We hebben het wel steeds over het schrijven, maar ik wil het met u nu graag hebben over de kunst van het lezen. De kunst van het lezen? vraagt u zich misschien af. Is dat niet wat overdreven gesteld? Een vaardigheid, soit, maar een kunst?
Dat is nu net het probleem, geloof ik: dat het nooit een kunst is geworden. Het lezen wordt in de eerste plaats als een techniek voorgesteld, een techniek die men dient te beheersen om het lezen vaardig te worden, opdat men begrijpt wat er staat. Begrijpen wat er staat is een definitie. Zeker. Begrijpend lezen heet dat in het basisonderwijs, inderdaad. Maar het verhoudt zich tot de kunst van het lezen als rekenen tot de wiskunde.
Het is vreemd dat de kunst van het schrijven, die toch algemeen erkend is, geen evenknie heeft gekregen in de kunst van het lezen.
Een boek kan niet zonder jou
In verhouding tot de muziek, waar de praktijk van het interpreteren zeker zo belangrijk is als het componeren, komt de literatuur er bekaaid van af. En dit terwijl het lezen van een roman of gedicht het beste vergeleken kan worden met hoe een dirigent zich over een partituur buigt. Hij moet er muziek van zien te maken. Zonder hem, de dirigent dus, blijven de noten dood aan hun balken bungelen.
Hetzelfde geldt voor de bedrukte bladzijde. Hoe virtuoos, gevoelig, verfijnd en diepzinnig de woorden ook zijn neergeschreven, ze blijven van papier en drukinkt zolang er geen prins langskomt om ze wakker te kussen. Elk boek is voor honderd jaar in slaap gevallen, wachtend op die ene, ware lezer die zich door de woekerende rozen van loze woorden een weg naar binnen weet te banen om alzo de tekst wakker te kussen en weer te bezielen met een leven dat eruit verdwenen was.
Hoeveel boeken hebben er niet voor dood op mijn bureau gelegen, naast mijn bed, in mijn tas onderweg: je doet je best, maar ze gaan niet zingen in je hoofd. Je leest ze, maar je leest over de zinnen heen. Het lukt niet om er contact mee te maken. Het kunnen erkende klassiekers zijn, bestsellers van het jaar, romans van vrienden, boeken die ik vroeger erg goed vond et cetera, ik wil maar zeggen, aan die boeken ligt het niet.
Een glans van vertrouwdheid
Je moet je niet afvragen: wat geven die boeken mij? Maar: wat heb ik die boeken te bieden? Wat heb ik voorhanden, wat stop ik erin?
Iedereen die wel eens een Moeilijk Boek heeft proberen te veroveren, weet waarover ik het heb. Je moet weten hoe je binnenkomt. En als je binnen bent, is het moeilijk te zeggen waar je bent. Het is als het lezen van een vreemde taal. Je snapt het, min of meer, maar je moet niet vragen hoe. Je zou handen en voeten nodig hebben om uit te leggen wat er staat. Maar zolang je leest, is er niets aan de hand, want je bent alleen, je hoeft je niet te verantwoorden. Langzaam waag je je dieper en dieper het boek in, op de tast, zonder te weten waar je heengaat of waar je uitkomt. En dan is er plotseling iets wat je thuis weet te brengen, iets wat het vreemde een glans van vertrouwdheid geeft.
Daar begint het. Daar waar er een verbinding ontstaat. Als het goed is, als het werkt, wordt een boek aangesloten op alles wat je in je hebt: je herinneringen, je kennis, je verlangens en verwachtingen, je angsten, je smaak, je stemming van het moment, je tijd.

Nu zijn er boeken die weinig vragen, de meeste vrees ik, want er zijn nu eenmaal veel te veel boeken. We hebben het, bij uitsluiting, over bijzondere boeken, boeken die je aandacht hebben verdiend, die erom schreeuwen zogezegd.
Ineens een verbinding
De leesconsument van nu, ronddobberend op de vrije markt, vraagt zich misschien af waarom hij zo veel moeite zou moeten doen voor een moeilijk boek. Waarom zou hij zo veel investeren in iets wat hem niet direct aanspreekt, terwijl hij in die tijd ook een ander, gemakkelijker, verhaal kan lezen. Iets wat hij al kent. Het vertrouwde terrein. Deze zogenaamde ‘keuzevrijheid’ heeft ertoe geleid dat in een schijnbaar onuitputtelijk assortiment toch steeds meer van hetzelfde wordt gekozen. ‘53 channels and nothing on it,’ zingt Bruce Springsteen. Of om W.F. Hermans aan te halen: ‘De behoudende lezer denkt iets te begrijpen, terwijl hij het in werkelijkheid alleen maar vaak heeft gelezen.’
Zulke leesconsumenten zou ik willen zeggen dat het de moeite is die het de moeite waard maakt. Hoe meer je erin stopt, hoe meer je ervoor terugkrijgt. Literatuur die die naam waard is, vraagt je inbreng. Lezen is antwoord geven op een tekst. Maar wel een antwoord dat je in je eentje nooit gevonden had. Het is een samenspel, een improvisatie waarbij je als lezer nu eens deze weg inslaat dan weer gene, zonder te weten waar je uit zult komen. Totdat er ineens een verbinding ontstaat. ‘Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden, worden weer buren,’ dicht Martinus Nijhoff in het klassieke sonnet dat begint met ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Ik zag de nieuwe brug.’
Verbindingen leggen, een nieuwe brug uitproberen, het zijn metaforen die de lezer met de schrijver verenigen, in een gezamenlijke improvisatie om betekenis te slaan uit die zwartgedrukte lettertekens. Dat kan een schrijver nooit alleen.
Metaforen. Letterlijk betekent dat: iets wat naast iets anders wordt geplaatst. En tijdens het lezen ben je het zelf die zich steeds naast de tekst probeert te plaatsen: in de hoop dat twee overzijden die elkaar leken te vermijden, buren kunnen worden, dankzij de nieuwe brug die gevonden wordt.
In die zin heb ik de wereldliteratuur dan ook altijd als autobiografisch beschouwd. Als mijn autobiografie welteverstaan.
'Hoewel de verhalen zich afspeelden in andere werelden en andere tijden, had hij toch steeds de indruk dat hij het geschrevene op de een of andere manier kende. Hij voer mee op de Pequod, op zoek naar Moby Dick, overleefde op Wanhoopseiland met de inboorling Vrijdag, hij wandelde op zondag naast een dame met een parasol over een Parijse boulevard, hij logeerde op Russische landgoederen en dreef op een vlot de Mississippi af – en het was hem allemaal merkwaardig vertrouwd.
Lezen is ergens heengaan waar je anders niet kon zijn
In zijn verbeelding speelden al die boeken zich af in huizen waar hij kwam, in straten waar hij dagelijks liep en in landschappen die hij kende als zijn eigen handpalm. De Gamerschestraat als Newski Prospekt of als Parijse boulevard, waarbij hij alleen de lantaarns, die ’s nachts oplichtten als een weg naar de hemel, zelf hoefde te verzinnen. Het huis van Henkie Eenhoorn als Petersburgse huurkazerne of als Newyorks immigrantenhotel. De Waal, die breed en traag westwaarts vloeide, was de Mississippi, maar ook de Wolga en de Amazone. De velden in de omtrek werden Russische landerijen waar verveling en verlangen in wersten gemeten werden, soms waren het Amerikaanse prairies en als het moest zelfs Hollandse weilanden waar gevlekte koeien graasden.' (Uit mijn eerste roman, Heldenjaren, Amsterdam, 1994, blz 31-32.)
Als het is afgelopen
Correspondances noemt de Franse dichter Charles Baudelaire het in zijn Fleurs du Mal. Te vertalen als: verbindingen, overeenkomsten. Maar ik heb het altijd gelezen als de borden uit het Parijse metronet die aangeven waar je kunt overstappen op andere lijnen.
Bruggen bouwen, overstappen op andere lijnen: op die manier trekt de lezer zijn eigen route. Onderweg spreken de voorbijgangers tot hem. Lezen is ergens heengaan waar je anders niet kon zijn. Waarheen, dat is de vraag. Dat is de verkeerde vraag. We hebben hier te maken met de paradox van de onmogelijke aankomst. Al die bruggen die ik bouwde, brachten mij alleen maar verder van huis. Ik ging ergens heen, maar kwam nergens aan. Ik bevind mij in een wereld die voor het beste deel uit ginds en ginder bestaat. De enige weg die ik heb gevonden, ligt achter me.
In die zin, en dat is de zin, lijkt lezen verdomd veel op het leven zelf. Je kijkt ernaar en zou er eindelijk wel eens aan willen beginnen. Maar dat is onmogelijk, want elke noot die gespeeld wordt is al weg. Iets wat je hoort, is al geweest. Leven, dat wil zeggen beseffen dat je leeft, doe je altijd pas achteraf. In die zin is het leven net lezen: men ervaart het als het is afgelopen. Je kijkt terug op iets waar je nooit bij bent geweest. Je stond ernaast en zag het aan de overzijde, die jou, nu je opkijkt, lijkt te vermijden. Totdat je je een nieuwe brug herinnert en weer weet waar je nooit was.
Als Vrije Schrijver aan de Vrije Universiteit sprak P.F. Thomése bovenstaande tekst uit tijdens de Dies Natalis.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.