De ironie drong pas laat tot me door. Om het ijs te breken, had ik een stapel spelletjes neergezet op de eettafel van Villa Vrede, de Utrechtse dagopvang voor ongedocumenteerden (niet illegalen, want ‘geen mens is illegaal’). Twee twintigers en een zevenjarig jongetje kozen voor Spongebob Barricade: een soort mens-erger-je-niet met hindernissen. Als Spongebob, Octo, Sandy of Patrick moesten we de ananas op het spelbord bereiken. Om elkaar dwars te zitten, konden we kwalletjes verplaatsen waarmee de weg werd geblokkeerd. Het werkte, er ontstond fanatisme in de chaotische woonkamer, waar afgewezen asielzoekers in en uit liepen. En zo kwam het dat, juist in deze oase van gastvrijheid, kreten klonken als ‘Block, you can’t pass!’, ‘Haha, terug naar huis jij’ en ‘Ahh stupid rules’.
Raar nieuws
Het was raar nieuws, bijna twee jaar geleden. Politieorganisatie Europol liet weten dat zo’n tienduizend minderjarige vluchtelingen werden vermist in Europa. Ze waren bij aankomst geregistreerd, maar buiten het zicht geraakt van officiële instanties. Het nieuws werd meteen overal overgenomen en vrijuit geïnterpreteerd: uitbuiting? Kinderen verstopt voor de politie? Kinderhandel?
Ik wilde wel eens weten hoe dat in Nederland zit. Ook hier bleken de statistieken niet sluitend: al jaren worden meer minderjarigen afgewezen voor een asielaanvraag dan er worden uitgezet. Wie zijn die jonge vluchtelingen die hier achterblijven zonder verblijfsvergunning? In wat voor wereld groei je op als je niet bij Nederland mag horen, maar er wel bent? Ik besloot op zoek te gaan om daar een idee van te krijgen.
De zoektocht was nog niet begonnen of ik moest mijn verwachtingen al bijstellen. Ik had me een wat geheimzinnig wereldje voorgesteld: hulpverleners die niets durfden te vertellen; schichtig om zich heen kijkende schooljuffen. Want, dacht ik, als illegaal sta je er natuurlijk alleen voor. Maar na het intypen van trefwoorden als ‘ongedocumenteerd’, ‘minderjarige asielzoeker’ en ‘opvang illegalen’, bleek dat niet helemaal te kloppen.
Les één: Nederland barst van de organisaties die diensten verlenen aan ongedocumenteerden. Van (nacht)opvang tot juridische ondersteuning, van taalles tot kapperscursus en van hulp bij terugkeer tot medische zorg. Vaak door vrijwilligers, soms met gemeentesubsidie, zelden verstopt of geheim.
Het afgelopen jaar keek ik rond in de wereld van de jonge sans-papiers. Als lerares Nederlands, vrijwilliger of gewoon als vriend leerde ik er zes kennen, in Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. Ze zijn, zeggen ze, geboren in Eritrea, Senegal, Ethiopië en Congo, kwamen als kind naar Nederland en lieten mij even toe in hun dagelijks leven. Velen konden hun verhaal niet bewijzen – anders was hun wel asiel toegekend. Maar hoe ze hier leven, heb ik met eigen ogen kunnen zien. Privacy is voor hen extra belangrijk, daarom zijn hun namen verzonnen en heb ik soms informatie moeten weglaten. Maar ze bestaan echt.

De hulp aan ongedocumenteerden wordt in Nederland veelal georganiseerd door energieke vrouwen zoals Wilma Rozenga. Ze leidde me rond door het Utrechtse Villa Vrede en legde uit dat ze op deze plek probeert mensen zich ‘weer mens te laten voelen’. Wilma kende nog wel iemand die extra taallessen wilde: David uit Eritrea, achttien jaar. We spraken af voor de deur van Café Broers, in de Utrechtse binnenstad. Terwijl we naar een tafeltje liepen, kreeg ik spijt van die keuze. De jongen met rechtopstaand haar, felgekleurde schoenen en strakke jeans voelde zich tussen de jasjes en dasjes duidelijk niet op zijn gemak. De afspraak begon stroef, Nederlands of Engels leek hij nauwelijks te spreken en zijn moedertaal Tigrinya is niet bekend bij Google Translate. Toch bracht het internet ons gesprek op gang.
Via Google Earth zochten we zijn geboortestadje op. Enthousiast zoomde hij in en hij wilde me van alles vertellen met de paar woorden die hij kende: ‘huis’, ‘familie’, ‘school’. Hij maakte duidelijk dat hij een jaar eerder van Eritrea naar Libië was gereisd, de oversteek naar Lampedusa had gewaagd en uiteindelijk via Zwitserland in Nederland was beland. Ik hielp hem zijn verhaal te vertellen. Hij maakte gretig aantekeningen in zijn schrift.
Een fiets
In de maanden die volgden, spraken we wekelijks af. Ik was niet zijn enige docent en zijn ambitie betaalde zich uit: hij kon steeds uitgebreider antwoorden. Gepassioneerd vertelde hij over zijn voetbalteam, de aardige Nederlandse man die hem een fiets had gegeven, zijn Eritrese vrienden die wel ‘positive’ hadden gekregen (een verblijfsvergunning) en overal in Nederland een leven aan het opbouwen waren. Frustrerend vond hij dat. Hijzelf sliep in een nachtopvang genaamd Toevlucht, waar hij elke ochtend om kwart over acht de deur uit moest. Daarna kluste hij aan fietsen, voetbalde, zwierf wat rond langs vrienden, Villa Vrede en de bibliotheek.
Omdat David via Italië Europa was binnengekomen, moest hij daar asiel aanvragen; dat zegt het Dublin-verdrag (zie kader p. 90). Maar zoals zovelen wilde hij dat niet: veel vluchtelingen leven in Italiaanse steden op straat, er is geen bijstand en bovendien gingen zijn vrienden naar Nederland. Dus klopte hij hier aan. Maar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) dreigde hem terug te brengen naar Italië. De toen zeventienjarige David besloot het zelf uit te zoeken. Twee dagen voordat hij uitgezet zou worden, pakte hij zijn spullen en nam de bus naar Utrecht. Het duurde even voor hij daar hulp had gevonden. Eerst sliep hij op het station, sprak willekeurige mensen aan. ‘Mensen afraid, ik denken, waarom?’
In de nachtopvang was David de jongste bewoner, een puber eigenlijk nog. De vrijwilligers die hem hielpen, spraken met veel sympathie over hem. Dat snapte ik, want eigenzinnig als hij was, had hij zo’n oprechte interesse in alles en iedereen dat je makkelijk aan hem gehecht kon raken. Hij kwam soms met hele analyses over de Nederlandse cultuur. Dat we zoveel directe vragen stellen, dat alles draaide om afspraken en op tijd komen, hij begreep het allemaal. Alleen dat we niet allemaal in God geloven, daar kon hij met zijn hoofd niet bij. Dus praatte hij er niet veel over en hield hij het bij een enorm zilveren kruis om zijn nek.
Een paar keer vertelde David dat hij een afspraak had bij Vivienne. Zij gaf hem advies. Zo wist hij dat hij achttien maanden na de afwijzing alsnog asiel kon aanvragen in Nederland omdat de Dublin-claim dan zou komen te vervallen. In die tijd moest hij zich vooral aan alle regels houden, dan zou de politie hem niet om identificatie vragen. Dat deed-ie. De verkeersregels snapte hij niet helemaal, dus liep hij voor de zekerheid in de hele binnenstad met zijn fiets aan de hand. En aan drugs, die hij om zich heen veel zag, deed David niet mee. Overigens hadden veel van de vluchtelingen die ik sprak het over Vivienne. Ik begon diep respect te krijgen voor deze vrouw die, al was ze niet vindbaar op internet, iedereen van advies leek te voorzien. Pas tijdens het schrijven van dit artikel viel het kwartje. Vivienne schreef je als VVN. Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland.
Speciale behandeling
Sinds het aantreden van Donald Trump kijken veel Nederlanders met verbazing naar de Verenigde Staten. Op hoge toon bekritiseren opiniemakers zijn plannen, zoals het deporteren van 11 miljoen illegal aliens. Zo noteerde VS-correspondent Michael Persson in de Volkskrant: ‘Hij ziet illegalen als gevaar (terwijl immigranten minder crimineel zijn dan Amerikanen)’. Gekke Trump. Maar ook in Nederland leven tienduizenden mensen zonder de juiste papieren. Gaan wij daar zoveel beter mee om?
Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) is de laatste jaren veel aandacht geweest. Het resultaat is dat zij een speciale behandeling krijgen. Zo mag DT&V ze alleen uitzetten als ‘adequate opvang aanwezig is in het land van bestemming’. Vaak is dat niet het geval. In Nederland krijgen minderjarigen een woonvoorziening of pleeggezin, mogen ze naar school, krijgen ze begeleiding, leefgeld en een ov-abonnement, onafhankelijk van hun papieren. Die privileges vervallen op hun achttiende verjaardag. Als er dan geen asielprocedure meer loopt, zijn ze ineens illegaal. David vertelde bijvoorbeeld dat op die dag de ov-chipkaart, die hij van het NIDOS had gekregen, opeens niet meer werkte.
David is niet de enige die op eigen houtje de opvang verliet. Regelmatig verdwijnen kinderen uit zicht van de instanties. Het COA noteert dan MOB achter hun naam: ‘vertrokken Met Onbekende Bestemming’. In 2015 verdwenen er 164 minderjarige asielzoekers uit de reguliere opvang, en Defense for Children verwacht dat nieuwe cijfers niet heel anders zullen zijn. Vaak wordt hierbij gespeculeerd over mensenhandel en uitbuiting. Maar zelfstandig vertrek uit angst voor uitzetting of detentie speelt ongetwijfeld ook mee, zoals bij David. De meeste jongeren verdwijnen als ze bijna achttien worden.
De meeste jongeren verdwijnen als ze bijna achttien worden.
Tot groot verdriet van velen nam het leven van David nog een dramatische wending: op 3 mei werd hij doodgestoken, voor Villa Vrede, in Utrecht. Hij was de jongste, de meest optimistische, de meest ambitieuze persoon die ik zou leren kennen. Hij leerde me dat vechten voor je idealen vanzelfsprekend moet zijn, met een open hart en open ogen. Hij had Nederland om hulp gevraagd, maar veiligheid had hij niet gekregen. Hoewel hij het tijdens zijn leven niet had gewild, kwam zijn echte naam al in verschillende kranten en Opsporing Verzocht, dus kan ik hem hier ook noemen: Luel Ymesgen Lebasi.

Hannah
Mijn eerste ontmoeting met de 25-jarige Hannah bij het Amsterdamse Vluchtelingen Steunpunt ASKV was een vreemde ervaring. Het was alsof we elkaar al lang kenden, en dat had ook best gekund. We bleken namelijk even oud te zijn, allebei in Dordrecht gewoond te hebben en daar ook nog eens naar een andere afdeling van dezelfde middelbare school te zijn gegaan. Ik was gefascineerd door haar gezicht: haar vriendelijke ronde hoofd en glimmende appelwangetjes staken af tegen de scherpe tekenen van stress om haar ogen.
Haar verhaal maakte veel indruk op me. Hannah komt uit Congo en had al jong haar ouders verloren in de oorlog. Ze was in een soort weeshuis gezet dat ze zelf een gevangenis noemt. Toen ze dertien jaar oud was, pikte een vriend van haar vader haar daar op en leverde haar af op Schiphol. Ze zou hem nooit meer terugzien. Ze had een volwassen zus die hier toen al woonde, dus werd ze daar in huis geplaatst. Een warm thuis was het niet. Hannah werd ingezet als goedkope oppas en schoonmaakhulp, maar ze was veilig en ging naar school.
Dat veranderde in 2009, twee dagen voor Hannah’s achttiende verjaardag. Vanaf dat moment zou ze echt illegaal in Nederland verblijven. Ze was doodsbang om naar Congo gestuurd te worden, waar ze niemand meer kende. Haar zus zat hoogzwanger op de wc toen de bel ging. Niets bijzonders, regelmatig werden er zwangerschapspakketjes bezorgd. Maar Hannah had een voorgevoel: ‘Ik werd opeens ontzettend moe.’ Ze keek door het ruitje bij de voordeur en zag wat mensen staan. Ze deed niet open, maar liep de trap op naar boven.
Ze was doodsbang naar Congo gestuurd te worden, waar ze niemand kende.
Hannah was er vaak met haar psycholoog doorheen gegaan. Ze kon me veel details vertellen. ‘Vanaf bovenaan de trap hoorde ik hoe mijn zus open deed. Politiemannen met gewone kleren aan. “We zoeken Hannah, is ze thuis?” Mijn zus zei van niet. Mijn nichtje was nog maar heel klein en riep nog dat ik gewoon boven was. Maar gelukkig sprak ze Frans, dus ze verstonden haar niet.’
Terwijl Hannah radeloos in de slaapkamer stond, begon de politie aan een huiszoeking. ‘Ik verstopte me achter een gordijn. Een van de agenten zocht in de kamer. Hij liep mijn kant op. Ik moest heel erg m’n best doen om niet flauw te vallen. Toen riep een andere agent van beneden: “Ze is hier niet, kom, we gaan!” En toen gingen ze weg.’
Diezelfde dag nog nam Hannah de trein naar Amsterdam. Ze zwierf door de stad en vroeg om hulp. Na een paar dagen wees iemand haar naar de nachtopvang voor daklozen, later vond ze ook psychische en juridische ondersteuning. Tot een verblijfsvergunning of huis hadden die nu, zeven jaar later, nog niet geleid. Ze kon haar vluchtverhaal niet bewijzen.
Nogal diffuus
Niemand weet hoeveel mensen in Nederland verblijven zonder de juiste papieren. Schattingen variëren van 22.000 tot 100.000. Hoe kan het, in dit informatietijdperk, dat men het zó oneens is over de grootte van een bevolkingsgroep? Dat is niet gek: ongedocumenteerden bestaan volgens de wet helemaal niet. Ze hebben geen BSN-nummer, geen officieel adres, geen bankrekening. Ze draaien simpelweg niet mee in de maatschappij om hen heen.
Bovendien is de term ‘ongedocumenteerd’ nogal diffuus. Zo zijn er arbeidsmigranten wier vergunning is verlopen, asielzoekers die zijn afgewezen omdat hun land zogenaamd veilig is om naar terug te keren, en velen konden niet aantonen waar ze vandaan komen of waarom ze zijn gevlucht. Slachtoffers van mensenhandel durven soms hun echte verhaal niet te vertellen, terwijl anderen stateloos zijn en simpelweg nergens naartoe kunnen worden gestuurd. Het is zelden uitgesloten dat iemand nog een kans heeft op asiel. Soms verandert de situatie in het land van herkomst, of vindt een vluchteling nieuw bewijs dat de zaak verandert. Ik hoorde verhalen over mensen die na vijfentwintig jaar nog een positief telefoontje kregen van hun advocaat.

Abel
Abel (23) werd geboren in Addis Abeba. Altijd lichtte er iets in hem op als hij over die gigantische stad vertelde. Zijn moeder had er vroeger een winkel, stuurde hem naar een grote school en voedde hem op met idealistische levenslessen, veel liefde en hier en daar een opvoedende tik. We werden goede vrienden en ik sprak hem veel. Abel spreekt Amhaars, de Ethiopische voertaal. Zijn ouders waren al vóór zijn geboorte gevlucht: zijn moeder uit Somalië, zijn vader uit Eritrea. Abel erfde de nationaliteit van zijn vader, zoals dat daar altijd gebeurt, ook al zag hij zijn vader maar zelden en was hij zelf nooit in Eritrea geweest. Een paspoort had hij niet. Toen Abel klein was, hadden ze een brief gekregen, zijn vader zou naar het dictatoriale Eritrea gedeporteerd worden. Dus vluchtte hij naar Libië. Jaren later volgde zijn moeder met Abel. Terwijl ze de Soedanese woestijn doorkruisten, werd Abels moeder ziek en niet veel later was ze dood. Hoe beter ik Abel leerde kennen, des te vaker merkte ik hoeveel pijn hij daar nog van had. Op een moeilijk moment zei hij: ‘Nobody loves me, only my mum ever did.’
Een paar jaar woonde hij met zijn vader in Libië, waar hij het niet slecht had. Je kon er makkelijk veel geld verdienen, vertelde Abel. Hij woonde met vrienden uit alle windstreken, versierde meisjes, werkte zwart bij grote bouwprojecten.
Tot 2011, toen er een burgeroorlog uitbrak. Zijn vader raakte hij kwijt; tot op de dag van vandaag weet Abel niet of hij nog leeft. Abel zag geen andere keus dan zich per boot naar Italië te laten smokkelen. Het was een angstaanjagende reis: de boot was te klein, de golven te hoog, de brandstof schoot tekort. Toen de motor uitviel, ontstond er paniek, maar Abel zelf bleef stil. ‘I became friends with my God, and I said to him: if I survive this, you exist.’ Abels god bleek te bestaan. Via Parijs kwam hij, doodmoe, in Nederland terecht.
In plaats van een nieuwe start wachtte hem hier een juridisch doolhof. Dat komt omdat zijn nationaliteit niet duidelijk is. Hij legt het zelf zo uit: Nederland ‘vindt’ hem Ethiopisch, Ethiopië ziet hem als Eritrees. Ethiopië neemt vluchtelingen met de Eritrese nationaliteit niet terug, en Nederland geeft Ethiopiërs geen asiel. De gevolgen van dat diplomatieke meningsverschil zijn desastreus, en niet alleen voor Abel.
In antwoord op Kamervragen zei toenmalig staatssecretaris Dijkhoff hierover: ‘Veelal kan verwacht worden dat iemand van Eritrese nationaliteit Tigrinya spreekt.’ Als hij niet altijd in Eritrea heeft verbleven, moet hij met behulp van kennis van het land ‘aannemelijk maken dat hij daadwerkelijk de Eritrese nationaliteit bezit’. Vanwege dat beleid bestaat er een groep ‘Eritrese’ migranten in Nederland die niet in Eritrea zijn opgegroeid en hier dus vastzitten. Volgens DT&V kunnen ze, als ze dat zelf graag willen, best naar Ethiopië. Abel is met twee getuigen naar de ambassade geweest. Hij kreeg geen reispapieren.
Na zes jaar heeft Abel zijn hoop op asiel in Nederland verloren. Via een grote vriendenkring heeft hij een kamer en verschillende baantjes kunnen regelen, maar die leiden hem hooguit wat af van de realiteit. Hij zou zo graag architectuur studeren, een officiële baan vinden en een gezin beginnen, waar dan ook. Maar de wet biedt hem simpelweg geen enkele weg naar een normaal bestaan. Abel: ‘I am a strong man. I will find a solution for everything. Some things just take a lot of time.’
Eeuwige spanning
Sinds de Koppelingswet van 1998 hebben ongedocumenteerden geen recht meer op voorzieningen uit publieke middelen, zoals toeslagen, een zorgverzekering of onderwijs voor meerderjarigen. Toch zijn er wel dingen voor hen geregeld. Zo heeft de overheid een potje voor noodzakelijke zorgkosten voor onverzekerbare vreemdelingen, waar artsen de rekening heen mogen sturen. En er is natuurlijk het Bed Bad Brood-beleid, dat in sommige gemeentes beter werkt dan in andere.
Uit de discussies rond dat beleid blijkt de eeuwige spanning die bij dit onderwerp hoort. De overheid wil het niet te gemakkelijk maken om hier te blijven zonder papieren. Er geldt een ontmoedigingsbeleid: illegalen worden gestimuleerd om zelfstandig te vertrekken. In 2014 diende de VVD vergeefs een wetsvoorstel in om illegaliteit strafbaar te stellen, en in hun laatste verkiezingsprogramma stond dat ook op hulp aan illegalen een boete zou moeten staan. Steeds weer wordt de ondergrens van humaniteit opgezocht en springen betrokkenen en mensenrechtenactivisten in de bres om die grens te verdedigen. Maar dat debat gaat totaal voorbij aan jongeren zoals Abel. Terugkeer is voor hen geen optie, en ze piekeren er niet over afhankelijk te worden van de sobere gemeenteopvang. Met hulp van vrienden, vrijwilligers en in enkele gevallen de Amsterdamse kraakbeweging proberen ze daarom de regie over hun eigen leven te behouden. Dat is hun gevecht.

Helen
Van dat ontmoedigingsbeleid lijkt Helen niks te merken. Een zachtaardiger meisje heb ik zelden ontmoet, al ziet ze er ook wel stoer uit, met haar leren jasje en snelle schoenen. Onze gesprekken zijn bijzonder omdat ze zo langzaam gaan, woord voor woord, terwijl we alles uitbeelden en vertalen naar alle talen die we kennen, in de hoop dat de ander er iets van begrijpt. We lachen veel. Zo weet ik al heel wat van haar, al heeft ze me vast niet alles verteld.
Ze houdt van water en strand, al kan ze niet zwemmen. Ze is altijd samen met haar tante, die als haar evenbeeld is, en met wie ze de hele reis heeft afgelegd. Ze komt uit Eritrea, waar de bioscopen zo vol zijn dat mensen in het gangpad staan te kijken. Vanuit Libië nam ze de boot naar Italië. Van de tocht weet ze niet zoveel meer, ze sliep de hele tijd. Het Afrikaanse deel van het verhaal ken ik niet, ze heeft het me niet kunnen uitleggen. Via vrijwilligers heb ik wel het een en ander gehoord, ik zal het er hier op houden dat het geen vrolijke geschiedenis is. Soms heb ik het idee dat ze de woorden voor sommige dingen niet eens wil kennen. Wel liet ze me een foto zien van haar vriendje van vroeger. Hij is in een vluchtelingenkamp in Israël. Ze bellen soms, maar dan is hij boos en zij verdrietig.
Ze komt uit Eritrea, waar de bioscopen zo vol zijn dat mensen in het gangpad staan.
Gemiddeld vier keer per gesprek vraagt ze ‘how are you my friend’, en gretig schotelt ze me smakelijke hapjes en maaltijden voor. Een kwestie van cultuur – Eritreërs ontvangen nooit iemand zonder eten – maar het lijkt soms of er nog iets anders achter zit. Alsof ze de afwijzing van Nederland probeert te bestrijden met vriendelijkheid en hoopt dat ik denk: waarom zouden we zo’n lief meisje wegsturen?
De overheid faciliteert dus hooguit het humanitaire minimum. Burgerinitiatieven vullen dat aan. Zo kwam ik via een van de jongeren in aanraking met Vluchtmaat, een gebouw in Amsterdam waar ik een kantoor kon huren. Het is een indrukwekkend concept: uitgeprocedeerde vluchtelingen uit Ethiopië, Eritrea of Somalië wonen bij elkaar in een kantoorpand dat anders leeg zou staan. Velen klussen bij: koken, oppassen, fietsen repareren, en met zogeheten supporters werken ze aan al dan niet winstgevende kunstprojecten, zoekend naar mazen in de wet. Om de onkosten te dekken, worden ruimtes verhuurd aan ondernemers en kunstenaars. Een stichting is in het leven geroepen om het pand te beheren en zo is er een zelfstandige ‘maatschappij’ ontstaan die de ongedocumenteerden een stabiel onderkomen verschaft. Het project bleef niet ongezien: Vluchtmaat werd een van de finalisten in de Dutch Design Awards.
En zo heeft hulp de vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid aangenomen. Ook organisaties die samenwerken met gemeentes bieden regelmatig meer voorzieningen dan waar ze geld voor krijgen, en sommigen laten ook migranten met een Dublin-claim toe, ook al hebben die daar eigenlijk geen recht op. Soms zijn de ‘cliënten’ ook overdag welkom in de opvang, al is het maar omdat dat goedkoper is dan het inhuren van een schoonmaakbedrijf, catering en wake-up service. Schoonmaken en koken kunnen bewoners natuurlijk ook zelf. Maar daar wil de regering niks van weten.

Dani
Ontmoediging alla, maar het grootste effect van het beleid is dat vluchtelingen, in of buiten de procedure, volledig afhankelijk zijn van hulp. Dat is niet zonder gevolgen, bleek toen ik Dani leerde kennen. Hij had negen jaar geprocedeerd, in 2016 was zijn hoger beroep afgewezen. Hij kende tientallen AZC’s, alle provincies van Nederland had hij gezien. Toen stond hij weer op straat. Op mijn vraag om een interview vroeg hij of de inlichtingendiensten erbij zouden zijn. Ik beloofde dat dat niet zo was, dus mocht ik langskomen. We zaten in een kraakpand, ieder op een bank. Het tafeltje tussen ons in zag eruit alsof het nooit voor iets anders was gebruikt dan voor het rollen van joints. Vraag Dani drie keer om zijn verhaal, en je krijgt drie verschillende antwoorden. Hij is 27, 23 jaar, is geboren in 1992, komt uit Mauritanië, Senegal, waar hij niemand kent, of ach, ja zijn moeder woont er nog wel, en z’n vader heeft een huis in Senegal, maar woont in Marseille. ‘Want in Frankrijk mag je blijven zolang je werkt, maar hij is al oud, dus bij zijn pensioen gaan ze hem wegsturen. Wist je dat mijn broer in Amerika woont? Daar mag je ook gewoon werken!’
De IND achtte zijn relaas niet geloofwaardig en ook het kinderpardon werd niet toegekend. Dus kreeg hij een brief voor zijn neus waar hij geen woord van begreep en zei zijn advocaat dat hij niks meer voor hem kon doen. De brief bewaart Dani op zijn borst. Het verweerde stuk papier is half gescheurd in de vouwlijnen. Er zijn lichtbruine vlekken op te zien, druppels cola of bier.
Soms dacht Dani aan vrijwillige terugkeer, om vanaf Senegal naar Amerika te reizen. Hij ging zelfs praten met een instantie die hem bij terugkeer kon helpen. Maar direct na dat gesprek vertelde hij me dat hij niet ging meewerken, dat de wereld tegen hem was, dat iedereen hem alleen maar weg wilde hebben. Dan weer was hij vrolijk en dankbaar voor ieder luisterend oor, dan weer zwaar depressief.
Dani kreeg een schadevergoeding van de staat voor ‘overschrijding van de redelijke termijn van besluitvorming’. Bij gebrek aan een bankrekening moest het geld via mij. Soms aten we samen bij een snackbar, maakte hij ruzie met Marokkanen op straat of liet hij zijn tijdelijke slaapplek zien in een oud café onder een werf. Eén keer keek hij dagenlang niet op zijn telefoon en wisten zelfs zijn vrienden niet waar hij was. Achteraf bleek hij vastgezeten te hebben vanwege openstaande boetes. Agenten hadden gedreigd hem over te geven aan de vreemdelingenpolitie, maar ‘dat doen ze toch nooit’, en inderdaad, na een week stond hij weer op straat.
Toen werd het kraakpand waar hij had gewoond ontruimd. Hij had in heel Nederland ‘matties uit AZC’s’ bij wie hij kon overnachten, maar het gebrek aan een vast adres bezorgde hem veel stress. Steeds vaker had Dani last van – in zijn eigen woorden – paranoia. ‘Niemand kan me helpen! Ze willen me allemaal terugsturen naar Afrika! Godverdomme. Ik heb problemen, man. Ik slaap op straat!’ Het was half twaalf ’s avonds, hij belde, hing op, belde opnieuw. Een gesprek was niet te voeren. Een gemeenschappelijke vriend belde me op. ‘Hij kan best hier slapen, maar dan moet hij even rustig worden. Zo heeft het geen zin.’ Dani weer. ‘Ik word gek jongen, niemand wil me binnenlaten! Kanker. Ik ben op het station. Ik ga weg van Nederland. Nederland heeft me kapot gemaakt.’
Ik doe niemand kwaad
Het had even geduurd voor het echt tot me doordrong hoe problematisch het is om te moeten wachten op een onzekere toekomst, zoals eigenlijk alle jongeren in dit stuk. Je kan je tijd toch goed besteden, had ik steeds hoopvol aangenomen. Zelfstudie, kunst, sport, daar heb je toch geen papieren voor nodig? Maar Dani liet me zien dat dat simpelweg niet zo werkt. Hij kwam ook aan met die instelling, vertelde hij. Hij was ambitieus, leerde snel Nederlands, maakte veel vrienden. Maar afhankelijk zijn van anderen en niets kunnen doen om jezelf vooruit te helpen, bleek veel ingrijpender dan ik me had kunnen voorstellen. Als ongedocumenteerde zie je de mensen om je heen continu dingen doen die jij niet mag, terwijl je wel de zorgen hebt van een normale burger. Je leeft van zwart werk of donaties, maar kan zelf geen rekening openen, huis huren of auto rijden. Als er even niemand een kamer vrij heeft, ben je dakloos, als de gemeente rechtser wordt, krijg je minder hulp. Je kan er zelf niks aan veranderen, en in alles voel je de afkeuring van jou als illegaal persoon.
Als ongedocumenteerde zie je de mensen om je heen continue dingen doen die jij niet mag, terwijl je wel de zorgen hebt van een normale burger.
Elke Uitentuis gaat al jaren veel om met afgewezen asielzoekers in Amsterdam. Ze legt uit dat de afwijzing vaak deel wordt van iemands identiteit. ‘Die wordt gevoeld, niet alleen tussen hen en de wet, maar tussen hen en de hele buitenwereld. Ik zag laatst hoe een ongedocumenteerde vriend van me zich aan iemand voorstelde. De ander had zijn naam en beroep genoemd. Mijn vriend zei zijn naam, en: “ik doe niemand kwaad”. Het emotioneerde me, want dat is wat het met een vluchteling doet. Hij vond het nodig om zich te verdedigen bij een eerste ontmoeting, alsof zijn gebrek aan verblijfsvergunning een afwijzing van zijn hele persoon was geweest.’
En ondertussen gaat de tijd voorbij. De jaren waarin deze jongeren zich zouden moeten ontwikkelen, waarin ze een volwassene zouden moeten worden, studeren, zien ze wegschieten. Bovendien zijn ze allemaal gevlucht. Het verwerken van een trauma betekent letterlijk dat je de geschiedenis achter je moet laten. Hoe doe je dat, als je geen toekomst hebt om je op te richten? Ook de psychiatrie erkent dat probleem. Zo promoveerde Kees Laban met een studie naar de gezondheidsschade van een lange asielprocedure: die bleek aanzienlijk, en bleek ook nog eens bestaande trauma’s te vergroten. Psychiater Pim Scholte, die traumabehandelingen ontwikkelde speciaal voor ongedocumenteerden, wijst op het belang van voorziening in basisbehoeften – een huis, inkomen, zekerheid – om moeilijkheden uit het verleden te kunnen verwerken. ‘En dat is precies wat asielzoekers wordt ontnomen na het afwijzen van een verblijfsaanvraag.’
Onderdrukking
Ik discussieerde wat af, en steeds weer werd mijn perspectief omver gegooid. Zo legden sommigen de ongelijkheid uit als neokoloniale onderdrukking, wezen enkelen me erop dat niet-zwarte migranten, zoals Syriërs, veel meer kans hebben op een verblijfsvergunning, vervaagde de grens tussen juridische uitsluiting en racisme. Een moeilijk onderwerp, omdat je nooit kan zeggen wat precies aan de beslissing van de IND vooraf gaat. Syriërs kunnen nu eenmaal meer documenten laten zien om hun afkomst te bewijzen. Maar dat er ook in mijn omgeving wel een subtiele angst is voor ‘de Afrikanen’, waarbij het dan ook altijd meteen over de grote hoeveelheden gaat, moest ik wel erkennen. En waar ik in het begin nog vaak redeneerde dat een land zijn zelf opgebouwde welvaart best zou mogen beschermen tegen buitenstaanders, werd ik steeds vaker herinnerd aan de oorzaak van die welvaart: goedkope grondstoffen, arbeid, wapens, diamanten en goud… Zonder die buitenstaanders waren we zo ver natuurlijk nooit gekomen.
Tot mijn schaamte was ik verbaasd dat veel van de jongeren zo’n goed doordachte mening hadden. Niks overleefstand, sommigen konden hun opvattingen zo goed verwoorden dat ze bij Jinek niet zouden misstaan. Maar je ziet ze niet bij Jinek. Dat komt door de mediavrees van veel ongedocumenteerden. Ze laten zich niet graag zien, soms omdat ze nog gezocht worden door spoken uit het verleden, maar ook omdat ze het label ‘illegaal’ niet prettig vinden. Terwijl ze zelf toch de belangrijkste gesprekspartner zouden moeten zijn in het ‘illegalendebat’. Dat zie je in Amsterdam, waar de groep We Are Here wel degelijk een statement maakt en contact onderhoudt met journalisten en bijvoorbeeld de fractie van GroenLinks. Het leidt tot een zeldzaam beeld: ongedocumenteerde vluchtelingen met eigenwaarde en initiatief, gezamenlijk optrekkend met een flinke groep Amsterdammers. Hun boodschap: illegalisering is onderdrukking, vrijheid is ons doel.
Ze laten zich niet graag zien omdat ze het label ‘‘illegaal’’ niet prettig vinden.
Een andere belangrijke reden voor hun teruggetrokkenheid is de permanente en onduidelijke dreiging van vreemdelingendetentie. Daar gaat geen misdaad aan vooraf, behalve het illegaal betreden van ons land. Het is een paardenmiddel, volgens Theo Miltenburg van het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt ‘puur en alleen voor de bühne’. Verschillende jongeren die ik sprak, hadden het meegemaakt, en het had een enorm effect op ze gehad. Dus vroeg ik Rob van der Veen, woordvoerder van de Amsterdamse politie, wanneer zij iemand zonder de juiste papieren aan de vreemdelingenpolitie overdragen. ‘Laat ik het zo zeggen,’ antwoordt hij, ‘illegale vreemdelingen zijn niet bepaald een prioriteit. We gaan niet naar ze op jacht, en als we er eentje aanhouden vanwege een klein vergrijp, proberen we er eerst achter te komen wie het is. Vaak hebben we even contact met de vreemdelingendienst, en blijkt dat al vaker is geprobeerd diegene uit te zetten, of hij komt uit zo’n land dat niemand terugneemt. Dan heeft het geen zin om diegene nog vast te houden.’
Toch zijn er drie detentiecentra voor illegale vreemdelingen: in Zeist, in Rotterdam en bij Schiphol. Migranten kunnen er slechts vastgehouden worden zolang officieel ‘uitzicht is op uitzetting’, en maximaal achttien maanden. Dat nieuwe beleid is te zien in de cijfers. Volgens Amnesty International zaten in 2016 pakweg 2.300 mensen in vreemdelingendetentie, tegenover 12.500 in 2005. Over de omstandigheden binnen de muren gaan schokkende verhalen rond. Zo werd er melding gemaakt van straffen met isoleercellen, bedorven voedsel tijdens het offerfeest en vernederende behandeling door de bewaking.
Er worden dus wel veel minder mensen in detentie gehouden dan vroeger, maar de dreiging houdt velen uit hun slaap. Verschillende jongeren vertelden me over vrienden die tijdens zwart werk opgepakt werden en in detentie eindigden. Maar zonder inkomen ben je geheel overgeleverd aan organisaties, en kwetsbaar voor uitbuiting.
Eden
Vreemdelingendetentie raakt je in je ziel, vindt ook Eden (25). Je bent alleen, ver weg van je geboortegrond, hebt niemand om voor je te vechten. Edens probleem is vergelijkbaar met dat van Abel: ze had als kind zowel in Ethiopië als in Eritrea gewoond, en kon haar Eritrese nationaliteit niet bewijzen aan de IND. Na de afwijzing reisde ze via Calais naar Engeland, werd teruggestuurd naar Nederland en zat een half jaar vast. Uitzetten lukte niet, dus werd ze op straat gezet in Rotterdam.
Het is leuk om met Eden te praten, omdat ze nuchtere humor heeft en haar frustraties goed onder woorden kan brengen. Zo vindt ze het belachelijk dat de Nederlandse overheid vluchtelingen afhankelijk maakt van een uitkering en opvang. Ze wil werken en zelf haar toekomst in handen hebben.
Tijdens mijn onderzoek vond ik het fijn om me steeds op de jongeren te richten, omdat ik in hen nog de avonturier zag die ze ooit waren geweest. Vrijwillig of gedwongen hadden ze allemaal hun thuis verlaten, waren ze op eigen houtje de wereld gaan verkennen en hadden ze besloten dat geen zee of grens hen kon tegenhouden. Zij zouden het maken in Noord-Europa, zij zouden leven, zij zouden geld en stoere verhalen naar huis sturen, als dat huis nog bestond. Heel vaak zag ik, zelfs in die paar maanden dat ik ze sprak, die spirit langzaam minder worden, en ik zag ze zelfbewust rouwen om dat verlies. Nederland deed alles om ze afhankelijk en minderwaardig te maken, en zij vochten steeds minder hard terug.
Bij Eden was er nog een beetje strijdvaardigheid over toen ik haar leerde kennen. Ze vond nog één kans om te vechten tegen de nutteloosheid, of zoals ze het zelf zei: ‘to make something for myself’. Ze was zwanger. Eerst was ik verbaasd. Waarom zou je je willen voortplanten als je je kind zo weinig kan bieden? Maar, zo zei ze, eindelijk zou er iets veranderen. Ze praatte erover alsof het een middelvinger naar Nederland was. ‘Zie je wel, ik ben de baas over mijn leven!’ leek ze te zeggen. Ze kreeg een jongetje, ze was blij.
Sinds de baby had ze weer recht op opvang, in een gezinslocatie. Dat is een officiële opvang voor uitgeprocedeerden met een minderjarig kind. Er heerst een ‘sober regime’, vrijheidsbeperking, een dagelijkse meldplicht en weinig privacy. Sindsdien belde ik af en toe nog met Eden. Elke keer als ik haar sprak, klonk ze minder strijdvaardig. Ze vertelde dat ze zich gepensioneerd voelde, ‘like an oma, I just sit here and play with my baby.’ Als er niks verandert, leven moeder en zoon de komende achttien jaar op kosten van de staat. Voor wie dat goed is, weet niemand.
Uitkomst
In principe, stelt de overheid, kan iedere uitgeprocedeerde asielzoeker die terug wil naar zijn eigen land, terug. Maar dat uitzonderingen bestaan, wordt gelukkig erkend. Daarom werden twee regelingen getroffen: het kinderpardon, voor kinderen die ‘geworteld zijn in Nederland’, en de buiten-schuldvergunning, voor wie vergeefs heeft geprobeerd terug te keren. Maar beide regelingen, die in theorie voor velen uitkomst zouden moeten bieden, worden maar weinig toegepast. Volgens Vluchtelingenwerk komt dat door de bijna onhaalbare en onduidelijke voorwaarden die eraan verbonden zijn.
Het zijn papieren constructies die met de realiteit niks te maken hebben. Want waarom zouden ze dit leven nog leiden als ze ook zouden kunnen terugkeren? Bovendien waren de meesten nog zo jong toen ze hier kwamen, dat je het ze bijna niet kan aanrekenen. Maar het hele onderwerp is besmet met moedeloosheid, die ik bij mezelf ook steeds meer opmerkte. Het onderzoek liep uit, ik kon geen goed einde voor mijn verhaal vinden. Steeds vaker begon ik de situatie van de jongeren, die mijn vrienden waren geworden, als een noodzakelijk kwaad te zien. Ze hadden niet de voordelen en kansen die voor mij al bij mijn geboorte hadden klaargelegen. Maar ze waren toch veilig, hadden (basis-)rechten, kregen hulp?
Dat veranderde toen ik de balans ging opmaken. Er is nogal wat gebeurd dat ik slechts algemeen kan benoemen, om bronnen te beschermen. In de tijd dat ik deze jongeren volgde, kregen drie van hun vrienden na jaren procederen alsnog een status. Minstens de helft van de jongeren die ik kende, had zelf nog realistische hoop op een verblijfsvergunning. Een van de jongeren werd uitgebuit: hij werkte buitensporig hard bij een niet nader te noemen bedrijf, maar stopte omdat hij zijn salaris niet ontving. Een ander vertrok naar Duitsland, vroeg asiel aan en werd teruggebracht naar Nederland. Drie werden gearresteerd, maar stonden binnen een week weer op straat. Van drie kwam ik er terloops achter dat ze een suïcidale geschiedenis hadden, in Nederland. En drie jongeren waren gedurende mijn onderzoek aanwezig bij een steekpartij. Steeds was ook de dader ongedocumenteerd, mentaal niet in staat daarmee om te gaan, wanhopig, getraumatiseerd of gefrustreerd.
Het is niet oké, dat weet ik sinds de dood van Luel pas zeker. Toen hij werd doodgestoken, besefte ik pas hoe gevaarlijk de houding van ‘het is niet anders’ is, die velen bij dit onderwerp hebben. Zonder die trieste gebeurtenis had ik dit stuk misschien nooit afgeschreven. Maar het buitensluiten moet ophouden. Daarin spelen overheid en IND een grote rol, maar zeker ook de directe omgeving. Want het staatssysteem is tegenwoordig totalitair. Nachtopvang, cursussen, vrijwilligersorganisaties: kom er zonder DigiD, VOG of BSN maar eens bij. We moeten jongeren de kans geven om zich te ontwikkelen tot zelfstandige en waardige wereldburgers. Leve de burgerlijke ongehoorzaamheid.
Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzonder Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor jonge journalisten.
Het Dublin-verdrag
In 2016 werden ongeveer 6.770 asielaanvragen afgewezen vanwege het Dublin-verdrag. De aanvrager wordt dan teruggestuurd naar het land waar hij als eerst binnen de EU geregistreerd werd, bijvoorbeeld Italië. Rian Ederveen, juridisch adviseur bij Stichting LOS (Landelijk Ongedocumenteerden Steunpunt), bevestigt dat Dublin-claims vervallen na achttien maanden. Als een vreemdeling daarop wil wachten, moet hij ‘onderduiken’. In die tijd heeft hij geen recht op opvang, maar moet hij wel in het land blijven. De termijn gaat in vanaf het moment dat de asielzoeker uit een AZC vertrekt, maar als hij in een ander land wordt geregistreerd, begint de periode weer opnieuw. Ederveen: ‘Voor velen is anderhalf jaar wachten interessanter dan terugkeren naar Zuid-Europa, omdat daar de opvang meestal ernstig tekortschiet en ook vluchtelingen met een verblijfsvergunning er geen bijstand krijgen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.