Genieten tot in je follikels

Ik zat erop te wachten, zo’n zin die – in varianten – in menig boek van hem opduikt: ‘Hele zalmen lagen spetterend in hun vet.’ Typisch Pieter Water­drinker (Haarlem, 1961). Een alledaagse mededeling waar je geneigd bent overheen te lezen, tot je je realiseert dat dit ook minder wellustig verwoord had kunnen worden. Maar zelfs zo’n zinnetje, dat ingehouden afsteekt bij de rest van Waterdrinkers vertelstroom, getuigt van hyperbolisch schrijven.

In Nederland is dat niet bijzonder populair, schrijvers met een vocabulaire van meer dan vijfhonderd woorden leggen het, gemeten naar de publieksbelangstelling, af tegen hun karig formulerende collega’s. Spijtig, maar calvinisme kenmerkt nu eenmaal nog steeds de volksaard. Aan Waterdrinkers zesde fictieboek, de roman De dood van Mila Burger, zal het in ieder geval niet liggen. Daarin portretteert hij de gelukszoekster Mila, afkomstig uit het verre Kazan, die de saaie Neder­landse vrijgezel Nico Burger naar Nederland volgt en daar met hem trouwt. Niet uit economische motieven, maar uit verlangen naar geluk. Dat gaat natuurlijk fijn en weldadig mis.

De dood van Mila Burger leest als pastiche op zo’n vrouwenleven dat we uit de naturalistische literatuur kennen. Emma en Anna, ze zingen in het achtergrondkoortje mee in Waterdrinkers literair gewortelde roman. Zodanig dat de literatuur het enige houvast lijkt in de ontwortelde samenleving die het huidige Rusland is. Nadat Mila Neder­land en de neerdrukkende Nico achter zich heeft gelaten, neemt ze haar intrek op het landgoed van haar welgestelde nieuwe geliefde Romanovski – die naam alleen al. Hij heeft zijn landgoed Lipica in prerevolutionaire glorie teruggebracht en probeert daar – op zoek naar ‘de fundamenten’ – een leven te leiden zoals dat in het verleden gebruikelijk was. Een computer is dus taboe, het personeel stelt zich op als gedienstige horigen en naar de vesperdienst reis je per arrenslee.

Bij het leven van een heer van stand is een duel passend om een smadelijke belediging te vereffenen. Maar hoe moet dat, een duel in de eenentwintigste eeuw? ‘Romanovski herlas het gelijknamige verhaal van Tsjechov. Wat bleek? Daar wisten de helden evenmin hoe een duel moest worden georganiseerd; ook in hun tijd was het al vrijwel geheel in onbruik geraakt.’ Zelfs aan de literatuur kun je dus geen levensmodel ontlenen, zegt Waterdrinkers roman daarmee.

Hoe gelukkig te leven, is Mila’s queeste. Haar wedervaren: haar illusieloos studentenbestaan in de Sovjettijd; haar muizige leven als importbruid in het provinciaalse Nederland waar haar Russische universitaire diploma volgens vaderlandse normen nipt toereikend is voor een job in de thuiszorg; grenzeloos materialisme en hedonisme in de kringen van Mila’s vriendin Asja; het geforceerde verlangen naar spiritualiteit in de neo-tsaristische sprookjeswereld van de magnaat Romanovski.

De louteringsgeschiedenis De dood van Mila Burger is als een klassieke tragedie opgezet en de ommekeer behorend bij dat genre is dat Mila, anders dan de titel in het vooruitzicht stelt, níét sterft. Ze maakt gebruik van de mogelijkheden die rijkaards hebben in haar vitale her­rezen vaderland – het wilde Oosten – om zichzelf te hervinden – ik verklap niks.

In Waterdrinkers voorlaatste, de verhalenbundel Montagne Russe, noemt hij Vladimir Nabokov zijn lievelingsauteur. Gerelateerd aan wat hijzelf laat zien in zijn kwaliteitsproza zal dat niet zozeer de Nabokov van de labyrintische constructies en het ragfijne postmoderne spel zijn, maar de bloemrijke stilist, de trefzekere vakman en de onweerstaanbare verteller met zijn exuberante verbeelding en sardonische humor – de Nabokov van Pnin. Bij Water­drinker tref je mannen die genieten ‘tot in hun follikels’ en zinnen als: ‘Nog steeds zijn hand vasthoudend staarde Mila in de antieke diepte en hoorde ineens de doodskreet van een gladiator, tweeduizend jaar geleden geslaakt, die door de zwarte nevels van de tijd tot haar kwam, als het gejank van een walvis door de inkt van de oceaan.’

Een andere passage, over Mila die de appreciatie van kunst in Rusland en Nederland vergelijkt, kan ik niet anders dan als schrille wanhoopskreet van de schrijver zelf beschouwen: ‘Al vroeg was ze zich ervan bewust hoe moeilijk het was om iets van waarde te scheppen, gevoelens op te roepen, te ontroeren; wat voor inspanningen en opofferingen het vergde. Ze had een heilig ontzag voor schrijvers, musici, kunstenaars in het algemeen. Hun leven en werken strekten in het Rusland waar zij was opgegroeid velen tot voorbeeld. Men trok zich, anders dan in haar nieuwe vaderland, waar het niet uitmaakte of je beroemd was geworden door een symfonie, succes op de beurs of een welgeschapen kont, moreel aan hen op.’ Ik begrijp je wel, Water­drinker, daar in de luwte van de publieks­gunst. Maar zie het niet te zwart. Echte lezers weten je te vinden.

Pieter Waterdrinker, De dood van Mila Burger, De Arbeiderspers, 399 p., € 19,95