Onze nationale vogel, de grutto, is in gevaar. Een onwaarschijnlijke coalitie van Wereld Natuur Fonds, boeren en bankbazen schiet te hulp. ‘De grutto is de kanarie in de kolenmijn van de intensieve melkveehouderij.’

Het is vroeg in de ochtend als Theunis Piersma, een rijzige man met grijzende krullen, vanuit zijn huis in het Friese dorp Gaast de wildroosters oversteekt en de dijk op loopt die zich uitstrekt langs de Workumerwaard. Het statief van zijn vogelkijker hangt losjes over zijn schouder. Kikkers kwaken, zwaluwen dartelen door de lucht, een aarzelend zonnetje doet zijn best om door te breken. ‘Ik weet wat jullie denken: móói hier,’ zegt Piersma. ‘Maar ik weet hoe het vroeger was, wat we kwijt zijn geraakt. Het stikte hier van de vogels en insecten. De velden stonden vol bloemen. Daar is bijna niets van over. En ik maak me grote zorgen dat wat er nu nog is, ook verloren zal gaan.’

Piersma (58), vorig jaar winnaar van de prestigieuze Spinoza-prijs, is hoogleraar trekvogelecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij heeft het bezoek meegenomen naar deze dijk om zijn punt duidelijk te maken. Want vanaf hier kun je zien hoe het ooit was, en hoe het nu is. Binnendijks strekt zich zo ver het oog reikt een ‘biljartlaken’ uit, met hier en daar een boerderij met grote stallen en een torenhoge windmolen ernaast. Hoewel het er in stadse ogen nog best idyllisch uitziet, is het volgens Piersma in feite een industrielandschap. ‘Alles is groen,’ zegt hij. ‘Gífgroen. Overal staat hetzelfde Engelse raaigras. Dat is eiwitrijk, en zorgt ervoor dat de koeien nog meer melk geven. Maar het is een monocultuur, er groeit niks anders meer.’

Foto: Isabella Rozendaal
Uitgestorven

De ecoloog groeide op in deze contreien. Als kind trok hij met zijn vader, die veearts was, vaak het land in. Jarenlang woonde hij elders, en toen hij weer terugkwam was het of hij in een andere wereld was beland. ‘Vroeger hoorde je hier sprinkhanen, maar die zijn uitgestorven. In de weilanden zitten geen vlinders meer, geen grote insecten. Hun larven zorgden voor het verteren van het organische materiaal. Nu is de bodem levenloos, volgepompt met stikstof en fosfaten, omdat de boeren maar blijven bemesten. Daar bestaat een woord voor: een riool. Als ik hier in de zomer fiets, is er geen zak meer aan. Het is doodstil.’ Hoe het volgens Piersma ook kan, zien we aan de andere kant van de dijk. Daar staat hoog gras, vol met bloemen, klaver en vooral ook de roodgekleurde zuring, waardoor er een rood waas over het veld hangt. Deze velden zijn van een boer die een hoger waterpeil handhaaft, minder bemest en dus later en minder maait omdat hij een weidevogelvergoeding krijgt die de afname in melkproductie enigszins compenseert. En dat is goed te merken. Grutto’s buitelen boven de wei, elkaar driftig waarschuwend voor de komst van indringers. ‘Dit zijn de laatste postzegeltjes land waar de vogels nog terecht kunnen. Deze plek is een soort Schiphol, want hier verzamelen ze zich voordat ze aan de trek naar Afrika beginnen. En het is hun kraamkamer, want hier broeden ze.’
Al jaren doet Piersma onderzoek naar de grutto. Samen met zijn onderzoeksteam telt hij de vogels in Friesland (‘we zijn het gruttobevolkingsregister’), en rust ze uit met zenders om ze te kunnen volgen tijdens hun trek naar het zuiden. Onderzoek dat volgens hem des te belangrijker is omdat Nederland cruciaal is voor het voortbestaan van de grutto, die onlangs door Trouw werd verkozen tot ‘nationale vogel’. ‘Vijfentachtig procent van de grutto’s broedt alleen in Nederland,’ zegt Piersma. ‘Dit is ónze vogel. En als hij uitsterft, is het dus onze schuld.’

Groei, groei, groei

De voortekenen zijn niet goed. Volgens de laatste schattingen zijn er nog maar vijfendertigduizend paartjes over, een afname van meer dan negentig procent ten opzichte van 1960. En elk jaar gaat het verder achteruit. De oorzaak? Piersma wijst op de grazige weiden binnen de dijk. ‘De boeren hier moesten steeds maar efficiënter en dus vaak groter worden van Europa. Meer koeien en een hogere melkproductie per landbouwhectare. Al die dieren moeten gevoed worden, en dat betekent vaker maaien. En dus gaan de maaimachines steeds vroeger naar buiten. Soms al in mei, als de grutto’s en andere weidevogels nog zitten te broeden of net hun jongen hebben.’ De kuikens komen vaak in de messen van de maaimachines terecht. Overleven ze wel, dan zijn er te weinig insecten om te eten en verhongeren ze. En zo gaat het bijna in heel Nederland, want op negentig procent van de landbouwgrond wordt intensieve landbouw bedreven. De veldleeuwerik is al bijna helemaal verdwenen, en ook met de kievit en de tureluur gaat het beroerd. In het recent verschenen rapport State of Nature van de Europese Commissie bungelt Nederland helemaal onderaan als het gaat om de biodiversiteit. De afgelopen decennia gold in het boerenbedrijf maar één adagium: groei, groei, groei. Want we moesten ‘de wereld voeden’, zoals vertegenwoordigers van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland, hoogleraren in Wageningen en het ministerie van Landbouw niet moe werden te zeggen. Een jaar of vijf geleden begon in Friesland een groep boeren en academici vraagtekens te stellen bij die gang van zaken. In de zomer van 2012 leidde dat tot het burgerinitiatief ‘Kening fan ‘e Greide’ – Fries voor ‘Koning van het weiland’, zoals de bijnaam van de grutto luidt. Volgens Piersma We naderen het moment dat Nederland een land wordt waar we niet meer willen wonen. is de vogel een symbool voor de teloorgang van het boerenland. ‘De grutto vertelt het verhaal van wat we kwijtraken en wat we niet zien. Ik kijk met de verwonderde ogen van de grutto naar dit land. Dat de boeren hier bijvoorbeeld allemaal slecht slapen omdat ze maar net genoeg verdienen om hun torenhoge investeringen eruit te halen. Als er iets misgaat, zoals vorig jaar toen er een muizenplaag was, stort alles in elkaar en moet de belastingbetaler bijspringen. Terwijl we via Brussel ook al jaarlijks een miljard euro subsidie aan de boeren geven en we nooit kijken naar alle onbenoemde kosten, zoals de prijs van ontwatering en wegenonderhoud, milieuverontreiniging door ongebreideld bemesten en bespuiten en de ontwaarding van huizen. Dus ja: de melk in de supermarkt is heel goedkoop, maar dat is een ongelooflijk oneerlijke prijs. Want wat we allemaal niet betalen om hier het land naar god te helpen, dat is niet te kort.’

Foto: Isabella Rozendaal
Streeksessies

Kening fan ‘e Greide bracht in Friesland met veel succes een debat op gang over de teloorgang van de weidevogels. ‘Al dertig, veertig jaar zijn er initiatieven van overheden, natuurorganisaties en eenlingen die zich zorgen maakten,’ zegt mede-initiatiefnemer Klaas Sietse Spoelstra. ‘Maar de politiek en het bestuurlijk apparaat slaagden er niet in het tij te keren. Daarom begonnen we een initiatief van onderaf dat grote, essentiële vragen aan durft te kaarten. In wat voor land willen we wonen – daar gaat het om. Want we worden een ander land als we alleen kijken naar de economische functie van het landschap, naar winst en bedrijfsoptimalisatie, en niet naar andere waarden, bijvoorbeeld de culturele. Verschralen we dan niet? Moeten we daar blij mee zijn? En zijn we ons daar wel genoeg van bewust?’ De groep organiseert debatavonden, schoolexcursies en ‘streeksessies’, stelde in 2013 een manifest op dat werd aangeboden aan de Provinciale Staten, en lobbyde bij de provincie en het ministerie voor meer ‘natuur-inclusieve agrarische bedrijfsstructuren’. Juist omdat Friesland nationaal melkleverancier is én het zomerverblijf van vele broedende weidevogels, zou het een voortrekkersrol moeten spelen, luidt hun argumentatie. In de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad zijn weidevogels inmiddels een hot item. De ‘Kening’ roert zich ook op cultureel gebied. Theunis Piersma maakte samen met muzikant Sytse Pruiksma de voorstelling King of the Meadows, die komende jaren te zien zal zijn op verschillende plaatsen in Europa, langs de route die de grutto jaarlijks volgt. De amateurvereniging van het dorpje It Heidenskip voerde vorig jaar juni in het open veld de voorstelling De Kening stjêrt op, vrij naar Ionesco, waarin de grutto een tragische hoofdrol vervult. Zelf is Klaas Sietse Spoelstra een van de mensen die ervoor zorgden dat Leeuwarden werd uitgeroepen tot Culturele hoofdstad van Europa 2018. Ook dan, zegt hij, zal de grutto een rol spelen. ‘In het Fries zijn tal van verhalen en gedichten over grutto’s. Het verdwijnen van die prachtige vogel betekent simpelweg dat een deel van de Friese en ook nationale identiteit verdwijnt.’

Ontkenningsfase

Voor traditionele natuurbeschermingsorganisaties als het Wereld Natuur Fonds was het grutto-probleem jarenlang niet zo interessant. Want het boerenland, dat was min of meer opgegeven. ‘Ik zat nog in de ontkenningsfase als het om weidevogels ging,’ zegt WNF-directeur Johan van de Gronden. ‘Daar dachten we geen winst te kunnen halen. Het ging ons om de grote dingen. We vonden Nederland te klein. Sowieso waren natuurclubs nooit zo geïnteresseerd in cultuurlandschap. Wij wilden “nieuwe wildernis” creëren, zoals in de Oostvaardersplassen. Dat was een groot succes, er zijn 700.000 mensen naar de gelijknamige film geweest, dus dat hebben we heel goed gedaan. Maar het platteland lieten we zitten.’ In 2012 kwam er uit onverwachte hoek de aanmoediging om zich juist wél op Nederland te richten. Het WNF was een meerjarige samenwerking aangegaan met de Rabobank om duurzaamheidsprojecten in de landbouw op te zetten. Ze waren al actief in Chili, Brazilië, Indonesië en India, maar de toenmalige CEO Piet Moerland wilde ook graag in Nederland iets opstarten. En dan het liefst in de melkveehouderij. Bij de bank zagen ze toen al aankomen dat het melkquotum zou worden opgeheven, zegt directeur duurzaamheid Bas Rüter. ‘Daar kan je nog meer groei van verwachten, maar aan de andere kant kan het een probleem betekenen voor de biodiversiteit en het maatschappelijk draagvlak voor de sector.’
Van de Gronden verdiepte zich in de problematiek en kwam al snel uit bij Theunis Piersma. Aan diens keukentafel werden stevige gesprekken gevoerd. ‘Hij heeft me een paar keer hard getackeld,’ herinnert Van de Gronden zich. ‘Theunis vond het belachelijk dat we ons bij het WNF wél bekommerden om de panda en de tijger, maar niet om wat er hier in het Nederlandse boerenland gebeurde. Hij zei: het WNF is een merk van hier tot daar, jullie doen fantastisch werk, het kan toch niet waar zijn dat jullie daar geen oog voor hebben. Als ik dan zei: hou op, dat is cultuurlandschap, werd hij woedend. En achteraf moet ik hem daar helemaal gelijk in geven. Inmiddels zie ik dat de grutto een soort “vliegende panda” is. De kanarie in de kolenmijn van de intensieve melkveehouderij. Want we naderen het moment dat Nederland een land wordt waar we niet meer willen leven. De grutto hoort bij ons, en ik wil dat hij blijft. En dat kan ook. Als twintig procent van het land anders beheerd wordt en we twee cent meer gaan betalen voor een pak melk, ben je er volgens mij al uit.’ Het is geld, geld, economie, doorstampen en huppakee. Nou ja, waarvoor ben je op aarde?
Van de Gronden kwam ook tot een ander inzicht: veel boeren willen best veranderen en hebben hart voor de natuur, maar ze zitten gevangen in een op hol geslagen systeem. ‘Dan komt er weer iemand van de bank bij zo’n man thuis die zegt: als je nou een melk-robot neemt en een megastal bouwt, dan komt het allemaal goed. Wat moet zo’n boer? Eigenlijk is er geen echt alternatief: of je gaat mee in de schaalvergroting, of je wordt helemaal biologisch. Toen ik terugkwam bij Moerland van de Rabobank zijn we tot het plan gekomen daadwerkelijk iets in Nederland te gaan doen. Maar wel iets heel ingewikkelds: we willen een economisch haalbaar alternatief proberen te ontwikkelen voor de melkveehouderij, een van de allermoeilijkste sectoren.’ Het groeide uit tot een brede coalitie, want ook melkgigant Friesland-Campina en de Vogelbescherming sloten zich aan.

Kruidig gras

Na het bezoek aan Piersma rijden we naar Idzega, een gehucht van drie boerderijen en een paar huizen in het uitgestrekte land. Daar woont boer Klaas Oevering met zijn vrouw en vier dochters. Een tanige man in korte broek en werkmansschoenen die deze middag op zijn blauwe trekker het vers gemaaide gras aan het ‘inkuilen’ is. Wat meteen opvalt aan zijn land, is dat het opgedeeld is in stroken. Een deel ervan is gewoon kort gemaaid raaigras, een ander deel is ongemaaid. Daar staan ook volop bloemen en ‘kruidig gras’. ‘Daar kunnen de gruttokuikens naartoe,’ legt hij uit. Op een vijfde deel van zijn land heeft Oevering de waterstand verhoogd, waardoor er ‘plas-dras’-gebiedjes ontstaan waar de volwassen grutto graag vertoeft. Hij maait met beleid: pas eind mei, begin juni, waarbij hij let op de nesten en om en om een strook gras laat staan. Als boer loopt Oevering voor de troepen uit. ‘Normaal maaide ik vijf keer per jaar,’ zegt hij. ‘Nu drie keer. Dat brengt dus veel minder op. Het zaaigoed voor het kruidige gras is veel duurder dan dat van raaigras, en de koeien produceren ook minder melk als ik ze het kruidige gras voer. Die van mij geven 7500 liter per jaar, en een intensieve boer die op stal alles heeft uitgekiend kan wel tienduizend liter uit zo’n koe trekken. Ik heb dus minder inkomsten dan als ik intensief geboerd zou hebben.’ Het verschil wordt nu nog bijgelegd door de provincie Friesland. ‘Maar dat is wel een gedoe, hoor,’ zegt Oevering. ‘Al die regeltjes en bureaucratie. Het is niet altijd even populair bij de boeren.’ Oevering doet het uit overtuiging. Hij is een van de drijvende krachten achter Kening fan ‘e Greide en sprak de afgelopen jaren regelmatig tijdens bijeenkomsten en lezingen. Ook is hij de spil van de Skriezekrite, ‘de Grutto-kring’, waar inmiddels veertig boeren uit de omgeving bij zijn aangesloten. ‘Ik ben opgegroeid in dit landschap. Als jongetje heb ik ervaren hoe prachtig mooi het hier is, en dat wil ik doorgeven aan mijn kinderen. Ik hou van de vogels. Boer zijn is een vrij eenzaam beroep. Je bent vaak alleen aan het werk in het veld, en dan beschouw ik die vogels een beetje als mijn kameraden.’
Tijdens lezingen, heeft hij gemerkt, zijn de meningen verdeeld. ‘Sommigen zeggen dat ik supermodern ben, anderen vinden me hopeloos ouderwets. Er zijn boeren die gewoon willen doorstampen naar drie-, vier-, vijf-, zeshonderd koeien. Die zeggen: jullie pielen maar wat aan met die vogeltjes. Het is: geld, geld, geld, economie, doorstampen en huppakee. Nou ja, waarvoor ben je dan op de aarde gezet, denk ik dan. Ik wil niet in een systeem geduwd worden dat me niet past. Ik heb honderd koeien. Dat kruidige gras vinden ze heerlijk en het houdt ze gezonder, dus hoef ik bijna geen antibiotica te gebruiken. Dat maakt me gelukkiger in mijn werk. Je moet een beetje geven en nemen met de natuur.’ Overwogen om helemaal biologisch te gaan boeren heeft Oevering niet. ‘De uitdaging is veel groter om het als “gangbare” boer anders te doen. Als dat lukt, kun je een voorbeeld zijn waar de overgrote meerderheid van de boeren wat aan heeft. Anders blijven ze gewoon zeggen: ach ja, Klaas, die is bio. Die maait later, dat is logisch.’

Revolutionaire omslag

Namens het WNF, de Rabobank en Friesland-Campina wordt de bedrijfsvoering van boeren als Oevering nauwlettend in de gaten gehouden en doorgerekend door agronomen van het gerenommeerde Louis Bolk Instituut. Want is dit gewenste nieuwe model wel levensvatbaar? De voordelen van de werkwijze zijn evident. Er hoeft niet geïnvesteerd te worden in stallen en vee. De kosten, met name die voor krachtvoer, antibiotica en kunstmest, zullen lager uitvallen. De koeien zijn minder vatbaar voor ziektes. En het land raakt niet langer uitgeput, zodat het bodemleven zich kan herstellen. Maar een lagere melkproductie accepteren? Na decennia waarin groei en intensivering de leidende principes waren in de agrarische sector is het weinig minder dan een revolutionaire omslag in het denken. Volgens de Argentijn Pablo Tittonell, hoogleraar agro-ecologie aan de universiteit van Wageningen, is het een unieke kans. ‘We zitten allemaal vast in het idee dat alleen de opbrengst bepaalt of iets efficiënt gebeurt, en dat is gewoon het verkeerde idee. Veel wetenschappers, ook in Wageningen, zijn opgegroeid met de ideeën van de Groene Revolutie en denken dat je alles kunt oplossen met technologie. Zij houden nog steeds vast aan het adagium dat Nederland de wereld moet voeden, en dat is echt nonsens. Daarvoor hebben jullie gewoon veel te weinig oppervlakte. Maar jullie hebben wél heel goede boeren en een cultuur waarin jullie goed kunnen samenwerken. Als al die kennis en energie gericht worden op die nieuwe manier van boeren, kunnen jullie een enorm voorbeeld zijn en ervoor zorgen dat de hele wereld beseft dat de oude systemen niet werken.’ Hij doceert: intensivering is ‘een simplificatie van het systeem’. Altijd dezelfde aardappel op het land, overal dezelfde grassoort voor de koeien, fabrieken die altijd met dezelfde grondstoffen werken. ‘Maar daardoor raakt het systeem uit balans. Je hebt kunstmest en antibiotica nodig. De consument betaalt dan nog een keer, bijvoorbeeld om het vervuilde water te zuiveren. En de grond raakt uitgeput. In Flevoland en de Noordoostpolder, ooit prachtige poldergrond, moeten boeren soms wel anderhalve meter diep ploegen om er nog een beetje leven in te krijgen. Een model dat rekening houdt met biodiversiteit is goed voor de boer, voor de grond, voor de natuur en voor de dieren. Het is een win-winsituatie.’

Magere jaren

En niet alleen binnen de Nederlandse grenzen. ‘Door de veranderingen in de landbouw in Friesland gaan trekvogels, omdat ze hun kroost verliezen, vaak veel eerder naar het zuiden. Dan komen ze aan in landen als Senegal als de rijst nog niet geoogst is en worden ze een plaag. De boeren hebben veel last van ze. En dat is maar één voorbeeld van hoe alles met elkaar verbonden is.’ De invoering van een nieuw model, geeft Tittonell grif toe, heeft vergaande implicaties. Boeren moeten leren omgaan met complexere systemen. En volgens Bas Rüter van de Rabobank krijgen ze tijdens de overgangsperiode sowieso te maken met een aantal magere jaren. ‘Het bodemleven is verarmd, en als je veel minder kunstmest gaat gebruiken, zal de grasproductie vijf tot tien jaar lang lager zijn. Het moet zich herstellen en leiden tot een nieuw evenwicht, een intrinsiek stabiel systeem.’ Over de vraag hoe de boeren uiteindelijk zullen worden gecompenseerd wordt op dit moment nog volop onderhandeld. Campina is bezig met de ontwikkeling van een puntensysteem voor boeren die willen extensiveren. Verder wordt er reikhalzend uitgekeken naar de aanpassing van de fiscale groenregeling, die bedoeld is voor de meest innovatieve, duurzame ondernemers in een sector. Daar zal de Tweede Kamer eind dit jaar over beslissen. Bas Rüter vertrouwt erop dat ‘we het gat zullen dichten’. ‘Ik heb nog nooit zo’n brede coalitie gezien als nu. De eerste jaren zal de overheid nog wel een handje helpen, via bijvoorbeeld de groenregeling. Die is ook bedoeld om nieuwe ontwikkelingen te stimuleren. Maar uiteindelijk willen we de versterking van de biodiversiteit bij boerenbedrijven in de eerste plaats door de markt laten dragen.’ Dat betekent, onder meer, dat de melkprijs in de supermarkt wellicht een beetje omhoog gaat. ‘Ik heb er vertrouwen in dat de consument zo enthousiast zal zijn over dit verhaal dat hij zegt: een minieme plus is eigenlijk niet meer dan redelijk.’ Boer Klaas Oevering kan niet wachten. ‘We zijn nu nog bezig te bekijken welke maatregelen goed werken. Maar voor mij was het gisteren al zover.’

Foto: Isabella Rozendaal
Fanfare

Twee dagen later, op een stralende zondagmiddag, verzamelen zich zo’n honderdvijftig mensen in de velden bij het dorp It Heidenskip. Begeleid door de plaatselijke christelijke fanfare zingt zangeres Jitske Draijer daar het lied ‘De Ljurk’, een ode aan de veldleeuwerik, de weidevogel die zo mogelijk nog meer met uitsterven wordt bedreigd dan de grutto. Het is afkomstig uit het vorig jaar opgevoerde toneelstuk De Kening stjêrt. In het publiek vanzelfsprekend ook Theunis Piersma, die ons na afloop voorstelt aan de schrijfster van het stuk, Ytsie Galama. Zij is boerin en woont in It Heidenskip. ‘Ik heb het verhaal recht uit het hart geschreven,’ zegt ze. ‘De vogels zijn de afgelopen jaren heel langzaam uit het dagelijkse leven verdwenen. En dat mag niet helemaal verloren gaan. Er móet een omslag komen in het denken.’ Ooit was het hier een ruig gebied waar altijd water stond. Een paradijs voor weidevogels. Maar in de jaren zeventig en tachtig vond er een ruilkaveling plaats en is het land drooggemalen. Over de voor- en nadelen daarvan bestaan binnen haar gezin grote meningsverschillen, zegt Galama. Zij en haar zoon Ysbrand zouden graag willen dat het waterpeil in de weilanden wordt verhoogd, zodat het een geschikte plek wordt voor grutto’s. Maar haar man Michiel heeft zijn twijfels. ‘Hij is een goede boer, hij houdt van vogels. Maar hij wil geen nat land. In de jaren zeventig zat hij vaak tot zijn knieën in de modder. Je kunt het deze generatie niet kwalijk nemen dat ze het beheersbaar wil houden. Maar het kán anders. Het is tegenwoordig mogelijk om sommige stukken onder water te zetten en andere niet.’ Dan voegt zoon Ysbrand zich bij haar. Ooit zal hij de boerderij van zijn vader overnemen, zegt hij zonder aarzelen. En zal hij dan wel het waterpeil verhogen? ‘Dat denk ik wel.’ Nu is Ysbrand vooral een verwoed tekenaar van weidevogels. Van zijn hand verscheen vorig jaar het stripboekje Het gruttovoorjaar. Ook werkt hij voor Piersma als gruttodeskundige. Vier dagen eerder, vertelt hij, speelde zich even verderop een klein drama af. Het was prachtig droog weer en een boer besloot dat er gemaaid moest worden. Hij belde het bedrijf dat dat voor hem doet, maar verzuimde Ysbrand te informeren. ‘Ze gingen het land op met enorme maaimachines, die wel 25 kilometer per uur gaan. Ze zijn er trots op hoe snel er gemaaid wordt. Alle kuikens waren dood. Ik had die jonge grutto’s naar een strook ongemaaid gras kunnen jagen. Maar die boer zei heel achteloos: “Ik dacht dat ze wel weg zouden lopen.”‘ Zijn moeder: ‘Als ik zo’n verhaal hoor, loop ik een halve dag met tranen in mijn ogen. Het is zo onnodig.’

Van Johan van de Gronden verscheen onlangs het boek ‘Wijsgeer in het wild’, waarin hij ook schrijft over de grutto. Hij onderzoekt hierin hoe de wijsbegeerte en natuurbescherming zich tot elkaar verhouden. Athenaeum, 200 p., € 19,99