Van alle cruciale momenten in een schrijversleven is het debuut wel het belangrijkste. Daar ga je, voor het eerst: visitekaartje afgeven, indruk maken, laat maar eens zien wat je kunt. Tweede, derde, zesde boek en je bent gelouterd maar zonder eerste indruk kom je er niet.
Pim te Bokkel (1983) moet bij Wie trekt de regen aan? gedacht hebben: ik zeg eens wat anders dan al die anderen. Volgens de flaptekst is zijn poëzie maar liefst geestverruimend en probeert hij van de dingen het wezen te benaderen ‘achter de namen die wij de dingen gaven’. Hij heeft Pessoa (‘De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen’) zo te zien links laten liggen plus al het andere dat in de afgelopen jaren een metafysische levenshouding heeft vergald, en weer eens ouderwets naar de zin van alles gekeken.
Ik moet zeggen dat Te Bokkels invalshoek niet al te gebruikelijk overkomt. Kijken naar regendruppels die zich verplaatsen, naar een lijmspoor, stipjes, sinaasappelpapier. Wie weet is de poëzie het juiste medium om ons dichter bij het geheim van dit alles te brengen. Kerngedachte lijkt deze: ‘Er is een lijn die het een met het ander verbindt / weet de blinde die zich zo nu / een man voorstelt die alles ziet en knikt.’ Wie weet, toch een soort God. En ook al lijkt er maar weinig verband te bestaan, toch hangt alles samen: ‘De rivier die uit de blokken spruit / en naar beneden rolt’ (…) ‘stroomt in het oog van de eend / die de berg / noch de zee heeft gezien.’
Zo zit het dus, hoe blind we er ook voor zijn, er bestaat een grotere eenheid. En zo verzet deze debutant zich tegen de overheersende scepsis en verbrokkeling van alles en omhelst een inmiddels vergeeld en daardoor juist ook weer nieuw klinkend gedachtegoed, dat een eeuw geleden door lui als Boutens en Leopold werd verkondigd. Sympathiek omdat hij zich niet laat meeslepen door de waan van de dag, maar je kunt je wel afvragen wat hij een eeuw later heeft toe te voegen.
Spectaculair nieuws heeft zijn poëzie niet te bieden. Hij ziet ‘de straat en het concertgebouw / het grasveld en zijn bomen naar een groter zijn verlangen’ maar het blijft bij het onbestemde vermoeden van die grootheid. Wie tegenwoordig nog met zulke neo-symbolistische gedachten aankomt, zal toch sterker bewijsmateriaal moeten leveren, gedichten die slaan als een klok, die duidelijk maken dat al die anti-metafysici en cynici ernaast zitten. Te Bokkel lijkt me voorlopig een te bescheiden gedachtendichter om bleek om de neus van te worden. Innemend en subtiel, maar nog te klein voor het grote verband dat-ie om zich heen gewaarwordt. Enfin, godlof heeft-ie zich niet op de haiku gestort, dat had ook zomaar gekund.
Van de heel andere kant komt Lucas Hirsch (1975) aangescheurd met Familie gebiedt, uit de richting van de slampoëzie, taalgeil, woordenrijk, imperatief. De stap van het podium naar de bundel is echter geen eenvoudige, wat bij een live-publiek lekker bekt kan op papier totaal doodslaan.
Hirsch zet die stap met wisselend succes, het ene moment schrijft hij een aardig gedicht over een moment dat het ‘eerlijk dag’ is of beschrijft hij het begrip ‘familie’ geestig en raak als een ‘werkwoord’, het andere moment lijkt hij slechts te keuren met populistisch taalgebruik, met ‘rimram’, ‘de gallemiezen’ en ‘mind you de aap met de centenbak’. Hij wil zichtbaar woordkunstenaar zijn maar tegelijk toch ook laten zien dat-ie niet van de straat is. Dat mislukt nogal eens, bijvoorbeeld in zo’n regel die geforceerd naar Magritte verwijst: ‘vader zou dit is geen pijp-/rokend naar haar pruimende wangen loensen’. Maar een andere keer zie je het juist weer plastisch voor je, bijvoorbeeld bij de net bevrijde ‘mokkels bibbervrijend in een regensteeg in mei’.
Wat bij Te Bokkel een beetje te zeer de inhoud van de bundel bepaalt, een gedachtengoed dat aan de man gebracht moet worden, mis je vervolgens weer bij Kirsch, die wel een schuimend temperament maar weinig boodschap heeft. Wel proef je ook bij deze debutant de onvermijdelijke invloed van allerhande andere poëzie, in al die verbrokkelde zinnen, dat jolige barokke, adjectivistische gedoe, die ademloze, interpunctieloze literaire behaagzucht. Het is, bij alles wat het in zijn luidruchtigheid probeert te overstemmen, bepaald niet nieuw.
En dan, als je er al niet helemaal meer op rekent, opeens een geslaagd moment:
kale man
de kale man met vaders haar
maakt melding van het zwaar-
gewicht de vader
komt met een heilige op de proppen
grijpt er een man naar zijn laatste wens
zoekt er een man naar karakter
wordt de oorlog teruggespoeld
geleden familie verleden geleden
familie verleden geleden
vader verwart en moeder
de handen ontvouwen te vangen
wat vader te veel
aan vader draagt
Zo zou ik er meer willen lezen maar je kunt er bij Hirsch met zijn wisselvallige repertoire nog niet echt op rekenen. Wat hij in ‘der ring’ schrijft, ‘een kreet en / vooral veel voorwerpen / de ruimte ingezet’, karakteriseert ook zijn eigen poëzie, het is wagneriaans, druk en overbevolkt. Een onrijpe hoorn des overvloeds.
Pim te Bokkel. ‘Wie trekt de regen aan?’. Nieuw Amsterdam, 52 pagina’s, € 14,90
Lucas Hirsch. Familie gebiedt. De Arbeiderspers, 70 pagina’s, € 15,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.