Profiel / Karel van het Reve
Het leek Karel van het Reve niet zo erg om dood te gaan. De dood hoort er gewoon bij. ‘Ik denk vaak: in 2003 zul je wel niet meer bestaan. Maar bij de spoorwegstaking van 1903 bestond je ook niet. Nou, dat is me uitstekend bevallen, dat ik met die spoorwegstaking niets te maken had.’
En als hij eenmaal dood zou zijn, hoefden ze ook echt geen straat naar hem te vernoemen. Hoewel, dat pleintje bij de Ploegstraat in Betondorp, waar Gerard en hij opgroeiden, zou misschien hun namen kunnen krijgen. ‘Je hebt toch ook straten die naar twee lui genoemd zijn? De Gebroeders Karamazov-straat of zo?’ Dat zag hij wel voor zich: het ‘Gebr. Van het Reve-plantsoen. ”Gerben van het Reve-plantsoen” wordt het dan vanzelf. Dat zou wel aardig zijn.’
Tot een straat heeft Karel van het Reve het twaalf jaar na zijn dood nog altijd niet geschopt. Maar zijn verzameld werk is eind deze maand inmiddels wel gevorderd tot deel zes (van in totaal zeven delen.) Hij is minder bekend dan zijn broer Gerard, maar Karel van het Reve is nog steeds een ijkpunt. Een tegendraads denker die in zijn werk net zo makkelijk afrekende met het Sovjetsysteem als met de hoogmoedigheid van literatuurwetenschappers; die het Opperwezen de maat nam, maar evengoed het darwinisme fileerde. Polemist van klasse, pestkop van niveau.
Van het Reve schreef bovendien glashelder proza, dat in veel gevallen nog wonderlijk actueel blijkt. Bezuinigen op kunst omdat die elitair is? Van het Reve legde de vinger feilloos op de zere plek. ‘Ik ben kwaad dat Bach iets kan wat ik niet kan. Daarom wil ik Bach verhinderen te doen wat hij doet en wat ik niet kan. Jij Bach, zo spreek ik hem aan, jij maakt dingen die ik niet kan maken, wat verbeeld jij je wel? Erger nog, jij maakt dingen (fuga’s met name) die ik niet eens volgen kan. Daar moet jij mee ophouden. Daar betaal ik geen luistergeld voor. Jij moet niet zo elitair zijn.’
Onder het pseudoniem Henk Broekhuis schreef hij jarenlang in NRC Handelsblad over algemeen bestaande vooroordelen en aannames. Dat Philips expres gloeilampen maakt die na verloop van tijd stukgaan, of dat de armen steeds armer en de rijken steeds rijker worden. Rudy Kousbroek noemde Van het Reves werk ‘misschien wel de enige chemische substantie die het pantser der vooroordelen vermag op te lossen, een soort ideologisch koningswater.’ Zelf formuleerde Van het Reve het aan het slot van zijn Huizinga-lezing – waarin hij de literatuurwetenschap aanviel – heel simpel: ‘Er moet nu eenmaal af en toe iemand zijn die iets zegt.’
‘Iemand als Karel blijf je missen,’ zegt Van het Reve-leerling en journaliste Sjifra Herschberg. ‘Die manier van denken, dat tegen de stroom in durven gaan. Wat zou hij vandaag over Wilders gezegd hebben, of over terrorisme? Die verstandige, frisse mening, dat vermogen om elk onderwerp een kwartslag te kantelen… dat maakt hem onvervangbaar.’
Een kosteloze leerling
Karel van het Reve werd op 19 mei 1921 geboren in Amsterdam. Hij was de oudste zoon van Gerard van het Reve en Net Doornbusch, beiden overtuigd communist. Er was in het gezin al eerder een Karel geboren – Karel Wladimir, genoemd naar Marx en Lenin – maar dat zoontje was na vijf weken overleden. Tweeëneenhalf jaar na Karel werd ‘Gerardje’ geboren. Hun vader Gerard van het Reve was aanvankelijk textielarbeider, maar ontwikkelde zich tot journalist en auteur (onder de naam Gerard Vanter). Hij werkte als parlementair verslaggever bij De Tribune. Al begreep hij van politiek aanvankelijk maar weinig, zou Karel later noteren. ‘Als hij ’s middags uit Den Haag terugkwam stuurde hij moeder eropuit om het Handelsblad te kopen. Daar stond de Tweede Kamer-zitting al kant en klaar in en met behulp van dat verslag maakte hij dan het zijne.’
Karel en Gerard groeiden op in de Watergraafsmeer in Amsterdam, in Betondorp (door Gerard in De avonden ‘cementwijk’ genoemd). Karel werd al jong ‘pionier,’ lid van de communistische jeugdvereniging. Hij las uit het Russisch vertaalde literatuur en vertaalde op zijn dertiende zelf een roman van Konstantin Paustovski. In 1932 verscheen zijn eerste stukje in De Tribune, ‘Pioniers in het kamp’, onder het pseudoniem Karel Beton. ‘Eigenlijk was ons gezin in een aantal opzichten een intellectueel gezin,’ zei Van het Reve in 1974 in De Tijd. ‘Mijn vader kende heel aardig Duits, las behoorlijk Engels en Frans. Dat had hij zichzelf geleerd. En mijn moeder kende voortreffelijk Engels. Mijn vader heeft zich uit dat arbeidersmilieu verheven. Ik behoorde tot de kinderen die naar het gymnasium werden gestuurd. Nou, dan ben je geen typisch arbeiderskind meer.’
Karel ging naar het Vossius Gymnasium, mede op advies van Jan en Annie Romein met wie vader Van het Reve bevriend was. ‘Hij was zoals dat heette een kosteloze leerling, omdat zijn vader in de steun zat,’ herinnert Frederika Maasen-Samson (89) zich. Zij zat destijds bij Karel op school, net als Jozina Israël met wie Van het Reve na de oorlog zou trouwen. Ze zou tot aan Van het Reves dood in 1999 met hem en zijn vrouw bevriend blijven. ‘Kijk, daar staat hij,’ zegt ze, wijzend op een grote portretfoto van een jongen van hooguit zeventien – nog getooid met een volle, licht krullende haardos – die nadrukkelijk van de fotograaf wegkijkt.
Op de klassenfoto’s die Maasen-Samson bewaard heeft, kijkt hij wel in de lens, vorsend en met licht wantrouwen. Staand tegen de muur, niet ver van hun leraar Jacques Presser. Karel was in die dagen allerminst een opvallende jongen. ‘Buikie’, noemden ze hem. ‘Omdat hij als hij voor de klas moest komen altijd met zijn buik naar voren ging staan.’ Pas na de middelbare school raakten ze echt bevriend. Toen kwam Maasen-Samson ook bij Karel thuis. Aan vader Van het Reve heeft ze niet veel herinneringen, maar moeder typeert ze als ‘een heel bijzondere vrouw’. ‘Ze zag er wat sloverig uit, tutte zich nooit op, maar was de goedheid zelve. Heel knap dat ze dat huishouden met bijna niks draaiende wist te houden.’ Met Gerard had ze amper contact. ‘Het was wel duidelijk dat hij niet lekker in zijn vel zat. Een bozige, ontevreden jongeman.’
Gerardje gepest
In 1947 verscheen De avonden, waarin Gerard zijn jeugdjaren als uitgangspunt nam. Karel heette ‘Joop’ in het boek, ’tenger van bouw’ met ‘vetpuistjes in het rode, benige gezicht’. De sfeer van het ouderlijk huis was allerminst slecht getroffen, beaamde Karel later. ‘Wat daar staat is precies zo gezegd, alleen: het is streng geselecteerd. Het meest deprimerende is erin gekomen. Toen Gerard trouwde met Hanny Michaelis hadden we bij ons thuis een feestje. Directeur Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij was ook van de partij. Toen die merkte hoe aardig onze vader en moeder waren zei hij: “Nu ik je ouders ken, vind ik het een rotboek.”‘
Op het Vossius ontmoette Van het Reve David Koker, een Joodse jongen met wie hij een hechte vriendschap sloot. Ze deelden een grote passie voor literatuur en voor schrijven. Maar de oorlog dreef ze uit elkaar. Tijdens de oorlog raakte Van het Reve betrokken bij verzetswerk, dat door betrokkenen ‘bescheiden maar substantieel’ wordt genoemd. Hij onderkende dat zijn aandeel bescheiden was. ‘Ik had er nou eenmaal een verschrikkelijke hekel aan om te worden doodgeschoten.’
David Koker zou de oorlog niet overleven. ‘Hij was mijn beste vriend,’ schreef Van het Reve later, ‘een paar keer per jaar droom ik van hem. Hij is in Amsterdam. Hij komt bij mensen die ik ook soms ontmoet. Maar hij komt niet naar me toe, en ik begrijp dat niet. Ik wil daar iets aan doen, naar hem toegaan en onze vroegere betrekkingen herstellen, maar om de een of andere reden kan dat niet. Hij wil dat niet, maar ik weet niet waarom.’ Van het Reve zou later Kokers Dagboek geschreven in Vught bezorgen en inleiden.
‘Mijn broer háát de literatuur,’ schreef Gerard Reve in de jaren zeventig aan literatuurcriticus Hans Gomperts. ‘Omdat hij er graag een plaats in zoude innemen maar daartoe geen talent heeft.’ Het was een van de vele sneren die Gerard door de jaren heen aan Karel – ‘mijn geleerde halfbroer’ – uitdeelde. De oorsprong van de broedertwist was moeilijk te achterhalen. ‘Karel zal Gerardje ongetwijfeld gepest hebben als kind,’ zegt Karels zoon David van het Reve. ‘Maar vast niet zo erg als Gerard deed voorkomen. Die reageerde daar nogal ziekelijk op. Ik weet zeker dat dat Karel aangreep.’
De agressie ging voornamelijk van Gerard uit, zegt Theodor Holman, die over zowel Karel als Gerard publiceerde. ‘Gerard voelde zich onbegrepen door Karel. Dat stak hem omdat hij besefte dat ze ook veel gemeen hadden. Ze hadden zich allebei uit dat communistische milieu losgemaakt. Daarbij zocht Karel het in de ratio, terwijl Gerard de ene religie verving door de andere. De broers leken enorm op elkaar, met name in hun gevoel voor humor.’ Holman maakte mee dat hij door beide mannen bij de voordeur onthaald werd met exact dezelfde grap. Doelend op Holmans half-Indische bloed: ‘”U wéét toch dat bij rasvermenging de slechtste eigenschappen vaak komen bovendrijven?” Dat was typisch het soort grappen dat bij de Van het Reves gemaakt werd. Vroeger kwam uitgever Salm bij hen over de vloer, een Antilli-aan. Elke keer als die man langskwam begon Gerard de tekst te citeren die op lucifersdoosjes stond: “Verbrande kop valt niet af.”‘
De haat tussen de twee broers werd niet aangeblazen door Karel, meent ook zijn dochter Jozien Driessen: ‘Als hij moest zeggen wie hij de beste schrijver vond, noemde hij altijd zijn broer. Maar het waren heel verschillende mannen. Mijn vader had geen enkel gevoel voor dat geploeter van Gerard in Frankrijk. Hij is er een keer heengereden om er rond te kijken en heeft daar vervolgens een stukje over geschreven. Dat vond Gerard niet leuk. Mijn vader heeft ook ooit iets rottigs gezegd over het zogenaamde schrijversloon, waar schrijvers recht op zouden moeten hebben. Als je niet de kost kon verdienen met schrijven, moest je van Karel maar een baantje zoeken. Terwijl Gerard zich juist voor dat schrijversloon inzette. Dat was natuurlijk niet heel tactisch.’
Dieptepunt van het conflict tussen Gerard en Karel was het interview met Holman waarin Gerard meedeelde vijfduizend gulden uit te loven voor degene die hem de rouwannonce van Karel zou laten zien. Toch reageerde Karel tamelijk stoïcijns op die opmerking. Dochter Jozien Driessen bracht haar ouders naar hun zomerhuisje in Groet, kort nadat het interview met Gerard verschenen was. Haar oog viel op de gewraakte passage. ‘Ik zei iets als: “Het is toch wat, hè.” Bleken ze het niet gezien te hebben. Ze hadden het stuk allebei gelezen, maar het was ze niet opgevallen. Dat waren toch wonderlijke tekenen van zelfbescherming.’
Sovjetdissidenten
Karel van het Reve studeerde in 1951 af in de Slavistiek, en promoveerde in 1954. Kort na de oorlog was hij daarnaast begonnen met het schrijven van stukjes voor De Vrije Katheder, als Ruslandkenner. Zijn geloof in de communistische heilstaat had hij inmiddels afgezworen. Van het Reve ervoer dat als een enorme opluchting, zei hij in 1974 in De Tijd. ‘Solzjenitsyn heeft eens gezegd: “Gooi de ideologie weg, en je bent een tijd niemand meer.” Bij mij is dat heel anders gegaan. Ik heb mijn ideologie weggedaan, en het gevolg is geweest dat ik bij wijze van spreken nog dagelijks om die bevrijding loop te juichen; ik hoef niets meer te geloven, ik kan iets voor eigen rekening gaan doen.’
Ook Gerard distantieerde zich openlijk van het geloof der kameraden. Toch deden beide broers dat op een volkomen verschillende manier, vindt Wouter van Oorschot, die het verzameld werk van Karel uitgeeft. ‘Gerard beschrijft in Oud en eenzaam het bezoek aan een communistisch vormingsweekend. In een paar bladzijden zet hij daar neer hoe zijn eigen liefdesleven voorgoed is geperverteerd door wat hij “communistische pornografie” noemt. Zeer emotioneel. Karel rekent volkomen cerebraal af met de heilsboodschap. Hij pelt de communistische ideologie als een ui af; rok voor rok, totdat er niets meer overblijft. Toch duidelijk een man van de wetenschap.’
In 1967 werd Karel van het Reve door Het Parool benoemd tot correspondent in Moskou. Hij beschouwde het als een unieke gelegenheid om een tijdje in de Sovjetunie te wonen. In Moskou maakte hij kennis met verschillende dissidenten. Hij zorgde ervoor dat de geschriften van Sacharov in het Westen verschenen; in Het Parool maar ook in The New York Times. Van het Reve bleek een ideale intermediair: hij kende Russisch, was zelf communist geweest en begreep hoe illegaliteit werkt. Jozien Driessen: ‘Hij wist dat anderen altijd meeluisteren, dat je soms dingen beter niet kunt weten. En dat je nooit mag vertellen van wie je iets weet.’
David van het Reve: ‘Het was in zekere zin mijn vaders finest hour. Hij ging een belangrijke rol spelen in het wereldwijd genereren van aandacht voor die Sovjetdissidenten. Hij werd hun ambassadeur, vloog de hele wereld over.’ Daarbij speelde idealisme een rol, maar ook het vage gevoel dat hij iets goed moest maken. ‘Hij schaamde zich ervoor dat hij in de oorlog niet al te veel gevaar had gelopen. Het bezorgen van het dagboek van zijn vriend David Koker heeft hem vijftien jaar gekost. Het was zo zwaar voor hem om alles te lezen en erover na te denken. Hij had het gevoel dat hij meer had moeten doen, dat hij had moeten aandringen op onderduiken.’
Na zijn verblijf in Moskou richtte Van het Reve de Alexander Herzenstichting op, die zich toelegde op het publiceren van het werk van Russische schrijvers in het Westen. Rusland zou tot aan zijn dood een leitmotiv blijven. Dat kan ook niet anders, zei hij in een interview met Henk Terlingen. ‘Je houdt je niet ongestraft twintig, dertig jaar met zo’n land bezig. Het is geen sympathie, maar een vreemde band.’ Dat de Pravda hem nog jarenlang ‘een gifzwam’ noemde, beschouwde hij als een eretitel. ‘Hoe meer je uitgescholden werd in de Pravda, hoe hoger je kwam te staan op de lijst van Ruslanddeskundigen. Iedereen had toen wel een knipsel in zijn zak: “Ik ben uitgescholden voor imperialist.” “Ja, en ik voor spion van de CIA.”‘
Hij zou als hoogleraar Slavische letterkunde zesentwintig jaar college geven aan de Leidse universiteit. Voor veel studenten was hij de gedroomde hoogleraar. Van het Reve hield niet van verplichte leeslijsten, hij probeerde studenten juist aan te zetten tot eigen initiatief. Maarten Biesheuvel woonde als student menig college van Van het Reve bij. Biesheuvel kan zich de eerste keer dat hij hem ontmoette nog loepzuiver voor de geest halen. ‘Hij moet toen een jaar of veertig zijn geweest. Hij kwam binnen met omhoog geheven handen. Ik zie hem nog zo voor me: een man met zwart haar, met al een flinke Geheimratsecke. Ik moest meteen snikken: zo’n mooie man die zo’n geweldige entree maakte. Ik was al vroeg krankzinnig, dacht dat ik zelf God was. Maar vanaf dat moment wist ik: deze man is pas echt God.’ Later werd God weer gewoon Karel. Maar het respect van Biesheuvel voor Van het Reve bleef onaantastbaar. ‘In elk gezelschap was hij als vanzelf het stralend middelpunt. Zo’n man kom je eens in je leven tegen. Als je geluk hebt.’
Veertig gulden verdiend
‘Karel was mijn leermeester, in elk opzicht,’ zegt Sjifra Herschberg, later correspondent voor de NOS in Rusland, Israël en de Palestijnse gebieden, die vanaf midden jaren zeventig college bij Van het Reve liep. ‘Wat Karel ons leerde was: onafhankelijk denken. Een opvoeding tot zelfstandigheid. Hoe groot iemands autoriteit ook moge zijn, gebruik altijd je gezonde verstand om zijn daden te beoordelen.’ Herschberg bewaart vooral dierbare herinneringen aan de werkcolleges van Van het Reve. Maandenlang zaten ze onder zijn leiding op een zolderkamer De Revisor van Gogol te vertalen. Daarna gingen ze verder in een belendend café. ‘Een wekelijks ritueel; eerst koffie, daarna drank. En altijd betaalde Karel alles. Pas na een paar uur stond hij op, zei: “Jongens, de aardappels staan op” en ging naar huis. Hij genoot van die bijeenkomsten. Hij zag het hoogleraarschap als een maatschappelijke functie. Jonge mensen tot ontplooiing laten komen. In dat opzicht was hij een ouderwetse liberaal.’
Als docent was Van het Reve uiterst praktisch. Studenten uit zijn vertaalclubje die een onvolkomenheid in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur wisten aan te wijzen, werden beloond met een tientje per fout. Dat kon aardig oplopen, merkte Laura Starink toen ze Van het Reve in 1995 voor NRC interviewde. Ze was erbij toen hij thuis gebeld werd door een student. ‘Goed jongen, dan heb jij vandaag veertig gulden verdiend.’
Toch beschouwde Van het Reve zichzelf in de sociale omgang met studenten als volstrekt onbekwaam. Hij was bedroevend slecht in het onthouden van namen. Als een student die al vijf jaar college bij hem liep een afspraak maakte voor een tentamen, schreef hij in zijn agenda: ‘Drie uur, student, tentamen.’ Om vervolgens in de kaartenbakken van de administratie op foto naarstig naar de bijbehorende naam te zoeken. Uiteindelijk duidde dat volgens hemzelf op ‘een soort koude onverschilligheid tegenover de medemens’.
Vreemdste vooroordelen
Vanaf de jaren zestig groeide zijn faam als polemist. Van het Reve beheerste tot in de perfectie het vermogen om tegenstanders te betrappen op hiaten in hun gedachtegang, of erger nog: op luiheid in hun denken. Zijn redeneertrant was daarbij zo overtuigend, dat het zelfs bij tweede lezing vaak moeilijk is om er kieren in aan te wijzen. Een knap staaltje retorica is Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes, waarin hij met merkbaar plezier de evolutietheorie van Darwin kritisch ontleedde. Die theorie is gebaseerd op de overleving van de soort die daartoe het best is toegerust. Daarom vindt er een natuurlijke selectie plaats. En daar zit nou net het probleem. Neem de giftand, waarmee een slang zijn prooi verdooft. Een nuttig instrument, erkende Van het Reve. ‘Maar hoe moeten wij ons voorstellen dat dit mechanisme ontstaan is? Het antwoord luidt: bij stukjes en beetjes. Bijvoorbeeld een loszittende tand, toen een buisje door die tand, toen een gifklier en een gifblaas. Vraag: hoe kunnen al die stadia enig nut, enig voordeel hebben opgeleverd? Waarom kon een slang met een losse snijtand of een blaasje zonder gif beter uit de weg dan een slang zonder? Welk voordeel biedt een horloge, bezig te ontstaan gedurende miljoenen jaren, zolang je er niet op kunt zien hoe laat het is?’
Typisch Karel van het Reve, vindt Maarten ’t Hart. ’t Hart voelt nog steeds ‘een mateloze bewondering’ voor Van het Reve. ‘Een groot stilist en een heel groot en humoristisch verteller. Maar zijn betoog over de evolutie deugde van geen kant. Hij beweerde in zijn verhaal over het darwinisme dat voorstadia geen enkel evolutionair nut dienen. “Wat heb je nou aan een voorstadium van een oog?” Terwijl het natuurlijk niet om die voorstadia gaat. Elk stadium is op dat moment een eindstadium. Maar ja, hij begreep niet veel van biologie. Karels beeld van een miereneter had hij uit de kinderencyclopedie.’ Maar met Van het Reve in discussie gaan was bij voorbaat kansloos, wist ’t Hart. ‘Omdat hij het zo geestig wist te brengen, delfde je vaak automatisch het onderspit. Dat was niet erg, omdat het Karel was. Van hem kon je alles hebben. Terwijl hij er echt de vreemdste vooroordelen op nahield. Hij beweerde pontificaal dat Tsjaikovski niks was. Dat zou ik echt van niemand gepikt hebben. Behalve van Karel. Dat had hij ook bij schrijvers. “Die en die is zo slecht, daar hoef ik niet eens iets van te lezen, om te weten hoe slecht hij is.”‘
Van het Reve bediende zich ook in gesprekken vaak van een geslepen retoriek die hem voor anderen nagenoeg ongrijpbaar maakte. Hij tartte zijn opponent maar veinsde bij een tegenstoot opeens onwetendheid. In een van de eerste Marathoninterviews die de VPRO-radio uitzond – uit 1986 – is goed te horen hoe magistraal Van het Reve zich tegenover interviewer Martin van Amerongen waar nodig van de domme hield. ‘Wacht even, dit vind ik moeilijk. Kun je dit nog eens uitleggen?’ Wanneer het over Heine ging, riposteerde hij stoïcijns: ‘O ja? Dat weet ik niet. Ja, jij bent algemeen ontwikkeld, jij wéét dat soort dingen.’ En wat te denken van de psychoanalyse van Freud? Die beschouwde Van het Reve als een farce. ‘Ja, niet dat ik er iets van wéét, hoor. Maar ik beschouw het wel als een schijnwetenschap.’
Karel de kale
In december 1978 hield Van het Reve in de Hooglandse kerk in Leiden de Huizinga-lezing. Die lezing, Literatuurwetenschap. Het raadsel der onleesbaarheid, markeerde de heftigste polemiek die Van het Reve ooit wist te ontketenen. Voor een zaal vol toga’s zette hij tot verbijstering van bijna alle aanwezigen nietsontziend de bijl in de literatuurwetenschap. Nergens werd zo aangerommeld als in die tak van de neerlandistiek. ‘De beoefenaars der literatuurwetenschap zijn te vergelijken met mensen die eerst bij hoog en bij laag volhouden dat wat Nico Scheepmaker doet op het voetbalveld geen “waarde” heeft en geen voetballen kan worden genoemd en vervolgens het voetballen van Johan Cruijff beschrijven op zulk een wijze dat die beschrijving ook past op het voetballen van Nico Scheepmaker.’
De methodiek van literatuurwetenschappers was volstrekt ondeugdelijk, betoogde Van het Reve. Daarnaast konden de meeste van die wetenschappers zelf geen ordentelijke zin schrijven. En wie zo beroerd schreef, kon onmogelijk van literatuur houden. De reacties lieten zich raden: zijn tegenstanders waren woedend. ‘Karel de kale,’ werd hij genoemd. ‘Niet echt een doorslaggevend argument,’ stelde Van het Reve droogjes vast. Een van de door Van het Reve geciteerde wetenschappelijk medewerkers wierp zich in 1981 voor de trein. Zijn werkkring in Nijmegen legde een rechtsreeks verband met de Huizinga-lezing. Als hij dat geweten had, zou hij iemand anders genomen hebben, zei Van het Reve twintig jaar nadien in De Gelderlander. ‘Voor mij was die man alleen maar een naam.’
De dreun van de Huizinga-lezing echode nog verbazingwekkend lang na. Ton van Brussel richtte in 2000 samen met David van het Reve de Stichting Karel van het Reve op, om zijn verzameld werk uit te geven. De stichting wist zo’n tweeëneenhalve ton op te halen, vooral bij particulieren. ‘Het is opvallend dat de grote literaire fondsen niet thuis gaven. Het Constantijn Huygens Instituut vond het project “niet interessant”. Daar zat ongetwijfeld iets achter van die Huizinga-lezing. Want de leiding van dat instituut was destijds het mikpunt van Karel. Ik geloof niet in samenzweringen maar dit is te toevallig.’
Toch zaten er voor Van het Reve grenzen aan de polemiek. Waar nodig werd hij ingetoomd door zijn vrouw. Dochter Jozien Driessen: ‘Mijn moeder las alles voordat het de deur uitging. Als ze vond dat er schandelijke dingen in stonden, dan veranderde mijn vader dat. Zonder haar zou zijn oeuvre er anders hebben uitgezien. Ik denk dat hij zich bij het schrijven vaak inhield. Zijn vrouw zat altijd in zijn hoofd, als meelezer. Eigenlijk zoals dat ook in Rusland gaat.’ Omgekeerd was haar vader aanzienlijk minder betrokken. ‘Tegenover mijn moeder was hij niet erg behulpzaam. Zij bracht toch ook het een en ander voor elkaar. Toch aarzelde ze altijd over haar capaciteiten. Hij gaf haar dan niet dat kleine duwtje dat ze nodig had. Hij kon niet goed omgaan met haar aarzelingen en twijfels.’ Maar hij was wel een leuke vader, zegt zijn dochter. ‘Hij zat de hele dag op zijn studeerkamer, maar je mocht altijd lawaai maken. Ik speelde boven zijn hoofd soms urenlang blokfluit. Hij zei dat hij dat fijn vond.’
Heb je die zak weer
Van het Reve schreef voornamelijk in opdracht. Een essay schrijven vanuit innerlijke behoefte was hem vreemd. ‘Hij schreef vooral omdat het hem gevraagd werd,’ zegt David van het Reve. ‘Hij was in zijn hoofd onophoudelijk aan het formuleren. Soms groeide dat uit tot alinea’s. Een gedachte bestond voor hem pas als hij hem geformuleerd had. Niet voor niks was hij gesteld op dat citaat van Schopenhauer, dat het vaak heel lang duurt eer je een gedachte klemrijdt.’ Alleen wanneer hij aan het varen was – liefst op zijn eigen scheepje ‘Marius’ – stond de gedachtestroom soms even stil. ‘Varen is ook weg zijn, vooral van jezelf. Pas op latere leeftijd merkte ik dat hij niet zo’n vrolijk type was. Hij had zoals bijna alle Reves een sterk depressieve inslag. Niet te vergelijken met Gerard, maar hij was bepaald geen opgewekte man. Hij heeft ooit in een stukje voor Annie Schmidt over zichzelf geschreven: “Als ik in de spiegel kijk, denk ik: daar heb je die zak weer.” Bij hem lag altijd de gedachte op de loer: wat ik doe stelt allemaal niks voor. Hij heeft zichzelf nooit een geweldig ventje gevonden.’
Jozien Driessen: ‘Wij zijn van nature ook geen mensenvrienden. Gewoon niet zo uitgerust voor het menselijk verkeer. In dat opzicht was hij net zo gestoord als zijn broer.’
Schoondochter Ileen Montijn: ‘Karel was een typische buitenlacher. In sociaal verband kon hij echt het middelpunt zijn. Dan was hij zacht gezegd gezelliger dan hij thuis voor zijn vrouw was.’ Zijn zoon knikt. ‘In de laatste jaren sprak hij nauwelijks met moeder. Dat bracht zijn ziekte ook met zich mee. Dat moet voor haar heel moeilijk zijn geweest.’
Eind jaren tachtig werd Van het Reve gebeld door Ton van Brussel, dan eindredacteur van Elsevier. Dat blad probeerde in die tijd de NRC onder de weekbladen te worden en had al een aantal grote auteurs – onder wie Cees Nooteboom en W.F. Hermans – onder contract. ‘We wilden Karel van het Reve graag één groot en een klein stuk per maand laten maken. Toen we het over zijn honorarium hadden, noemde hij geen bedrag. Hij zei alleen: “Ik wil graag hetzelfde als wat Hermans krijgt. En als u daarbij ook elke week de kruiswoordpuzzel uit The International Herald Tribune voor mij uitknipt, ben ik dik tevreden. Dan verdien ik voor één keer in mijn leven meer dan W.F. Hermans.” Die puzzel ben ik voor hem blijven uitknippen, ook toen ik niet meer bij Elsevier werkte.’
Pil van Drion
De laatste tien jaar van zijn leven werd Van het Reve in toenemende mate gekweld door de ziekte van Parkinson. Die belemmerde hem in bijna alles wat hij deed. ‘Je loopt niet meer zo goed en je kunt je in bed niet meer zo goed omdraaien,’ zei hij op televisie tegen Adriaan van Dis. Ook het schrijven zelf werd door de toenemende tremor in zijn handen bemoeilijkt. ‘Zou daar een reden voor zijn,’ opperde Van Dis. ‘U heeft God zo bespot. Zou dat het zijn?’ Van het Reve, onverstoorbaar: ‘Het zou zijn wraak kunnen zijn. Want hij is nogal kleinzielig, tenminste wat je zo over hem leest.’
Zijn geheugen werd ook steeds minder, zei hij in de Volkskrant. Hele stukken verdwenen in het niet. ‘Die stukken zijn zo groot dat ik haast niet meer in staat ben tot wat mijn vader noemde “een algemeen Europees gesprek”. Want midden in een zin moet ik opeens ophouden omdat de naam “Rembrandt” me niet te binnen wil schieten.’
In 1991 sprak hij zijn laatste radiocolumn uit voor de Wereldomroep. Kort na zijn zeventigste verjaardag was het mooi geweest, vond hij. Zeker nu hij door koningin Beatrix benoemd was tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De ridderorde zat in een doosje met een papiertje erbij waarop stond dat de laureaat de versierselen na zijn dood moest teruggeven aan de Nederlandse staat. ‘Ik hoop maar dat ik dat niet vergeet.’
In 1995 besloot hij met zijn vrouw lid te worden van de Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, ‘de zelfmoordclub’. De pil van Drion? Hij zou hem graag hebben. Als-ie maar niet te duur is. ‘Meer dan een paar tientjes ga ik er echt niet voor betalen.’
Met het vooruitzicht van zijn eigen dood kon Van het Reve goed leven. Het enige jammerlijke was dat er daarmee ook een andere wereld zou uitdoven. ‘Wonderlijk is dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen,’ schreef hij in Mijn eigen dood. ‘Bij ons thuis kwam in de jaren dertig een Komintern-agent, Karl genaamd. Een Duitser. Het was een aardige man. Hij sprak altijd heel zachtjes en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’
Eind mei verschijnt ‘Verzameld werk 6’ van Karel van het Reve bij uitgeverij Van Oorschot. Bij dezelfde uitgeverij verschijnt ook ‘U mag alles over mij schrijven – interviews met Karel van het Reve’.
Zie ook www.karelvanhetreve.nl
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.