim achthonderd werken, ligt in het Stedelijk Museum. Een rondje museum duurt betrekkelijk lang, want Tissing houdt ervan om mensen aan te spreken. Dan staat hij stil bij een grafisch affiche uit de jaren twintig. ‘Schoonheid, moet je zien wat een schóónheid,’ kreunt hij. Er wordt gesist, twee keurige dames werpen hem een boze blik toe. Ze kunnen de film niet verstaan. ‘Mijn oprechte excuses mevrouwen!’ zegt hij niet minder luid. ‘In Groningen mag je je kop niet te ver boven het maaiveld steken. Dan hakken ze hem af hoor, echt waar.’
Tissing weet er alles van. Als geboren Groninger studeerde hij aan de Academia Minerva, waar hij zich tot beeldhouwer en schilder ontwikkelde. Na een aantal binnen- en buitenlandse uitstappen keerde hij terug naar zijn geboortestad, dit keer om er te blijven. ‘Groningen drijft als een eiland tussen de boeren. Assen is een stadje van niks, Leeuwarden is niks, alleen Groningen stelt wat voor. Tegen mijn Amerikaanse vrienden zeg ik altijd: “From Groningen starts the boat to Eskimoland.” Het is hier on-Nederlands geïsoleerd. En in de jaren twintig en dertig al helemaal. Maar juist dat isolement zorgt voor een enorme focus, ook bij Werkman.’
Na de keuze om zelfstandig kunstenaar te worden, sloot Werkman zich aan bij De Ploeg, een kunstenaarsvereniging die sterk werd beïnvloed door het Duitse expressionisme. Het was allemaal begonnen bij de ademhalingsproblemen van Ploeg-schilder Jan Wiegers. Voor een behandeling moest Wiegers naar een kuuroord in Wenen waar hij de kwakkelende Ernst Ludwig Kirchner tegen het lijf liep. Wiegers nam Kirchners stijl mee naar Groningen, waar het direct grote impact had. ‘Als je externe impulsen op een geïsoleerde groep loslaat, dan is het effect extra sterk. Hoewel Werkman er ook door werd beïnvloed, bleef hij misschien wel meer dan de andere kunstenaars zijn eigen gang gaan,’ zegt Van Os. ‘Hij was erg op zichzelf en liet zich niet zo snel van de wijs brengen.’

wel zes keer verloofd

In het Groninger Museum hangt een klein portret van Werkman, gemaakt door collega-schilder en Ploeg-lid Jan Altink. Op het doek een man met een colbertje, snorretje, een pijp in zijn mond. Hij kijkt ernstig. Tissing loopt er enthousiast naartoe. ‘Dat is óók zo bijzonder!’ zegt hij. ‘Werkman was een keu-ri-ge man. Niet met baard en lang haar zoals ik, maar een gezeten burger. Hij voldeed dus totaal niet aan dat standaard kunstenaarsbeeld. Aan de andere kant was hij volstrekt autonoom, dus daarin was hij wel weer een echte kunstenaar. En weet je wat ook grappig is? Hij hield enorm van vrouwen. Goed hè? Hij is wel zes keer verloofd geweest, geloof ik. Volstrekt belachelijk, maar wel heel goed!’ Zijn Groningse stemgeluid schalt door de zaal. Gelukkig zijn de vrouwen vertrokken.
In de jaren dertig bouwde Werkman door zijn nuchtere werkinstelling een rijk oeuvre op. Zelf beschreef hij zijn vrije werk met de pretentieloze en bijna kinderlijke term ‘druksel’. Misschien ook omdat hij zich realiseerde dat hij er geen gezin van kon onderhouden. Zijn tweede vrouw moest haar familiekapitaal aanboren om zijn kunstenaarschap in stand te houden en de omgeving vond het maar moeilijk te begrijpen. In Groningen werden Werkmans druksels nog niet omarmd, maar in de avant-gardistische kringen van Parijs en Antwerpen des te meer. Via briefwisselingen onderhield hij nauw contact met kunstenaars, verzamelaars en kunstcritici in de rest van Europa. Maar reizen, dat deed hij nauwelijks.
‘Hij heeft er wel even over gedacht om net als Gauguin naar Tahiti te gaan. Maar toen heeft iedereen gezegd: niet doen, daar ben je ongeschikt voor! Gauguin was een beul van een man, maar Werkman was voorzichtig. Die had het nooit gered op Tahiti, nooit!’ Tissing lacht luidkeels bij het idee.
Dat Werkman daadwerkelijk overwoog te vertrekken, blijkt uit een briefwisseling die hij enige tijd onderhield met L.R. Gratama, schrijver van Onder de bewoners der betooverende Zuid-zee eilanden. ‘Gratama was een echte koloniaal die maar niet op kon houden over de vrouwen en hoe heerlijk die wel niet waren,’ zegt Van Os. ‘Het gaat bijna richting porno. Die teruggetrokken Werkman vond dat geweldig, die wilde ook naar die vrouwen toe.’
Uiteindelijk gingen de wilde plannen niet door en Werkman besloot zijn exotische paradijs in het rustige Groningen te vinden. Via het doek en via de drukpers. Bijvoorbeeld in zijn serie Vrouweneiland, een onbestemde gelukzalige plek met vogels, paarden en vrouwen. Zelf schreef Werkman in een brief: ‘Dit zijn mijn druksels van het paradijs. Niet het bekende paradijs maar het onbekende, ergens in een werelddeel dat nog door geen mens uit de cultuurstaten is ontdekt. Daarheen ben ik gevlucht, omdat het in onze wereld haast niet meer uit te houden is.’

overspoeld door aandacht

Tissing stiefelt via de binnenstad richting het oude pakhuis van Werkman. Om de paar meter houdt hij even stil om iemand gedag te zwaaien of iets aan te wijzen. ‘Kijk! Dit is mijn café, het startpunt van de dag. Beetje lachen met collega’s, beetje lachen om mezelf. Jaaa, dat is ook belangrijk!’ Na een tijdje bereikt hij de Lage der A, een pittoreske gracht met indrukwekkende Groningse herenhuizen. Het kolossale vierkante gebouw aan de andere kant springt direct in het oog. ‘Moet je kijken wat een lel van een gebouw dat is, een wolkenkrabber haast! Dat was Werkmans atelier, op de eerste verdieping. Daar keek hij uit het raam, daar begon zijn paradijs. Mooier kan het toch niet? Wie wist dat het paradijs in Groningen te vinden was! Daar zouden die reizende jonge mensen iets van kunnen leren.’
Eind jaren dertig kwam Werkmans werk via omwegen terecht in Amsterdam, bij typograaf en conservator van het Stedelijk Museum Willem Sandberg. Sandberg was direct onder de indruk van Werkmans ‘menselijke beeldtaal en warme typografie’ en nodigde hem in 1940 uit naar Amsterdam te komen. Werkman sputterde eerst nog tegen. Hij was net gescheiden van zijn tweede vrouw, had een ernstige werkdip en was somber. Maar Sandberg haalde hem over en nodigde hem uit voor een salon waar de grootste kunstenaars en verzamelaars van dat moment samenkwamen. Werkman werd overspoeld door aandacht en begon voor het eerst behoorlijk te verkopen. ‘Ik heb heel lang gedacht: wat een zielenpoot was die man,’ zegt Martin Tissing. ‘Binnenvetter, vrouwenproblemen én niet erkend. Maar dat was helemaal niet zo! Hij werd omarmd door de high society van Amsterdam!’

Op transport

Na de succesvolle salon nam Sandberg hem mee naar de beroemde bunker in de Castricumse duinen, waar op dat moment de grootste kunstschatten van Nederland lagen opgeslagen ter bescherming tegen de Duitse bezetter. De gehele Van Gogh-collectie, talloze Vermeers, Rembrandts, zelfs de Nachtwacht lag er. ‘Een soort schatkamer, waar niemand in mocht. Dat vond-ie gewéldig natuurlijk, die man uit Groningen!’ Tissings ogen glinsteren. ‘Hij zat in een halve depressie, maar raakte daar ter plekke weer geïnspireerd. Hij ging meteen weer aan de slag!’ Terug in Groningen wijdde Werkman een nieuwe serie druksels aan zijn bunkerbezoek, met de titel ‘Amsterdam-Castricum’. De jaren erna zouden zijn meest productieve worden. Helaas was het van korte duur.
Aan de vooravond van de oorlog ontmoette Werkman de mensen achter De Blauwe Schuit, een clandestiene uitgeverij uit Winschoten die het gedicht ‘Het jaar 1572’ van Martinus Nijhoff opnieuw hadden uitgegeven. Het gedicht beschrijft het verzet tegen de Spanjaarden ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, maar voor de goede verstaander was de link met de Duitse bezetter snel gemaakt. Werkman verzorgde de vormgeving en de opmaak en publiceerde zo nu en dan een eigen druksel. Een daarvan is de serie Chassidische Legenden – die nu in de slaapkamer van Van Os hangt. De Blauwe Schuit opereerde op het randje, maar vanwege het indirecte karakter stond het niet op de Duitse prioriteitenlijsten.
Des te raadselachtiger was het dat op 13 maart 1945 twee Duitsers voor Werkmans deur stonden. Hij werd opgepakt en verhoord, waarover precies is onbekend. Nog geen maand later raakte Werkman betrokken bij een reeks toevallige en cynische gebeurtenissen. Op 9 april werd een groep van tien gevangenen op transport gezet naar Bakkeveen om geëxecuteerd te worden. Een van de gevangenen wist te ontsnappen en het transport keerde terug. De volgende dag ging het transport opnieuw, maar het gat van de ontsnapte gevangene moest worden opgevuld. Werkman was degene die de bus in werd geleid. Een paar dagen later vond de bevrijding plaats. ‘Doodzonde.’ Voor het eerst spreekt Tissing op zachte toon. ‘Die man had nog zo veel mooie dingen kunnen doen vanuit dat pakhuis.’

stomme pech

Op Werkmans Wikipedia-pagina stond lange tijd: Nederlands kunstenaar en verzetsstrijder. ‘Zo is hij lang gezien,’ zegt Henk van Os. ‘Zo wílde men hem na de oorlog zien. Maar hij was helemaal geen verzetsstrijder.’ Van Os, die bij leven nauw contact onderhield met dochter Fie Werkman, ziet er een taak in om dat heldenimago recht te zetten. ‘Net als haar vader had Fie een panische drang om de waarheid te vertellen. Ze werd oprecht boos als mensen hem als verzetsheld omschreven. ‘Dat was-ie helemaal niet,’ riep ze dan. ‘Daar was hij een veel te voorzichtig mens voor.’ Het was gewoon een random vergeldingsactie, stomme pech.’
Daarom staan zijn bewonderaars liever stil bij het moment in het pakhuis in 1923 dan bij zijn zinloze dood. Het vinden van een existentieel kunstenaarschap, daar in het geïsoleerde eskimoland. ‘Werkmans kunst is geboren uit werkloosheid. Het is een zegen dat die man failliet is gegaan,’ zegt Tissing. ‘Eigenlijk zouden veel mensen daar een voorbeeld aan moeten nemen, maar we durven het meestal niet. Zelfs ik niet.’

‘H.N. Werkman, leven en werk’, Groninger Museum, t/m 1 november. Voor alle andere activiteiten rond het Werkman-jaar: www.werkman2015.nl