Jaren was elektroshocktherapie uit de gratie. Nu is het weer terug, in beschaafdere vorm, omdat het sommige patiënten enorm helpt. Zoals Lidwine de Beer.

Lidwine de Beer (68 ) zit in haar leren fauteuil met een deken over haar schoot, waarop haar kleine metgezel Jessie ligt, een Frans zwerfhondje. Naast haar is een groot raam waarachter de sparren heen en weer zwiepen. Tegenover haar, naast de televisie, staat een foto van haar echtgenoot. Op de tafel naast de pc die van haar zoon. Van waar ze zit, kan ze hen beiden goed zien.

Ze is net terug van een lange wandeling in het omringende bos. Twee keer per dag gaat ze eropuit met de kleine hond. Eerder deed haar man de late shift, maar ook die is nu voor haar.

Er was een tijd dat die wandelingen met de hond haar enige houvast waren. De hond met zijn vragende ogen en zijn volle blaas, die haar smeekte om met hem mee te gaan. Moest ze overeind komen, warme kleren aantrekken, dan ging ze. Wandelen. Eigenlijk was het meer sjokken. Met haar handen op de rug. Eerst het ene been, daarna het andere. Liep ze achter het diertje aan. Ze hoorde de vogels, spechten, merels. Ze zag hoe de zon tussen de bladeren door schitterde en het mos onder de sparren helgroen deed oplichten. Het deed haar niets.

Grote verandering

Anderhalf jaar geleden onderging Lidwine elektroconvulsietherapie (ECT), in de volksmond: elektroshock. Toen ze het vertelde aan haar zussen, haar dochter, kennissen, hadden ze haar met grote ogen aangekeken: ‘Weet je dat wel zeker?’ Iedereen kende die scène uit die ene film, One Flew over the Cuckoo’s Nest, waarin Jack Nicholson voor straf wordt geshockt. Dat beeld uit de jaren zeventig was geweldig krachtig gebleken.

Op aanraden van haar psychiater was ze psychotherapie gaan doen. Veel te zeggen had ze niet

‘Ben je niet bang dat het je persoonlijkheid verandert?’ vroeg een van haar zussen.

‘Nee.’ Ze wilde juist een grote verandering. Ze verafschuwde de persoon die ze was geworden. Daarom was ze bereid alles te riskeren. Wat ze voelde, was hoop, dat er een eind kwam aan die nachtmerrie die al drie jaar voortduurde.

Dag- en nachtritme

Afspraken plant Lidwine in de namiddag, zodat ze lang in bed kan blijven. Aan de ochtenden alleen kan ze maar niet wennen. Ze rekt de avond lang op, tot ver na middernacht. Met de slaappillen die ze neemt, kan ze een gat in de dag slapen. Soms maakt ze voor ze gaat slapen nog een wandeling. Als de bomen geen schaduw hebben. Haar hondje wil wel. Dat wil altijd. Ziet ze tussen de bomen door soms de lichten van de boerderij verderop al branden. Denkt ze: god, wat moeten die mensen toch met die hele ochtend aan.

Haar psychiater maant haar het dag- en nachtritme niet om te draaien. Dat is gevaarlijk voor iemand met haar kwetsbaarheid. Rust en regelmaat zijn van het grootste belang.

Weet je dat wel zeker? Iedereen kent die scène uit One Flew over the Cuckoo’s Nest, waarin Jack Nicholson voor straf wordt geshockt. Foto: Eddo Hartmann
Weet je dat wel zeker? Iedereen kent die scène uit One Flew over the Cuckoo’s Nest, waarin Jack Nicholson voor straf wordt geshockt. Foto: Eddo Hartmann

Eerder bracht ze de ochtenden samen met haar man door. Daarna gingen ze ieder hun eigen weg. Als je veertig jaar samen bent, loop je niet meer de hele dag bij elkaar, hand in hand, zoals je doet wanneer je verliefd bent. Wisselden ze krantenbijlagen uit. En als ze uitgelezen waren, deden ze een spel. Om de beurt overhoorden ze elkaar over de artikelen die ze hadden gelezen. Hoeveel doden waren er te betreuren bij dat busongeluk in Oostenrijk? In welk Afrikaans land speelde dat stammenconflict? Ze konden elkaar goed partij bieden.

Haar man is drie jaar geleden overleden. Sinds anderhalf jaar kan Lidwine om zijn dood huilen. Toen had ze dagen achtereen naar de dvd met zijn crematie gekeken.

Lekker druk

Die zomer waren ze met vakantie gegaan, niet te ver weg, in Noord-Frankrijk, zodat ze snel thuis konden zijn als er iets zou gebeuren. Haar man was twee keer geopereerd. Het gezwel was uit zijn voorhoofdsholte verwijderd, maar later was het teruggekomen in zijn longen. Daarom had hij chemotherapie gekregen.

Haar man was zwak en hulpbehoevend, maar Lidwine voelde zich almaar sterker worden. Ze stroomde over van energie. Van de dokter, die haar erg druk vond, kreeg ze temazepam, 20 mg. Daar sliep ze drie uur op. Als ze wakker werd, nam ze er nog een, voor weer drie uur. Als haar man wat rustte, maakte Lidwine de caravan van de buitenkant schoon. Of ze deed de kleren in een sopje, schreef uitvoerige epistels in haar dagboek. In het Frans. Als ze uitgeschreven was, maakte ze lange wandelingen langs het strand. Stilzitten en niets doen lukte niet met al die energie die ze in zich voelde. De oude hond wilde niet zo ver. Daarom was ze naar een naburig dierenasiel gegaan voor een ander, jonger hondje dat haar razende tempo wel kon bijbenen. Ze was veel afgevallen in die periode, maar het stond haar goed, vond Lidwine.

Tot ze een middag in de duinen liep. Voelde ze van het ene op het andere moment dat alles veranderde. Hoe het vermogen tot genieten en liefhebben uit haar weggleed en plaatsmaakte voor paniek.

Er was een tijd dat die wandelingen met de hond Lidwines enige houvast waren. Foto: Eddo Hartmann
Er was een tijd dat die wandelingen met de hond Lidwines enige houvast waren. Foto: Eddo Hartmann

Thuis was haar man snel achteruitgegaan. De gezwellen waren in andere delen van zijn lichaam opgedoken. De chemokuren werkten onvoldoende.

Zelf ging Lidwine naar de psychiater die haar Anafranil voorschreef. Maar helpen deed het niet.

Ze vertelde haar man hoe ze zich voelde. Dat was niet nodig, zei hij. Hij kon het zo zien, hoe de emoties uit haar gezicht waren gezakt, aan haar houterige wijze van bewegen. Ze zei dat ze wilde dat het anders was. Hij zei dat het niet erg was. Hij wist het van die vorige keer, twaalf jaar geleden. Drie jaar lang was ze depressief geweest.

Een mens zonder warmte

Destijds had ze er met hem over gesproken, zodat hij zou begrijpen dat ze wel van hem wilde houden, maar het niet ging. Ze kon geen liefde meer voelen. Niet voor hem, niet voor haar kinderen. Voor niemand meer.

Ze had hem dat andere ook verteld. Dat ze soms wilde dat ze er niet meer was. Hij had haar gevraagd hem te bellen als ze het van plan was, zodat hij niet constant met de angst moest leven om haar na zijn werk te vinden.

Daarom had ze hem die keer gebeld, nadat ze een bed had gemaakt op zolder. Een mooie, rustige plek. Schone lakens erop. Een zacht kussen. Elke dag was ze er een stukje dichterbij gekomen. De doosjes slaappillen zou ze mee naar boven nemen.

Hij was van zijn werk gekomen en had gevraagd of ze wilde wachten. Dat ze eerst alles moesten proberen om haar beter te maken. Ze waren naar het ziekenhuis gereden, waar ze op de psychiatrische afdeling werd opgenomen. Ze gaven haar kalmerende medicijnen en brachten haar naar de isoleercel. Aangenaam was het. In die stille afgesloten ruimte had ze zich voor het eerst in lange tijd enigszins geborgen gevoeld. Daar buiten voelde ze zich overgeleverd. Alsof haar huid binnenstebuiten over haar lichaam was getrokken en ­alles zonder enige bescherming bij haar binnendrong. De ogen van de mensen die zagen dat ze leeg was. Een mens zonder warmte.Na twee dagen was er nog zo’n hoopje ellende binnengebracht en was ze naar de zaal overgebracht. Acht doodzieke mensen bij elkaar. Een broodmager meisje met grote uitpuilende ogen. Een jongen die gek was geworden van liefdesverdriet. Een oude man met een grauw gezicht die keek, maar nooit iets zei. Soms moest ze samen met de anderen uit bed. Voor creatieve therapie. Zat ze aan tafel met een blok klei voor zich. Moest ze haar dieper liggende emoties – angst, wanhoop, verdriet – via de klei gestalte geven. Die klei die zwaar als een rots leek. Lidwine was nooit erg creatief geweest. En nu moest ze iets maken. Iets dat binnen korte tijd in de afvalcontainer zou belanden. Want hoe lang bewaar je de misbaksels van ernstig zieke mensen.

Andere dagen volgde ze resocialisatietherapie. Zat ze in de kring te luisteren naar de therapeut die vroeg hoe je iemand op straat diende te begroeten. Hoe je kon voorkomen dat je mensen afschrok als ze informeerden naar je welzijn. Niet zeggen dat je je een wandelend lijk voelde, iemand zonder de basale menselijke vaardigheden als het voelen van empathie, het tonen van genegenheid.

Na een week was Lidwine vertrokken. Ontsnapt, zo voelde het voor haar. Moest ze ervoor tekenen dat ze zelf de risico’s zou dragen, mocht haar die volgende periode iets overkomen.

Haar depressie had nog twee jaar geduurd. Het einde ervan kwam even tragisch als onverwacht. Die dag zag ze twee agenten over het pad naar haar voordeur lopen. Voor een moment had ze zich afgevraagd of ze door rood licht was gereden.

Ze vertelden haar dat haar zoon met zijn motor op een vrachtwagen was gereden. Ze moesten helemaal naar Amsterdam om hem te identificeren. Daarom had ze eerst de hond uitgelaten. En tijdens die wandeling was het gevoel teruggekomen. En daarmee ook het verdriet om haar zoon. De schok van het overlijdensbericht had haar uit de depressie gehaald.

Het gejank van een jakhals

Het ziekbed van haar man was geleidelijk verlopen. Steeds opnieuw was er hoop op herstel. Tijdens hun wandelingen ontmoetten ze geregeld bekenden die informeerden naar zijn welzijn. Met haar man naast zich was de begroeting anders, warmer. Hij had een aangenamer karakter dan zij. Haar man was erg mager geworden, zodat ze niet langer konden volhouden dat het allemaal wel meeviel. ‘Geniet maar van elkaar zo lang als het nog kan,’ kreeg ze dan te horen. Moest Lidwine zich inspannen om haar gezicht in een vriendelijke grimas te houden. Genieten van elkaars nabijheid. De stervende man en zijn depressieve vrouw.

Hij was haar gaan vragen om samen te bidden. Ging hij tegenover haar zitten, nam haar handen in de zijne. Zodra ze zijn aanraking voelde, kwam de pijn boven. Van het niet voelen. Elke keer dat hij het vroeg, had ze zich eroverheen gezet en haar handen in de zijne gelegd.

Zo was het tot het eind aan toe gegaan. Ze had aan zijn bed gezeten, in hun eigen huisje in het bos. Steeds verder was hij weggezakt, maar hij bleef onrustig. Was het alsof hij niet durfde te gaan. Wat zou er van haar worden als hij er niet meer was? Zonder hem was er geen belofte meer om na te komen. Daarom had ze hem toegefluisterd dat ze zonder hem zou proberen vol te houden. Toen hield het onrustig ademen op.

0,8 Ampère: die oude beelden hebben een enorme impact gehad, terwijl de tegenwoordige ECT genuanceerd en succesvol wordt toegepast. Foto: Eddo Hartmann
0,8 Ampère: die oude beelden hebben een enorme impact gehad, terwijl de tegenwoordige ECT genuanceerd en succesvol wordt toegepast. Foto: Eddo Hartmann

Er was een vreemd geluid uit haar binnenste gekomen. Iets mechanisch, als een windvlaag langs haar stembanden. Het klonk als het gejank van een jakhals. Tranen waren er niet. Alleen dat vreemde gejank, dat geen opluchting bood.

Later die dag zag ze de grote zwarte wagen manoeuvreren over het smalle pad en hoe deze achteruit tegen de lantaarnpaal aanreed, zodat die een hoek van vijfenveertig graden maakte. Twee mannen kwamen in geagiteerde stemming haar huis in en maakten elkaar verwijten over het incident, terwijl het lichaam van haar man zich geleidelijk aanpaste aan de kamertemperatuur.

De man van de uitvaartonderneming adviseerde Lidwine om haar echtgenoot zelf aan te kleden. ‘Dat helpt bij de rouwverwerking,’ benadrukte hij. Dus dat deed ze. Probeerde ze de mouw van het overhemd om de dode arm van haar man te krijgen. ‘Doe maar. Het is goed voor u,’ spoorde de man haar aan. Het ging zo moeilijk, die zware arm wilde maar niet in die mouw. Ook viel zijn mond open. Haar zusje wilde een handdoek onder zijn kin leggen, maar de man van de uitvaart zei dat hij een betere methode had. Zag ze hoe die met een grote metalen naald de lippen die haar zo vaak hadden geliefkoosd doorboorde en ze met draad aan elkaar naaide. Weer dat geluid van een jakhals.

Elk detail herinnert Lidwine zich exact. Haar verstand werkte bijzonder goed. Misschien nog wel beter dan dat van een gezond mens. Want gezonde mensen zoals haar zussen en haar dochter hadden verdriet, die troostten elkaar met woorden en liefkozingen. Lidwine was een buitenstaander die feilloos registreerde wat er gebeurde.

Geen enkele verbetering

Anderhalf jaar na de crematie van haar echtgenoot was er nog geen enkele verbetering in haar toestand gekomen. Eens in de drie maanden bezocht ze haar psychiater. Dan zei ze hoe ze zich voelde, waarna haar psychiater een recept uitschreef voor Anafranil. In de voorgaande periode was de dosering steeds meer verhoogd, zodat ze nu aan haar maximale dosis zat. Ook bleef ze elke nacht slaappillen nemen. Op aanraden van haar psychiater was ze aan psychotherapie gaan doen. Veel te zeggen had ze niet. Voor zover ze kon inschatten waren er geen trauma’s, geen vreemde wendingen in haar levensloop die inzicht konden geven in de staat waarin ze nu al zo lang verkeerde.

Als jong meisje had ze veel tijd alleen doorgebracht. Haar oudere broers en zussen waren al snel naar de kostschool vertrokken. Hele dagen was ze in de grote tuin van het huis op het terrein van de kliniek waar haar vader, zelf psychiater, de leiding had. Soms zag ze hem met een elektrisch apparaat onder de snelbinders naar de kliniek fietsen. ‘Ssst,’ zei hij dan. ‘Niet verder vertellen.’ Daarmee hielp hij zijn patiënten.

Ze herinnert het zich levendig. Hoe ze haar ogen opende en de wereld weer had gekregen

Van Amsterdam waren ze naar dat kleine dorp in Brabant verhuisd. Ze had moeilijk aansluiting kunnen vinden bij de kinderen, die vonden dat ze vreemd sprak. Dialect was in huis verboden. Ze probeerde bij de meisjes in het gevlei te komen, maar sommigen hadden een sterke afkeer van haar en trokken de anderen mee. Daar had ze veel verdriet van gehad, maar eenmaal op het lyceum in Tilburg werd ze een leerling als ieder ander.

Je bent mijn zusje

Met haar nukken heeft Lidwine de meeste mensen van zich afgedreven, maar niet haar jongste zus. Steeds weer kwam ze dat hele eind uit Limburg rijden. Als Lidwine door de struiken haar auto zag naderen, kwam er een golf van walging naar boven. Haar vrolijke, spontane, liefhebbende zus, die met driftige passen naar de voordeur kwam gesneld. Die haar zou omhelzen, haar wangen zou kussen.

‘Ik heb liever dat je weer gaat,’ zei ze dan.

Maar haar zus bleef.

‘Waarom kom je steeds weer. Ik doe toch niet aardig tegen je.’

‘Je bent mijn zusje. Ik hou van je.’

Jaloers was ze. Op haar zus die wel in staat was om lief te hebben.

Als haar dochter haar vroeg om langs te komen zodat de kleinkinderen niet van haar zouden vervreemden, dan ging ze met lood in de schoenen. Die kinderen waar ze jarenlang met veel plezier op had gepast. Van wie ze zielsveel had gehouden. Ze keek naar ze, hoe ze rondrenden, liet zich hun liefkozingen welgevallen. ‘O, wat lief van jullie,’ zei ze dan. Altijd op diezelfde zielloze toon.

Ze wisten dat oma een beetje ziek was. Dat had hun moeder hun uitgelegd: ‘Wees maar extra lief voor haar.’ En dat waren ze. Steeds weer kwamen ze naar haar toe en legden ze hun armpjes om haar middel. ‘Oma wat ben je lief.’ Niets.

Iets zwaars om je nek

Er was een oplossing voor die pijn. De hele dag zoemde het rond in haar hoofd. Voor als het echt niet meer ging. Dat bood houvast.

Die winter toen de sneeuw zo lang in het bos bleef liggen, had ze een mooie plek gevonden, ver van het pad vandaan. Moest ze zich door de struiken en de boomstammen een weg banen naar een kleine open plek. Daar kon ze gaan liggen, samen met haar hondje. De vriesdood was een aangename dood, had ze gelezen. Maar het was niet koud genoeg om te bevriezen. Ze had aan de trein gedacht. Maar een vriendin had een zoon die machinist was. ‘Waag het niet,’ zei die. Ze was niet dapper genoeg om haar polsen door te snijden, bang voor de pijn. Naar de IJssel was maar een paar kilometer rijden. ‘Dan moet je wel iets zwaars om je nek hangen, zodat je meteen weg bent,’ zei haar oudste zus. Ze moest omstanders niet de kans bieden haar te redden. Stel dat een van hen iets zou overkomen. Lidwine was geregeld naar de rivier gereden, naar een plek die haar dierbaar was. Daar was een paar jaar eerder een vrouw met haar kinderen de dijk af gereden. Twee van die kinderen had ze nog in de klas gehad, in haar jaren als docent Frans. Dan fluisterde ze de naam van de kinderen en beloofde ze dat ze straks bij hen zou komen.

Haar jongste zus wilde helpen. Ze begreep dat het lijden van Lidwine ondraaglijk voor haar moest zijn. Samen zochten ze contact met de Levenseindekliniek. Maar die wilden een schriftelijke bevestiging van de huisarts van Lidwine. Haar huisarts was geen man om daaraan mee te werken. Die had in een eerder stadium haar depressie nog weggewuifd. ‘Iemand die zich zo goed kan uitdrukken als u, die heeft geen depressie,’ had-ie gezegd.

Gebitsbeschermer

En toen had ze gehoord over de mogelijkheid van een elektroconvulsietherapie. Elektroshock. In het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem had ze haar verhaal bij de psychiater gedaan.

Iemand zei haar dat ze drie maanden opgenomen moest worden. Drie maanden tussen die mensen. Omringd door verpleegkundigen die met onbekommerde stemmen vroegen of ze al een plas had gedaan en waarom ze niet naar de therapie was geweest.

Over de gang voor haar kamerdeur liep een vrouw heen en weer. Die was erg ontevreden over de afdeling. Luidkeels voorzag ze de gang van zaken van commentaar. Het eten was niet te vreten, waarschuwde ze Lidwine. En die artsen waren ook incapabel. Daar was Lidwine van geschrokken, was ze gaan denken dat ze een volstrekt verkeerde keuze had gemaakt om zich hier op te laten nemen. Tot een vriendelijk man, die net als zij was opgenomen om een aantal ECT-behandelingen te ondergaan, vertelde dat ze zich maar niets aan moest trekken van die mopperende dame. Dat ze al weken niets anders deed, maar dat het voortkwam uit haar ziektebeeld.

Foto: Eddo Hartmann
Foto: Eddo Hartmann

Deze keer hield ze het een week vol. Ze vroeg haar behandelaar om haar te laten gaan. Ze zou haar medicijnen trouw innemen en twee keer per week komen voor de elektroshock. Het gemiddeld aantal behandelingen van een patiënt bedroeg elf tot twintig. Daarom beloofde ze plechtig aan haar psychiater dat ze tot de twintigste behandeling zichzelf niets aan zou doen. Als haar gemoedstoestand tegen die tijd niet was veranderd, dan zou ze wel verder zien.

Zes weken lang had ze twee keer per week een operatiehemd aangetrokken en was ze met bed en al naar de OK vervoerd.

Nu al voor de elfde keer. Altijd was ze door dezelfde taxichauffeuse uit haar dorp gebracht.

Omringd door haar psychiater, een anesthesist, twee verpleegkundigen die routineus plakkertjes op haar gezicht aanbrachten en haar hart aansloten op een hartmeter, een infuus in haar arm brachten waardoor de narcose zou worden toegediend. Ze kreeg een band om haar hoofd met daarin de metalen plaatjes die met gel op haar slapen werden bevestigd. De elektriciteit die tien seconden door haar hersenen zou gaan, moest een epileptisch insult veroorzaken dat één minuut aanhield. De anesthesist vroeg haar naam en geboortedatum. De verpleegkundige fluisterde haar in dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Daarna kreeg ze een gebitsbeschermer tussen haar tanden en een zuurstofmasker over haar mond, omdat ze gedurende het insult niet zelfstandig zou ademhalen. Niet veel later was ze weg.

Liggen malen

Anderhalf jaar geleden ontwaakte Lidwine uit de narcose na haar elfde ECT-behandeling. Ze herinnert het zich levendig. Hoe ze haar ogen opende en ze zag dat de wereld weer kleur had gekregen. Ze zag de mevrouw van de taxi die verderop in de ruimte op haar wachtte. Haar vriendelijke gezicht. Een groot gevoel van sympathie groeide in haar. Toen drong het tot haar door dat ze was genezen. Dat er weer warmte door haar aderen ging.

De kritische fase voor een terugkeer van haar depressie is ze voorbij, zei haar psychiater. Van de periode van zes weken dat ze werd behandeld, kan Lidwine zich weinig herinneren. Ze slikt lithium om haar toppen wat af te vlakken. Anafranil om de somberheid weg te nemen. En slaappillen om te voorkomen dat ze in bed gaat liggen malen.

Twee keer per week past ze op haar drie kleinkinderen. Ze geniet van hun omhelzingen. Op haar wandelingen door het bos luistert ze naar de zang van de vogels, het geruis van de deinende boomkruinen. Natuurlijk moet ze alert blijven. En ze is kwetsbaar. Zoals van de week toen ze dat egeltje in het dorp zag lopen. Waarom was ze niet gestopt? Ze had het in haar auto kunnen nemen en naar het bos moeten brengen. Het egeltje waggelde over straat terwijl die andere auto eraan kwam. Daar heeft ze afgelopen nachten aan moeten denken. Een ander zal zeggen: ‘Ach, het is maar een egeltje.’ Maar het wil niet uit haar hoofd en dan gaat ze liggen malen. Dat soort dingen zijn gevaarlijk. Dan kan ze beter wat extra slaapmedicijnen slikken.

Als het misgaat, dan weet ze haar psychiater te vinden. Laat ze zich meteen weer behandelen.

Electroshock: een kleine biografie

Elektroshock, sinds de jaren ’30 toegepast, raakte eind jaren ’70 uit de gratie, mede door toedoen van de anti-psychiatrie, waarna de behandeling nauwelijks nog werd uitgevoerd. ­Begin jaren ’90 begon het aan een geleidelijke wederopstanding en inmiddels worden er jaar­lijks meer dan duizend mensen mee gehol­pen. Elektroconvulsietherapie (ECT), de huidige benaming, wordt toegepast bij patiënten met ernstige (suïcidale, psychotische) depressies, katatonie en vergelijkbare aandoeningen bij wie andere behandelingen (psychotherapie, medicatie) onvoldoende effect hebben. Beroemdheden als Ernest Hemingway, David Foster ­Wallace, Vivien Leigh en Simon Vestdijk ondergingen elektroshocktherapie, met wisselend resultaat.

Een stroomimpuls (0,8 ampère, de sterkte van een fietslamp) wekt een epileptisch insult in de hersenen op. Vervolgens probeert het brein dit verstoorde evenwicht te herstellen, waarbij andere verstoringen – zoals depressie – mogelijk teniet worden gedaan. De precieze werking is niet bekend.

Patiënten kunnen door de behandeling geheugenproblemen ondervinden. In de meeste gevallen beperkt dit zich tot de periode dat ze behandeld worden. Regelmatig keert de depressie na behandeling terug. Daarom blijven patiënten medicatie slikken en krijgt een deel van hen om de paar weken of maanden een onderhoudsbehandeling, zodat ze jaren achtereen ECT ontvangen. De stroomdosering moet soms worden verhoogd, omdat het brein minder gevoelig wordt voor de impuls.

Incidenteel worden patiënten in een levensbedreigende situatie (ernstige zelfverwaarlo­zing, onophoudelijke suicideneigingen) ge­dwongen met ECT behandeld.

ECT werkt beter bij volwassenen en ouderen. Bij jongeren is er minder ervaring mee en kan het resultaat minder zijn, mogelijk omdat er andere psychische problemen meespelen (seksuele identiteit, persoonlijkheidsschommelingen).

Er zijn grote verschillen in aard van depressies: denk aan meer biologische en meer psychologische. ‘De aard van de depressie is bepalend voor het succes van ECT,’ zegt Jeroen van Waarde, psychiater in het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem. Hij werkt aan een onderzoek waarbij met behulp van een hersenscan een indicatie kan worden geven over het succes van een ECT.

Vanwege de controverse krijgt volgens Van Waarde slechts tien procent van de patiënten met ver­ge­lijkbaar ernstige psychische aandoeningen een ECT. Een deel van de (huis)artsen is terughoudend in het doorverwijzen van hun patiënt voor ECT.

Documentaire: ‘0.8 Ampère Geluk’

Voor haar research bezocht Saskia Gubbels, die in 2011 aan haar documentaire 0,8 Ampère Geluk begon, Max Fink (91), een psychiater die eind jaren veertig elektroshock begon te gebruiken in de Verenigde Staten. Hij vertelde haar hoe dat destijds gebeurde zonder verdoving en spierverslappers, dat de toegediende stroomsterkte vele malen hoger was dan nu, met denkbaar mens­onterende taferelen tot gevolg. Maar Fink ervoer ook dat hij ernstig zieke patiënten die zonder perspectief op herstel hun dagen sleten in grote afgelegen klinieken (goed werkende medicatie was niet beschikbaar) voor het eerst naar huis kon laten gaan.

Gubbels liep maanden mee op de afdeling psychiatrie in het Rijnstate ziekenhuis en raakte vertrouwd met de ernstig zieke patiënten. Vier ervan portretteert ze in 0,8 Ampère Geluk. Mevrouw Deur kwam tientallen jaren in psychiatrische instellingen. De grote hoeveelheden medicatie die ze slikte, maakten haar tot een nerveus, onrustig en trillend wrak. Meneer van den Hoek, vader van drie kinderen, kreeg een burn-out, raakte ernstig depressief en begon onophoudelijk te denken aan een einde aan zijn leven. Mevrouw Ruesink heeft katatonie, waardoor denken en bewegen zijn verstard. Op vragen van artsen reageert ze nauwelijks. Haar echtgenoot doet voor haar het woord. Lidwine de Beer, oud-docente Frans, is de mondigste van de vier. Heel precies vertelt ze hoe ze, als gevolg van een bipolaire stoornis, zo wanhopig raakte dat ze besloot om ECT te ondergaan. Kort voor de behandeling vraagt ze haar psychiater om haar alsjeblieft te helpen, want zo is het geen leven.

In haar tedere en aangrijpende documentaire komt Gubbels heel dicht bij de betrokkenen en hun familie, die het toelieten hen te filmen op hun meest kwetsbare en pijnlijke momenten.

Uit de documentaire: '0.8 Ampère Geluk'
Uit de documentaire: ‘0.8 Ampère Geluk’