Muziek

Zelden zal een leven zo in nevelen zijn gehuld als dat van de Russische componist Nikolaj Oboe­chov (1892-1954). Dat hij hééft bestaan, bewijst zijn even bizarre als intrigerende oeuvre, dat wordt bewaard in de Bibliothèque Nationale in Parijs – maar voor het overige is hij een soort spookfiguur. Het weinige dat er over het leven van Oboechov bekend is, roept dan ook vooral meer vragen op.

Een greep uit de raadselen die Oboechov omgeven: is het waar dat hij zijn partituren met zijn eigen bloed schreef? Waarom is hij, ondanks de steun van invloedrijke vrienden, nooit doorgebroken? Wat is de aard van het privé-universum van deze diep religieuze componist, die zichzelf vaak Nicolas l’Extasié noemde? En hoe zag hij eruit? Als ‘een bleke jongeman met starende ogen’, zoals Boris de Schloezer, de zwager van Skrjabin, schreef? Of was hij een grote gespierde man, zoals de muzikale duizendpoot Nicolas Slonimsky in zijn memoires vermeldt?

Dan is er het zo’n zestig werken omvattende oeuvre dat talloze versies van dezelfde werken toont. Een poging om zijn muziek toch uitgevoerd te krijgen? Wat is de gedachte achter het croix sonore, het elektronische instrument dat hij zelf ontwierp, maar dat spoorloos is verdwenen? En waar is Oboechov zelf eigenlijk gebleven? Is zijn graf echt niet meer terug te vinden?

De documentatie over Oboechov is uiterst summier. Er circuleren enkele artikelen over zijn muziektheoretische opvattingen. Oboechov ontwikkelde op eigen houtje een soort twaalftoonsmuziek en een alternatief notatiesysteem. En dan schijnt er nog in Berlijn een musicologe te wonen, Jelena Poldjaeva, die aan een boek over Oboechov werkt. Helaas blijkt zij niet bereikbaar.

In 1994 vestigde het Schönberg Ensemble de aandacht op de muziek van Oboechov. In zijn functie als programmeur was Elmer Schönberger op de Balmont-liederen gestuit. Oboechov voltooide ze in 1918. In het kielzog van de uitvoering van deze vier korte stukken, die een prachtige, diep melancholische muziek bleken te verbergen, werden enkele feiten over het leven van de Rus opgediept uit getuigenissen van tijdgenoten.

Zo ontvluchtte hij in 1918 met vrouw en kinderen Sint-Petersburg, waar hij aan het conservatorium had gestudeerd. In 1919 streek hij in Parijs neer. Daar zag hij zich al gauw met financiële problemen geconfronteerd, reden dat hij, volgens Nicolas Slonimsky, werk als metselaar zoekt. Tegelijkertijd neemt hij les bij onder anderen Maurice Ravel, die in hem ‘een genie’ meent te ontwaren. Ravel doet een goed woordje voor hem bij enkele uitgeverijen. Nog belangrijker is het feit dat Ravel Oboechov in contact brengt met een succesvolle pianiste: Marie-Antoinette Aussenac de Broglie, van origine een Russische musicienne. Oboechov weet haar voor zijn muziek te winnen en zij zet haar eigen carrière in om zijn oeuvre onder de aandacht te brengen.

Voor zover bekend zijn de uitvoeringen van Oboechovs stukken echter op de vingers van één hand te tellen. In Rusland is zijn werk welgeteld één keer uitgevoerd, tijdens een avond in 1916 die werd georganiseerd door het tijdschrift Moezykalny Sovremennik. Zijn finest hour beleeft hij precies tien jaar later wanneer de dirigent Sergej Koussevitzky in de Opéra van Parijs Préface au Livre de Vie doet. Het stuk is geschreven voor groot orkest, celesta, vier harpen, twee piano’s en een vrouwen- en mannenkoor. De pianopartij wordt gespeeld door Oboechov zelf en de eerder genoemde Nicolas Slonimsky, die in Perfect Pitch – A Life Story over de avond opmerkt: ‘In de pauze stelde een van mijn vrienden sarcastisch voor dat ik een bordje om zou hangen met de tekst “Ik ben niet de componist”.’ Ook andere bronnen vermelden dat Préface au Livre de Vie met de nodige reserve door het publiek werd ontvangen. Sergej Prokofjev beschrijft daarentegen in zijn dagboeken hoe hij een repetitie van Préface bezocht en diep onder de indruk raakte van de noten van deze merkwaardige figuur.

De tragiek van Oboechov is dat Livre de Vie zijn levenswerk was – een magnum opus dat niet alleen vrijwel onuitvoerbaar bleek maar ook zijn vrouw tot wanhoop dreef, zoals Slonimsky memoreert: ‘Hij woonde met zijn Russische vrouw in een klein appartement en bewaarde het manuscript van Livre de Vie in een “heilig hoekje” met talloze iconen en kaarsen die dag en nacht brandden. Op een keer, in een aanval van razernij, sneed zijn vrouw het manuscript, dat voor haar het symbool van voortdurende ellende was geworden, aan stukken. Met zorg plakte Oboechov de verminkte delen van het manuscript aan elkaar en lijmde de naden van de verscheurde pagina’s met druppels bloed.’

‘Livre de vie’ is niet zomaar een compositie. Het is de muzikale articulatie van een diep doorleefde religieuze overtuiging. Dat geldt voor veel van Oboechovs stukken, waarvan alleen al de titels voor zich spreken: l’Agneau est notre remords, Dieu vivant of Le Pasteur est notre consolation. In Livre de Vie gaat Oboechov nog een stap verder: hij beschouwt dit werk als een ‘action sacrée’, een heilige handeling die wordt uitgevoerd door voltrekkers (musici) en medevoltrekkers (publiek) in een speciaal daarvoor ontworpen tempel. In dezelfde lijn ziet hij zichzelf dan ook niet als de schepper van dit megalomane muziekstuk, maar als degene die het met behulp van goddelijke krachten ‘opent’. Het onderwerp van Livre de Vie is de mystieke extase, die zich uit in de verzoening van alle tegengestelde elementen van het hele universum. In dit stuk, waarvoor Oboechov zelf de teksten schreef geïnspireerd op Openbaringen en de apocriefe boeken, vindt de eenwording van Christus, Judas, de Duif en de Draak plaats.

De Préface au Livre de Vie is twee jaar geleden in het Holland Festival uitgevoerd door het Radio Symfonie Orkest. Het is een groots werk dat in muzikaal en mystiek opzicht ergens tussen Skrjabin en Messiaen gesitueerd kan worden. Donkere harmonische wendingen en vele glissandi scheppen een mysterieuze sfeer die plotseling kan openbreken in glorieuze klanken. Net als in de majestueuze orkestwerken van Messiaen zijn sereniteit en dramatiek nauw met elkaar verweven, af en toe uit zijn voegen barstend in een extase.

Hoe het Livre de Vie zelf klinkt, blijft gissen. Slechts eenmaal is een klein deel ervan uitgevoerd. Dit omvangrijke werk ligt in de Bibliothèque Nationale in Parijs.

Elmer Schönberger, die in 1994 een instrumentatie van Balmont-liederen maakte, was zo geïntrigeerd geraakt door deze liederen dat hij in Parijs is gaan kijken. Hij schrijft over deze gebeurtenis: ‘Het is een immens manuscript en het gaat vergezeld van een soort uitklapbare tentoonstelling, bestaande uit ijverig beplakte, bont beschreven en met mysterieuze amuletten behangen stukken karton. Het werk zelf telt vier delen, elk ter grootte van een forse wereldatlas en met een totale omvang van meer dan achthonderd dichtbeschreven bladzijden. De partituur is geschreven voor croix sonore, stemmen met een bovenmenselijke omvang en pianisten met extra handen en vingers. Het Heilig Moeten spat van het papier. Alles is extreem aan deze monumentale muziek.’

De geschatte duur van Livre de Vie is twaalf uur. Maar dat is niet de enige reden dat tot op heden niemand de moed heeft gehad het werk speelklaar te maken. Ook het bovengenoemde croix sonore (klinkend kruis) heeft de uitvoering van Oboechovs werk bemoeilijkt. Het is een elektronisch instrument gebaseerd op radiogolven naar het voorbeeld van de theremin (ontworpen door de Rus Lev Theremin), die Oboechov in 1923 in Parijs moet hebben gezien. In de loop van de tijd is het croix sonore spoorloos verdwenen. Elmer Schönberger heeft in 1980 op de tentoonstelling Für Augen und Ohren in Berlijn een laatste exemplaar van dit ‘vreemde, torpedovormige instrument’ gezien. Maar achteraf twijfelt hij aan de betrouwbaarheid van de opstelling: heeft hij in werkelijkheid niet naar de verpakkingskist staan staren?

In dit Holland Festival worden opnieuw enkele werken van Oboechov, waarvan twee geïnstrumenteerd door Schönberger, uitgevoerd. En speciaal voor deze gelegenheid wordt het croix sonore gereconstrueerd. Hoe het instrument heeft geklonken weet niemand en van het ‘kruis’ zelf bestaan slechts enkele summiere beschrijvingen en één foto. Daarop zien we een manshoog kruis, geplaatst op een ronde bol. Midden in het kruis bevindt zich een kristal met twaalf ‘goddelijke punten’. In het kruis verborgen gaan de radioantennes die golven verspreiden en door met de handen er omheen te bewegen, kan de toonhoogte worden bepaald. Duidelijk is dat het croix sonore in zijn symboliek, vormgeving en bespeling (de suggestie van bidden) een grote theatrale kracht heeft.

En dan neemt Jelena Poldjaeva plotseling de telefoon op. Ook zij kan geen uitsluitsel geven over de levensloop van Oboechov (‘veel blijft gissen’), maar dat hij als metselaar de kost verdiend zou hebben, doet ze als nonsens af: ‘Dat zijn allemaal mythen, net als het verhaal dat zijn vrouw dat manuscript verscheurd zou hebben. Begin jaren twintig heeft Ravel een comité van mecenassen verzameld dat Oboechov een stipendium gaf. In de jaren dertig werd hij ondersteund door Marie-Antoinette Aussenac de Broglie, die zich ook tot een virtuoos speler van het croix sonore ontwikkelde.’

Volgens Poldjaeva was Oboechov helemaal geen miskend componist: zijn kamermuziek werd in de jaren dertig regelmatig gespeeld in Frankrijk en België. Ook het graf van de geëmigreerde Rus heeft ze kunnen traceren, zij het dat het ‘vernichtet’ is. ‘Na tien of vijftien jaar wordt zo’n graf geruimd, tenzij iemand ervoor bijbetaalt. De zoon van Oboechov heeft zich van zijn vader gedistantieerd. Waarom? Oboechov had een slecht huwelijk vanwege de grote armoede waarin het gezin leefde. Zijn zoon heeft waarschijnlijk de kant van de moeder gekozen.’

Immers voor Oboechov telde maar één ding: izstoeplenije – de alles overstijgende extase.

Holland Festival

De Nachtwacht tot leven gewekt, Dido and Aeneas in een aquarium, naakte mannen die Macbeth spelen, een mystieke componist aan de vergetelheid ontrukt – het Holland Festival 2006 belooft een creatief spektakel. Alles onder de vlag ‘melancholie & hysterie’, het thema van dit jaar.

Melancholie & hysterie

2 tot 25 juni 2006

The Great Obouhov Project: Le troisième et dernier testament, 17 juni, Concertgebouw. Balmont-liederen en Izstoeplenije, 18 juni, Muziekgebouw aan ’t IJ.