Tussen alle TTIP- en CETA-commotie door onderhandelt de Europese Commissie achter gesloten deuren gestaag verder over TiSA. Moeten we ons zorgen gaan maken?

Diensten spelen een cruciale rol in de mondiale kenniseconomie. Zeventig procent van alle geld wereldwijd wordt verdiend met het verlenen van diensten. Dat kunnen internet- en communicatiediensten zijn, maar ook gezondheidszorg, transport, financiële dienstverlening of het leveren van juridische ondersteuning. Toch zijn de meest recente internationale handelsafspraken over dienstenhandel alweer twintig jaar oud. Daarom werden in 2012 onder aanvoering van de Amerikaanse en de Australische regering gesprekken gestart over wat nu het Trade in Services Agreement heet: een wereldwijd verdrag voor de dienstensector met als doel het openbreken van markten en het formuleren van nieuwe handelsregels. Inclusief de EU en de VS nemen er in totaal 23 landen deel aan de onderhandelingen in Genève. Belangrijke economische spelers als Australië, Canada, Japan en Noorwegen doen mee, maar ook een hele trits kleinere landen zoals Israël, Mexico, Turkije en Hongkong. Zelfs ontwikkelingslanden als Pakistan en Colombia mogen aanschuiven om mee te praten over de nieuwe dienstenregels. De regering van Uruguay besloot een jaar geleden na aanhoudende druk van academici, ngo’s en vakbonden in het land om de handdoek in de ring te gooien; het land was bang om belangrijke publieke dienstverlening uit handen te moeten geven. De overgebleven onderhandelaars kwamen afgelopen september voor de twintigste keer samen. Volgens het officiële onderhandelingstijdpad moet er nog vóór de jaarwisseling een akkoord op hoofdlijnen liggen, bevestigt een woordvoerder van Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken: ‘Alle lidstaten hechten aan een spoedige afronding van de onderhandelingen en hopen op een akkoord voor het eind van het jaar.’

Uitzendbureaus en touroperators

Maar internationale handelspolitiek ligt in toenemende mate onder vuur. Afgelopen maand togen er alweer zo’n tienduizend mensen naar Brussel te protesteren tegen het Europees-Amerikaanse Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP) en tegen de ondertekening van het Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) tussen de EU en Canada. Het wereldwijde Trade in Services Agreement (TiSA) lijkt echter tussen de mazen door te glippen. Een beetje vreemd is dat wel. Want de 23 onderhandelingspartners (die zichzelf ‘The Really Good Friends of Services’ noemen) verwachten veel van het mondiale verdrag. Ze committeren zich alleen al door deelname aan de onderhandelingen aan verregaande liberalisering van hun dienstenmarkten, stellen insiders enthousiast.

In TiSA zullen hoofdstukken worden opgenomen over financiële dienstverlening, overheidsaanbestedingen, transport en pakketdiensten, over telecommunicatie en over energielevering, schrijft minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking begin 2016 aan de Tweede Kamer. Zeker voor open exporteconomieën als Nederland kan een ambitieus dienstenverdrag tot grote handelsvoordelen leiden, bevestigt een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken desgevraagd: ‘TiSA geeft aan alle onderhandelingsdeelnemers allerlei verschillende vormen van wederzijdse markttoegang. Nederlandse baggeraars kunnen zo makkelijker gaan meedingen bij aanbestedingsopdrachten in Taiwan, uitzendbureaus kunnen geld gaan verdienen in Israël en touroperators in Turkije.’
Als grootste dienstenexporteur ter wereld heeft de gehele Europese Unie veel te winnen bij TiSA. Alleen, wat er precies besproken wordt achter de hermetisch gesloten deuren van de onderhandelingsruimtes aan het Meer van Genève is geheim. Critici zijn er dan ook niet gerust op. Hoe worden bijvoorbeeld ‘publieke diensten’ precies gedefinieerd – en moeten met TiSA opeens allerlei publieke diensten geprivatiseerd worden? Dankzij klokkenluiderswebsite WikiLeaks weten we in elk geval dat de onderhandelingsdocumenten tot vijf jaar na het in werking treden van het verdrag geheim moeten blijven, en bij mislukking tot vijf jaar na het beëindigen van de gesprekken.

Halverwege september publiceerde de progressieve denktank TNI in samenwerking met vakbeweging FNV een nieuwe brochure om burgers te waarschuwen tegen TiSA. Het verdrag kan immers grote invloed hebben op de dataprivacy van burgers of zou verdere privatisering van onderdelen van het zorgstelsel, zoals kraamzorg of ziekenhuisdiensten, afdwingen. En, vraagt de FNV zich af, hoe worden arbeidsnormen en minimumlonen eigenlijk gegarandeerd op een steeds verder uitdijende en competitiever wordende wereldmarkt?

Reden voor het ledenparlement van de FNV om TiSA helemaal af te wijzen. De publieke sector loopt volgens de vakbeweging teveel gevaar als onderwijs, gezondheidszorg, watervoorziening, postbezorging en openbaar vervoer niet expliciet buiten de onderhandelingen worden gehouden.

En dat weten we dus niet zeker, legt Lavinia Steinfort van TNI uit. De EU heeft na publieke pressie dan wel besloten het onderhandelingsmandaat openbaar te maken, maar andere landen doen dat niet, zegt ze. ‘De uiteindelijke definitie die gehanteerd wordt voor wat een publiek belang dient en wat niet is bijzonder nauw in TiSA. Alleen diensten die helemaal onder overheidsgezag staan en dus niet commercieel zijn, concurreren niet met andere bedrijven en gelden dus als publiek. Diensten die bijvoorbeeld een vergoeding vragen, kunnen derhalve opgevat worden als winstgevend, waardoor ze onderhevig worden aan de liberaliseringsbeginselen van TiSA.’
Dat kan in theorie van alles zijn, zegt ze. ‘Waterbeheer gebeurt in Nederland door publieke entiteiten: de waterschappen. Ook de drinkwatervoorziening valt al decennialang onder de overheid. Als water in de toekomst niet expliciet wordt uitgesloten van de onderhandelingen kunnen buitenlandse investeerders na ondertekening van TiSA een stuk makkelijker toegang krijgen tot de Nederlandse watermarkt. Dat terwijl in meer dan tweehonderd gevallen allerlei waterdiensten wereldwijd weer terug in handen van de gemeenschap zijn gebracht omdat privatisering keer op keer leidde tot stijgende prijzen en achterstallig onderhoud.’

Handelspolitiek

De Europese Commissie voert de onderhandelingen namens 500 miljoen Europeanen. Maar de onderhandelaars van de Commissie moeten steeds unaniem toestemming krijgen van de handelsministers in de Europese Raad. Waarover wel gesproken wordt en waarover niet, welke landen bepaalde economische sectoren van het verdrag willen uitzonderen – dat wordt uitgevochten in het hoofdkwartier van de Europese Raad in Brussel. Nederland zit op de zevende verdieping van het massieve Justus Lipsiusgebouw, geflankeerd door de Portugese en Deense delegaties. Het raadscomplex ligt recht tegenover het epicentrum van de macht in Brussel: het Berlaymontgebouw, waar de Europese Commissie zetelt. Het oorspronkelijke idee om de TiSA-onderhandelingen te starten, was afkomstig van de Commissie, in nauw overleg met grote Europese dienstverleners. Vervolgens is er toestemming en een afgebakend onderhandelingsmandaat gevraagd aan de Europese handelsministers die daar in het zogenaamde Trade Policy Committee (TPC) stevig over hebben zitten bakkeleien.
Jochem Sprenger is de Nederlandse TPC-vertegenwoordiger als het gaat om internationale handelspolitiek. Formeel maakt hij deel uit van het directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In een sfeervol ingerichte bovenzaal in het Justus Lipsius komt twee keer per half jaar de Europese ministerraad bij elkaar. In het midden staat een ovale tafel, achter grote glazen panelen zitten vertalers verscholen. Als de ministers er zelf niet zijn, proberen hun ambtenaren en beleidsmedewerkers hier tot overeenstemming te komen. Er staan flesjes water klaar en vlaggetjes van verschillende lidstaten op tafel, laat Sprenger zien. Het blauwglazen dak van de enorme centrale hal is dik genoeg om ver weg van de buitenwereld een sigaret op te roken. Op tafel ligt het Europese onderhandelingsmandaat: een boekwerk van 162 pagina’s, opgebouwd uit drie kolommen, een heleboel afkortingen en onleesbaar technisch vakjargon.
De Nederlandse watervoorziening zal, zoals TNI vreest, niet opeens in handen van buitenlandse investeerders komen, zo is te lezen. De EU geeft dan wel onbeperkte markttoegang voor bijvoorbeeld waterzuivering en aanverwante dienstverlening, maar ‘de EU behoudt zich het recht voor regels te blijven opstellen wat betreft de provisie van diensten die betrekking hebben op de collectie, zuivering en distributie van water naar huishoudens, industriële, commerciële of andere gebruikers, inclusief de drinkwatervoorziening en watermanagement’.

Sprenger zelf kan geen inhoudelijk commentaar geven op de documenten, maar een woordvoerder legt uit dat publieke dienstverlening wel degelijk van belang is voor Nederland en Europa en verzekert dat er wat dat betreft geen concessies gedaan zullen worden in TiSA: ‘Overheden mogen zelf bepalen of waterzuivering in publieke handen blijft, of aan de markt laten. Als ze voor dat laatste kiezen, zullen ze er wel voor moeten zorgen dat binnen- en buitenlandse partijen beide gelijke toegang tot die markt hebben. Goede bescherming van publieke diensten is van cruciaal belang. Dat voorbehoud is voor Nederland essentieel en er valt niet over te onderhandelen. Zonder komt TiSA er wat Nederland betreft niet.’

Illustratie: Zeloot
Enorme markt

Maar ondanks die geruststellend klinkende voorbehouden wil Nederland vooral veel geld verdienen aan TiSA. Naast de baggeraars hopen ook dijkbouwers en de maritieme transportsector dat het verminderen van hinderlijke regelgeving tot meer markttoegang in het buitenland leidt. Buitenlandse Zaken hoopt op handelsvoordelen voor ICT-consultants, reclamebureaus en juridisch adviseurs, wil betere regels voor e-commerce waardoor het eenvoudiger wordt om buitenlandse producten te bestellen en mikt erop dat Nederlandse bedrijven dankzij TiSA in het buitenland windparken kunnen gaan bouwen. Daar tegenover staat bijvoorbeeld dat Nederland bepaalde diploma-eisen vraagt van buitenlandse advocaten die in Nederland aan de slag willen. De EU-lidstaten zijn het er over eens buitenlandse privéscholen en internationaal opererende postbezorgers zonder voorbehoud toe te laten. Maar Frankrijk wil bijvoorbeeld dierenartsen Frans houden en om als actuaris in Spanje te werken, is een Spaans woonadres verplicht.

De belangen zijn groot. De druk op dissidente lidstaten kan dan ook flink opgevoerd worden als het gezamenlijke Europese handelsbelang in gevaar komt. Tijdens lunchtijd, in telefoongesprekken met staatshoofden en zelfs tot diep in de nacht wordt er op alle mogelijke manieren pressie uitgeoefend op landen die het om welke reden dan ook niet eens zijn met het EU-standpunt.

En die posities worden primair ingegeven door de economische Realpolitik van lidstaten, zegt Léa Auffret scherp. De Française werkt voor de invloedrijke Europese consumentenassociatie BEUC (Bureau Européen des Unions de Consommateurs). Zoals in elk modern machtscentrum zitten lobbyclubs, ngo’s en beleidsmakers in een relatief klein gebied samengepropt. BEUC zetelt dan ook op loopafstand van zowel het Justus Lipsiusgebouw als het Europese Parlementscomplex aan het Luxemburgplein. Auffret houdt voor Europese consumenten in de gaten of hun belangen in gevaar gebracht of juist geholpen worden door het maken van internationale handelsafspraken. Over TiSA is ze tot nog toe zwaar teleurgesteld: ‘In de regel leidt internationale handel tot meer keuze en lagere prijzen. Maar wij constateren dat in moderne verdragen als TTIP en TiSA de nadruk verschuift van het faciliteren van handel door bijvoorbeeld importtarieven te verlagen, naar het aanpassen van nationale wetten aan handelsbelangen. Dat is voor consumenten niet goed en voor de democratie niet goed.’

Regelgeving

Voor een groot deel komen de TiSA-onderhandelingen voort uit de frustratie van het bedrijfsleven over het vastlopen van de pogingen om via de WTO tot internationale handelsafspraken te komen. Het idee om dan maar een apart dienstenverdrag op te stellen werd voor het eerst geopperd in 2011, tijdens een mondiale conferentie van dienstverlenende bedrijven in Hongkong. Na afloop daarvan pleitten enkele machtige associaties van dienstverleners, samen de Global Services Coalition, in een verklaring onomwonden voor TiSA. Naast de Amerikaanse en Australische regeringen duurde het niet lang om ook de Europese Commissie te overtuigen van het nut van een ambitieuze mondiale dienstenovereenkomst. Die corporate bias zorgt ervoor dat TiSA teveel neigt naar een verdrag dat alleen maar het bedrijfsleven bevoordeelt, meent BEUC. De consumentenassociatie is lid van het officiële adviespanel van het maatschappelijke middenveld dat direct rapporteert aan de Europese onderhandelaars. Maar opboksen tegen de lobbykracht en politieke invloed van machtige industrieën blijkt in de dagelijkse praktijk moeilijk, geeft ze toe: ‘Vrijhandel kan heel veel goeds brengen voor consumenten. Maar je hebt wel nationale regelgeving nodig om bijvoorbeeld monopolievorming te voorkomen of om milieuregels te handhaven. De EU zou er op moeten inzetten goede regels te behouden in plaats van regelgeving in eerste instantie als handelsbelemmering te zien.’

Zo zou een voorgenomen passage over ‘non-disciminatie’ tussen energievormen subsidies op duurzame energie op de tocht kunnen zetten, vreest de Britse ngo Global Justice Now. En in een afgelopen zomer gelekt TiSA-hoofdstuk is te lezen dat nationale wetgeving in de toekomst verplicht voorgelegd moet worden aan buitenlandse ‘belanghebbenden en partijen’ die eerst willen kunnen inschatten of voorgenomen wetten een bedreiging zijn voor de handelsbelangen. Een mooi voorbeeld van hoe TiSA de democratie op de tocht dreigt te zetten, foetert Auffret: ‘Op die manier kan een Franse wet over handiger je abonnement opzeggen opeens een handelsobstakel worden. Multinationals kunnen wetgeving zo eindeloos gaan traineren waardoor democratisch gekozen overheden geen regels meer kunnen formuleren. Dat is wat ons betreft een heel duidelijke rode lijn en reden waarom we dit verdrag niet kunnen steunen.’

In gevaar

Ook het Europese Parlement heeft bezwaren tegen TiSA. Op 4 juli 2013 nam de Europese volksvertegenwoordiging een resolutie aan waarin een reeks kanttekeningen bij te veel en te snelle dienstenliberalisering geponeerd werden. Een belangrijk bezwaar voor het parlement is de door de VS aangedragen standstill clause: een clausule die vastlegt dat het liberaliseringsniveau in economische sectoren waarover géén overeenstemming in het verdrag wordt bereikt ook niet meer teruggedraaid mag worden. Dat zou in de praktijk bijvoorbeeld betekenen dat de Nederlandse Spoorwegen nooit meer volledig terug in handen van de Nederlandse staat zouden kunnen komen, zélfs als railtransport niet in TiSA genoemd wordt.
Ook de nu nog uitgezonderde watersector kan op die manier toch gevaar lopen, vreest Lavinia Steinfort van TNI: ‘Het klinkt geruststellend dat water door de EU wordt uitgezonderd. Maar mocht een regering in de toekomst tóch besluiten te liberaliseren, dan wordt het door dit soort clausules nagenoeg onmogelijk die liberalisering terug te draaien en de water weer onder publieke controle te krijgen. Men probeert op die manier toch grip te krijgen op sectoren die eigenlijk van de TiSA-onderhandelingen zijn uitgesloten.’

Het Europese Parlement pleit er om die reden dan ook voor dat dienstverlening die een publiek belang dient expliciet wordt uitgezonderd in TiSA. Daartoe gebruikt het Parlement een bijlage bij het Verdrag van Lissabon uit 2009, waarin in nogal vage bewoordingen wordt bepleit dat ‘de competentie van de lidstaten om niet-economische diensten van algemeen belang te leveren, in te kopen en organiseren’ nooit aangetast mag worden.

‘Nieuwe handelsregels voor de dienstensector zijn alles behalve onbelangrijk. Internationale handel is compleet anders dan twintig jaar geleden. E-commerce bestond toen helemaal nog niet,’ zegt Europarlementariër Jude Kirton-Darling dan ook in een reactie. De Engelse zit in het Europese Parlement namens de sociaal-democraten (S&D) en is als lid van het parlementaire handelscomité INTA nauw betrokken bij internationale handelswetgeving.

‘Wij hebben specifiek gezegd dat wij als parlement geen clausules zullen accepteren die de ruimte voor democratische besluitvorming inperken.’
Handelsbelangen nastreven is niet per se verkeerd, besluit Léa Auffret in het kantoor van BEUC aan de Brusselse Rue d’Arlon. Maar als handelsbelangen ten koste gaan van duurzaamheid, arbeidsstandaarden, consumentenbescherming of de democratie zelf, dan is er iets grondig mis. ‘Natuurlijk kan een ambitieus TiSA gebruikt worden om fantastische internationale handelsafspraken te maken en natuurlijk hebben de lidstaten via de Europese Raad zeggenschap over de onderhandelingen. Maar de insteek van de Europese Commissie is zozeer door bedrijfsbelangen ingegeven, dat TiSA in de praktijk alweer een poging is van multinationals om een stok in de wielen van de democratie te steken. Dat maakt dit verdrag een gemiste kans. Want als je internationale afspraken wilt maken, moet je zorgen dat iedereen daarvan profiteert, niet alleen het bedrijfsleven.’