In zijn befaamde gedicht ‘Man & Dolphin / Mens & Dolfijn’ probeert Hans Faverey een dolfijn het woord ‘bal’ te laten zeggen, hij smeekt, zeurt, dreigt, maar het lukt natuurlijk niet. Intussen heeft de lezer tot vervelens toe het woord ‘bal’ of ‘ball’ zien langskomen want poëzie kan dat juist wel, iets zeggen, maar, voel je des te sterker als je dit frustrerende gedicht leest, ze kan weer niet wat die dolfijn opperbest kan: dat kunstje met de bal.
Gerrit Kouwenaar begint een van zijn gedichten als volgt: ‘geen bedachte letters op dit papier / maar ik kan niet ieder oor oproepen / slaan en liefkozen.’
Twee moeilijke dichters van een vorige generatie en hun verlangen om uit het papier los te breken.
Het heeft lang geduurd voor het lukte. Poëzie was een weerbarstig tijdverdrijf voor enkele fijne luiden, opgetekend in exclusieve boekjes, voorgelezen in een kring van liefhebbers. Pas in de twintigste eeuw werd de poëzie van vlees, bloed en geluid ontdekt, en de bijbehorende dichter als podiumtijger en marktkoopman.
In 1954 werd Lucebert, verkleed als Keizer der Vijftigers, het Stedelijk Museum nog uitgezet toen hij met het nodige gerucht een prijs in ontvangst wilde nemen; twaalf jaar later kwam ‘Poëzie in Carré’ en sindsdien is het niet rustig meer geweest: Nacht van de Poëzie, Poetry International, Gedichtendag, Dichter aan huis. Of nog dichterbij: het Tuinfeest in Deventer, Dordt Literair, Park & Poëzie in Middelburg. En pal om de hoek: Poëzie in café Helmers, dichters in Galerie Sign, Poetry Slam in tap en happerij De Schavuit, te Zeist; poëten zwerven van lokatie naar lokatie om voor te dragen.
Geen kunst die de laatste tien, vijftien jaar zo in beweging is als de poëzie. De dichters zijn hun luie stoel uitgejaagd, de markt op, waar ze hun kunsten moeten vertonen. Ze moeten het niet langer van het Fonds voor de Letteren hebben maar van festivals, of van kunstminnende concerns (Bouwfonds Fortis, de Hoge Snelheids Lijn) die wel een vers bij een nieuw pand of zoveeljarig jubileum believen. In Rotterdam rijden vuilniswagens met dichtregels rond. Wie het Amsterdamse Oostelijk Havengebied bezoekt, ziet dat het Kouwenaar inmiddels gelukt is zijn publiek te bereiken, op gebouw Batavia staat zijn ‘Stenen gedicht’ gemetseld. Karakteristieke slotregel: ‘Ik ben voor de mensen gebouwd.’ Colofons van dichtbundels staan tegenwoordig stijf van de buitenliteraire opdrachtgevers. Het gelegenheidsvers is helemaal terug met overigens ook alle gevaren van dien: waterige derivaten van echte poëzie, voornamelijk geschikt om de opdrachtgever rustig te houden. Maar in elk geval zit poëzie niet langer in een hoekje, noch woont ze alleenstaand in een boekje.
Waar hangt ze, behalve in zaaltjes en aan gevels, nog meer uit? Wel, bijvoorbeeld op cd’s. Vroeger was het plaatje met de sprekende dichter een aardigheidje voor erbij, sommige grotere dichters kon je thuis opzetten om te horen hoe ze klonken: J.C. Bloem, Lucebert, Judith Herzberg. Maar tegenwoordig kan elke beginnende dichter als hij wil zo’n schijfje met z’n bundel meesturen, om zijn of haar bedoelingen nog wat te accentueren want daar zijn we de laatste decennia wel achtergekomen: ook voordracht telt. Niet alleen in de zaal maar ook thuis.
Debutanten halen hun muzikale vriendjes erbij om hun werk te begeleiden. Vier jonge dichters uit de Windroosreeks, Sander Koolwijk, Tom Zinger, Pom Wolff en Robin Block stuurden gezamenlijk een cd’tje mee, dat de spleen in hun gedichten moet pluggen. Het gedicht ‘Lena’ bijvoorbeeld van Tom Zinger eindigt alsvolgt: ‘Schat, / ik ben een dichter, ben wel vijftig euro / lichter maar je bent een mooi verhaal. / Het was een daad ter inspiratie, / en ik neem je wel verbaal.’ Dronken mannetje bezoekt hoertje, Baudelaire en Verlaine wisten het al, maar gitaar en mondharmonica geven het net dat beetje meer blues.
Voor sommige dichters uit het performance-circuit lijkt het kunststof schijfje inmiddels een conditio sine qua non. Peter M. van der Linden debuteerde vorig jaar met de bundel ‘Ich bin ein star baby’. Alleen lezen levert niet genoeg op: ‘ze roepen een of andere heilige naam / en dan slaan kaken klemvast / krommen ruggen vouwen klauwen // retorieke taal en achtentachtig ton staal’. Maar met de door een synthesizer begeleide razende danwel fluisterende dichter, klinkt het stukken kosmischer.
Wat je aan veel zilverkleurige bijlagen ook af kunt lezen is dat de dichter van nu zich makkelijk omringt met tokkelende wahlverwandten. Maar levert de samenwerking ook interessante fusies op, nieuwe versmelting van genres? Ik ben er niet gerust op. De teksten ogen nogal eens te armetierig om zelfstandig door het leven te gaan en gebruiken de muziek als een soort prothese. En de muziekjes klinken als decorstukken, wel aangenaam en sfeerverhogend maar niet wezenlijk bijdragend aan een nieuw soort poëzie.
Je hoeft overigens heus geen slam-dichter te zijn om je te laten horen. Zo stuurde de Vlaamse dichter Luuk Gruwez met zijn dichtbundel Allemansgek een cd’tje mee waarop hij die hele bundel ook nog eens voorleest, rustig, zonder stemverheffing, geen rare gilletjes of knorren, maar niettemin: geen effectbejag is ook een effect!
Een ander en vruchtbaarder gebruik van het schijfje maakte de veelgeprezen en beprijsde dichter Tonnus Oosterhoff. We kenden al gedichten bij plaatjes, tekeningen, schilderijen, foto’s. Populair genre bij alle mogelijke dichters, van hoog tot laag. Maar Oosterhoff laat op het schijfje bij zijn bundel Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen gedichten zien als woordbeelden die bewegen en veranderen. Niet langer is het gedicht een statische tekst, maar het verschuift voortdurend. Inmiddels zet hij het procédé op zijn website voort. Klik op www.tonnusoosterhoff.nl het gedicht ‘Ik niet meer’ aan, en je ziet hoe het reuzenwoord IK langzaam verdwijnt in een baaierd van figuurtjes, krullen en krassen. Poëzie of beeldende kunst? – je twijfelt; er wordt op boeiende wijze gemorreld aan oude grenzen.
Ook andere dichters hebben hun aloude werkterrein, de bundel, voor een deel verlegd naar het wereldwijde web. Zo wil Maria van Daalen op haar website dat we om haar cyclus ‘Rozenkrans’ in drie verschillende volgorden te lezen op de roos, het doodshoofd of het onderstreepte woord klikken. Goede raad voor de wankele beginners: ‘blijf erbij om niet reddeloos verloren te gaan.’
Als de meegeleverde cd-schijfjes de nieuwe uithangborden van de eigentijdse dichter zijn, dan is de eigen website zijn winkel. Tientallen dichters hebben inmiddels het internet ontdekt als plek om hun werk aan te bieden. Niet iedereen stoeit er zo grensverleggend als Oosterhoff, maar alle dichters proberen toch iets extra’s te bieden dat hun bundels niet (kunnen) geven. Je krijgt bijvoorbeeld de voordracht van de dichter te horen, voor als je hem allicht wilt uitnodigen, ook publiceert hij er zijn allerjongste werk of geeft hij commentaar op recente poëziegebeurtenissen.
Zo propageert Ingmar Heytze op de zijne na de afgelopen Nacht van de Poëzie in Utrecht ‘het afschieten van dichters die te lang voorlezen’. En Erik-Jan Harmens gaat op zijn site in op zijn geweigerde gedicht voor de nieuwjaarsreceptie van burgemeester Job Cohen, vanwege de regels ‘De burgemeester smoezelt alles komt goed en hijst de driekruisenvlag’. Maar we komen er ook achter dat de dichter in Landsmeer woont, getrouwd is en twee kinderen heeft. Dat willen we dan weer niet weten.
Alles wat voor het boekje van papier te veel is, tref je hier aan. Op de website van Albertina Soepboer kun je je laven aan haar herschrijvingen van de oude dichter Albert Verwey en bijpassende(?) zelfgeschoten foto’s van Terschelling. Arthur Lava nodigt de lezer onder dwingende blazersmuziek binnen en wie sneller dan God kan lezen, ziet onderaan het scherm dichtregels voorbij snellen als ‘Laten we de engel op elkaars schouder zijn’ en ‘laten we een visie flamberen met flair’. Een aardige bijkomstigheid van zo’n website, je hebt er geen uitgever voor nodig en houdt alles in eigen hand. Het nadeel is ook evident: niemand breidelt je geouwehoer.
De dichter of dichteres die geen zin heeft om in zijn eentje online te gaan, kan overigens terecht bij websites als www.epibreren.com of www.decontrabas.com waar vrijwel dagelijks de stand van zaken in de poëzie wordt bijgehouden of waar je ouderwetse dichters zonder website kunt traceren, zoals Piet Gerbrandy (‘woont en werkt te Winterswijk’, met natuurlijk een linkje naar ‘Winterswijk’, alwaar je dan kunt lezen dat in die gemeente de WOZ-beschikkingen net de deur zijn uitgegaan).
Op het web en de schijfjes kan kortom veel meer dan op het geduldige papier, waar de dichter het voorheen van moest hebben. Veel poëzieverkeer heeft zich de laatste jaren dan ook langzaam verplaatst van de Garamond of Walbaum op gevergeerde romandruk naar het podium, de bits en de bytes. Als het tegenzit, is het bundeltje over enige tijd misschien niet veel meer dan een soort begeleidend tekstvel bij de geleverde waar of een aandenken voor na het optreden.
Wat de lezer en daarmee ook de criticus zich bij dit soort meervoudige verzadigde poëzie in elk geval realiseert, is dat lectuur niet meer volstaat, hij zal de straat op moeten, zijn oor te luister leggen, het web op, om te zien hoe veel dichtkunst uit haar vel is gesprongen. Het echte gesamtkunstwerk heeft het nog niet opgeleverd, het is allemaal nog veel los zand. Maar laten we niet kniesoren: vernieuwingsdrang is er in elk geval in overvloed. Wie weet levert de nieuwe winkel ooit ook nieuwe waar.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.