Zonder ambitie gaat het niet. Dat adagium is al het zijne vanaf de eerste literaire schrede van A.F.Th. van der Heijden. Maar ook in ambitie bestaat een hiërarchie: je hebt ambitie die vervulbaar is én zodanig opgeschroefde ambitie dat die een zware wissel trekt op je bestaan en slechts constant staande op je tenen te verwezenlijken is. Die laatste, hogere vorm is A.F.Th. van der Heijdens ambitie. Harry Mulisch kende eenzelfde soort (levenslange) ambitie, het op papier verwezenlijken van het hooggebergtegelijkende oeuvre dat in je adolescente hoofd al zichtbaar was – voor jou, nog niet voor de buitenwereld. In de vervulling van die ambitie verschillen Mulisch en Van der Heijden: Mulisch schreef zijn filosofische magnum opus De compositie van de wereld en later zijn literaire magnum opus De ontdekking van de hemel, terwijl Van der Heijden beide sporen verenigt in zijn roman fleuve, De tandeloze tijd, de aanwending van de filosofische notie ‘leven in de breedte’ als schrijfprocédé en dramatisch motief in de levens van Albert Egberts en andere, belangrijke weerkerende personages.
Het gevaar dat een kluwen ontstaat ligt bij zijn alles-tezamen-aanpak op de loer, reden waarom De tandeloze tijd niet alleen een moeizame onderneming is, maar vooral een constante manier voor Van der Heijden om zijn schrijverschap op het spel te zetten. Maar als het lukt, heb je ook iets in handen. Aan ieder boek uit deze reeks is zijn gedrevenheid indringend af te lezen.
Wie doet hem dat na, in zijn generatie en de generaties na hem? Niemand nog.
Deze inleidende woorden dienen om de publicatie van maar liefst twee delen tegelijk uit Van der Heijdens roman fleuve van het nodige reliëf te voorzien: Kwaadschiks en de schitterende bibliofiele uitgave Kastanje a/d zee. Dit is een literaire gebeurtenis van de eerste orde. Niet omdat Kwaadschiks zoveel pagina’s telt, niet vanwege de publicatie van twee delen tegelijk, maar omdat Van der Heijden hiermee zijn oeuvre (her)definieert en herijkt, omdat hij zich hiermee – vrijwillig – als ongemakzuchtig schrijver bewijst, door de voltooiing van het slechts in zijn hoofd al geschreven breedgespannen oeuvregrote boek weer een forse stap naderbij te brengen. Wie doet hem dat na, in zijn generatie en de generaties na hem? Niemand nog.
Een trio
Uiteraard kun je de delen uit Van der Heijdens reeks ook als zelfstandige uitgave los van het Gesamtkunstwerk lezen. Maar als je Kastanje a/d zee leest in de door Van der Heijden verordonneerde chronologie, dus als deel zeven ná het zesde deel Kwaadschiks, dan zie je dat deze menselijke al te menselijke uitwerking van de grensoverschrijdende erotische relatie tussen Albert Egberts en zijn Nijmeegse geliefde Marike de Swart een motief herhaalt en dus benadrukt. Daardoor verhevigt dat motief in het daarvoor gelezen Kwaadschiks: dat van de minnenijd, de seksuele jaloezie op haar onleefbaarst. Kastanje a/d zee boekstaaft Albert Egberts pogingen (Nijmegen, de dato 1975) om van zijn allesverzengende jaloezie af te komen, met behulp van Marike en zijn zwaar geschapen rivaal ‘De Krop’. Niet alleen bezoekt hij met haar – hilarisch hoogtepunt – een NVSH-avond waarbij de techniek van het squirten, het spuitend klaarkomen van de vrouw, klinisch gedemonstreerd wordt door een echtpaar. Ook manipuleert en manoeuvreert hij Marike en De Krop in een trio met hem, teneinde zijn seksuele jaloezie zodanig te belasten dat die vernietigd wordt. Dat mislukt grandioos, in golven van braaksel en vernedering, als célineske uitbeelding van de anus mundi als regerende menselijke conditie in Van der Heijdens literaire universum.
Hectoliters wodka
Als om het belang van Alberts experiment met zichzelf vooraf te schaduwen, is ook de protagonist van Kwaadschiks ten prooi aan minnenijd. Deze bijna-vijftiger, de reclameman Nico Dorlas, verdenkt zijn vriendin Desy van overspel, speurt naar bewijzen, en maakt zichzelf daarmee gek. Hij is al labiel, deze zware alcoholist en cokesnuiver die in het grote middendeel van de raamvertelling Kwaadschiks een etmaal lang door Van der Heijden op zijn huid wordt gezeten, bijna veertienhonderd pagina’s lang. Dorlas is in de greep van zijn stemmingswisselingen, en iedere minieme verandering in het (zelf)vernietigend gedrag van zijn hyperverbale antiheld weet Van der Heijden koel registrerend te vangen. De man heeft al een gewelddadig verleden, gericht tegen vrouwen, en deze wandelende tijdbom vermoordt op zeker moment een agente. Als een verrassing komt dat niet, alles wat hij onderneemt leidt tot rampen, in een door Suzuki Swifts als aanzeggers van de dood geflankeerde maalstroom die hem van kwaad tot erger voert. Disculperende omstandigheden genoeg, zou je denken, niet voor zijn gedrag, laat staan voor de moord, maar wel voor zijn gestoordheid. Hectoliters wodka en coke werken immers stemmingswisselingen in de hand, en ook toont Van der Heijden Dorlas’ immense verlatingsangst en – in een huiveringwekkende scène – de manier waarop zijn amorele stiefmoeder die deze Oedipus-in-de-dop verleidde, hem op jonge leeftijd voor het leven beschadigde. Maar zulke ontlastende omstandigheden worden niet als vrijbrief aangevoerd door Van der Heijden: hij oordeelt niet, maar kruipt in de huid van een psychopaat om het Kwaad in de ogen te zien. De immense lengte van de kroniek van onze tijd Kwaadschiks is nodig om tot ultieme inleving te komen in de korte lontjes, de menselijke tijdbommen, de gekte en de brede onbeteugelde razernij van vandaag. Is er een verklaring? Nee, Dorlas heeft geen excuus, er is nooit een excuus, zegt Kwaadschiks – en dat herhaalt Kastanje a/d Zee contrapuntisch in deze magistrale romansymfonie.
Want ook Albert Egberts – seksueel even fucked up – beleeft in Kastanje a/d zee een seksueel avontuur met een oudere vrouw, de volslanke, alcoholische moeder van De Krop. De zoveelste op een rij oudere vrouwen, overigens, weet de lezer van De tandeloze tijd. Maar de vernietigingsdrift en woede slaan bij Albert niet zoals bij Dorlas op zeker moment naar buiten, maar juist naar binnen, eerst raakt hij impotent (net als Dorlas, die dat aan zijn apneu wijt), later aan de drugs, als kommervolle heroïnejunk – met dat beeld begon het eerste deel van De tandeloze tijd, de proloog De slag om de blauwbrug (1983). Toen wisten we nog niet wat er zou komen, maar we beseften wel wat voor ons literair in het verschiet lag – en ligt.
P.S. Vanaf 1993 schreef ik vrijwel wekelijks een kritiek in Vrij Nederland. Dit is de laatste op deze plek. Ik groet de trouwe lezer. Op naar het maandblad.
Kwaadschiks
A.F.Th. van der Heijden, De Bezige Bij, 1408 p., € 29,99
Kastanje a/d zee
A.F.Th. van der Heijden, Statenhof Pers, 221 p., € 125,-
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.