Het verhaal achter Connie Palmens Lucifer

De Griekse herders in hun wijde broeken geven bovenlangs de pasgeboren blote baby aan elkaar door en lebberen om beurten even aan zijn kleine pikje – eilandgebruik. Een zet een lied in over de pracht en praal van de mei, hoewel het al juli is. Bij elk nieuw couplet neemt een ander het over en het duurt en duurt. Er wordt cognac bijgeschonken. Het is nog vroeg, rond tien uur ’s morgens, maar de dag is al warm. Bij het dertiende refrein, dat iedereen langzaam en zangerig meezingt, stapt zij de taverna binnen: blond en geagiteerd, begin veertig, mouwloos shirt, geen bh: Marina. Daar kijken de herders van op. Ze gaat zitten, schuift haar zonnebril omhoog over het halflange haar, steekt een sigaret op en neemt een slok uit mijn glas. ‘Een Vespa-rijder! Ik hoop niet dat Peter hem voor vanavond uitnodigt! Hij wil bij hem achterop het eiland om,’ zegt ze met haar doorrookte stem. ‘Hij wilde die Amerikaan ook al vragen. Niet die sul, die vriend hem, maar die met dat brilletje.’ Ik vind dat ook een mooie man. Eind twintig met sluik bruin haar, grijze ogen en een zinnelijke mond. ‘Waar is Peter eigenlijk?’ vraag ik. ‘Die komt zo met Kitty,’ zegt ze. ‘Ze zitten om de hoek. Je weet wel, waar die Vespa altijd met zijn vrienden op het terras hangt.’

De zoon van de pensionhouder is niet haar favoriet. Dimitrius is zijn naam, Tako voor intimi. Een krulharige Griek van midden twintig met een gestaald lijf, klein van stuk, maar met een klassiek geprononceerde neus. ‘Volgens mij wil je hem zelf neuken,’ waag ik. Haar blik is dodelijk. ‘Ik neuk niet waar Bas bij is. Hij is al tien en ik ben zijn moeder. Het is ook zijn vakantie.’

Het lied is uit, de cognac komt weer langs. ‘Lang lied,’ zegt ze. ‘Waar gaat het trouwens over?’ ‘Over bloemetjes en bijtjes.’ ‘Zo klonk het anders niet! Mijn God, wat een drama! Weet je zeker dat het geen klaaglied is?’ ‘Nee, die zijn nóg weemoediger.’ ‘Zullen we dan zo naar het kerkhof lopen? Peter en Kitty zijn er nu toch.’ Ik begin aan mijn derde glas en voel de alcohol werken. Ik heb nog geen zin in haar regie. Ze blijft ook na werktijd de producent, op het dwingende af. ‘Paul komt om een uur of elf. Moeten we niet op hem wachten?’ Ze zucht nadrukkelijk. ‘Nog een uur! Dan ga ik eerst nog naar beneden naar het strand waar de jongens met de meiden spelen. Die willen die knekels natuurlijk ook zien. Moet ik straks verdomme die hele berg weer op, ongesteld en wel.’ ‘Je blijft er slank bij,’ zeg ik bemoedigend. Ze is één seconde stil en vraagt wantrouwend: ‘Vind je me dik dan?’

Nee, dik is ze niet, Marina. Zorgelijk mager zelfs. Ik heb haar nauwelijks zien eten sinds het clubje aangekomen is: zij met haar levensgezel Peter, vader van hun zoon Bas, die een maatje mee heeft, haar hartsvriendin Kitty met dochter Gijsje en haar vriendin, die een paar jaar ouder zijn dan de jongens.

Het is de zomer van 1981. Zelf ben ik er al vanaf februari en ik zal tot in het najaar blijven, tot na mijn tweeëndertigste verjaardag. Ik ben bevriend met Peter, de eigenzinnige componist met zijn woeste blonde krullen en zware, albinoachtige wenkbrauwen en op zijn verzoek heb ik onderdak voor ze geregeld in een pension aan zee. Mijn huis is aan de andere kant van de heuvel waarop het dorp ligt, in het dal bij het riviertje, direct naast de watermolen. Dan is er nog de blonde, forse Paul met zijn geprononceerde, maar regelmatige gelaatstrekken. Hij is achter in de twintig en jurist, maar hij verdient zijn geld met klussen. De vrouwen die hij begeert, vinden hem flegmatiek. Ik zou dat graag op de koop toe nemen. Een mannen-man valt echter niet van hem te maken. Hij heeft een kamer in het dorp, vlak onder het klooster op de top, maar boven de kapel met de kerkbel naast de deur, waar de doden samenkomen als het donker wordt en de kinderen uit de buurt niet meer naar buiten mogen.

Magie en bijgeloof horen bij het eiland, net als de weemoedige liederen en de traditionele kostuums. Hier gleed Theseus, de Griekse held, van de rots toen het eiland nog een koninkrijk was en Athene een zelfstandige staat, waar hij onttroond was. Boze tongen beweren dat Lycomedes, de koning van het eiland, hem geduwd heeft om gewin van land dat Theseus op het eiland bezat. Of om niet in conflict te komen met de Atheners. Achilles leefde er in travestie tussen de vrouwen. Zo werd hij door zijn moeder buiten de Trojaanse oorlog gehouden, waarin het eiland en Athene bondgenoten waren. Een jongeling nog van een jaar of viertien. ‘Geen wonder dat hij een homo is geworden,’ concludeerde Peter tijdens een wandeling langs zee. De baai waar hij scheep ging nadat Odysseus hem op aanwijzing van het orakel van Delphi uiteindelijk had gevonden, draagt zijn naam.

Het eiland wordt nauwelijks bezocht door toeristen. Er is niets te zien, er valt niets te beleven. Wel heeft het prachtige stranden, een schitterende, grote baai, bergen met, voor Griekse begrippen, weelderig groen en 365 kapelletjes, voor elke dag van het jaar één. De enige échte attractie is het graf van de Engelse dichter Rupert Brooke. Hij stierf tijdens de Eerste Wereldoorlog, op weg naar een slagveld dat hij nooit zou bereiken. Volgens zijn laatste wens werd hij begraven vlak bij de plek waar het troepenschip voor anker lag, vijf uur lopen van het dorp, in het onherbergzame gedeelte van het eiland. Het graf is nu een Engels oorlogsmonument. Op een plateautje aan de zijkant van het dorp kijkt een standbeeld voor de poëet uit over zee. Het levensgrote mannelijke corps stelt niet Brooke voor, maar de ‘immortal poetry’. Australië staat vol met grafzerken met zijn beroemdste dichtregels uit het vers ‘The Soldier’:

If I should die, think only this of me:

That there’s some corner of a foreign field,

That is for ever England.

‘Floris en Marian komen morgen aan,’ herinnert Marina ons als we na veel geregel, gedoe en retsina op weg zijn naar het kerkhof. Ik verheug me op hun komst: Marian (Boyer, red.) is toneelschrijfster en ken ik van toen we twintig waren. Floris (Guntenaar, red.) die ik niet zo goed ken, is theatervormgever. Oorspronkelijk is hij een vriend van Peter. Hij en ik zijn beiden goedgekeurd door Marina om te worden toegelaten tot de twijfelachtige hemel van hun vriendenkring. ‘Ik moest op audiëntie,’ vertelde Floris mij. ‘Ik had niks seksueels met Peter, maar zoals je weet, maakte dat niet uit, ofschoon het wel altijd een gevoelig punt is in hun relatie. Zij lag overigens wel met mijn toenmalige vriendin achter in de auto.’

Het is kort voor twaalf uur en we lopen de smalle, marmer geplaveide dorpsstraat af. Kitty vangt als actrice met haar gerijpte schoonheid alle blikken. De herders uit de taverna zitten nu verspreid over de terrassen en groeten ons. Weduwen in het zwart met gele bedrukte hoofddoeken torsen butagasflessen en waterkruiken op hun schouders of groepen bij elkaar op de stoepen.

Ik licht de zeden en gebruiken van het eiland toe. Bij het huis van de familie Froshini, naast het winkeltje van het honing-en-yoghurtvrouwtje, dat ook zelfgemaakte rijstpudding verkoopt, wijs ik op een keldergat, waarachter een seniele vader door zijn kinderen lang was opgesloten en er nu ligt te sterven. ‘Denk je dat hij dood gaat voor we van het eiland af zijn?’ vraagt Paul hoopvol. Hij gunt iedereen het schouwspel van de begrafenis. In een open kist van hard karton wordt het lijk door mannen de dorpsstraat af gedragen. De luiken en deuren zijn dicht, de winkels gesloten, de terrassen ontruimd. Met een gebogen hoofd laten de mensen de stoet voorbijgaan en slaan een kruis. Met veel misbaar krijsen klaagvrouwen in zwarte jurken en hoofddoeken achter de kist aan. De rijkdom van de overledene bepaalt het aantal en al rouwen ze niet uit verdriet, hun theater van de dood laat altijd diepe indruk achter. De jongens raken opgetogen bij het vooruitzicht, zelfs Kitty is enthousiast. Gijsje kijkt bedenkelijk en Peter begint een verhaal over Tibetaanse lijken die in stukken worden gehakt en aan de gieren gevoerd. Het is middag en de hitte bepaalt ons tempo. ‘Ik wou dat ik op het strand gebleven was,’ klaagt Marina. ‘Niet te harden hier. Dertig graden in de schaduw!’

Er voert een onverharde weg langs het noodhospitaaltje met één bed, altijd gesloten want personeel ontbreekt, en onder langs het politiebureau, waar de twee dienders van het eiland kantoor houden, naar de begraafplaats die even buiten het dorp in een dennenbosje ligt. Er staat een muur omheen met een roestig hek als toegangspoort, zoals het hoort. We lopen zwijgend over het pad langs de wit gekalkte hoge tombes. De grond is te stenig, dus niemand wordt begraven. We bekijken de geëmailleerde portretjes, sommige verbleekt en aangetast door de tijd. De ornamenten zijn sober, de bloemen van plastic. Bij elk graf wordt elke dag tegen de avond een olielamp in een nisje ontstoken zodat dwalende doden hun plek kunnen vinden. ‘Is het niet een beetje klein?’ vraagt Kitty zich af als ze het kleine terrein overziet. ‘Er wonen hier maar weinig mensen, maar ze moeten toch ergens heen na hun dood.’ Paul legt uit dat de tombes als ovens werken en dat er meestal alleen wat botten overblijven die na drie jaar aan de familie worden gegeven. ‘Gadverdamme!’ zegt Kitty, ‘en wat doen die er mee?’ ‘Reinigen met witte wijn en bijzetten in de familiekapel. Dat zijn al die kerkjes overal. Of gewoon in een boodschappentas in de schuur.’

Marina lijkt het wel wat. ‘Na drie jaar nog even lekker in de lorum. Dan ga je toch anders dood, als je dat vooruit weet.’ Haar vrolijkheid is aanstekelijk. Paul gaat ons voor naar het enige graf in de grond, met witte stenen omrand. Het is van een jonge Fransman. ‘Wat zou er gebeurd zijn?’ vraagt Marina serieus. Ik sta iets van haar af en doe alsof ik haar vraag niet hoor. Niemand kijkt elkaar aan. Er zijn momenten dat je weet, dat je diep van binnen voelt, dat je iets níét moet vertellen. Ik loop door naar het einde van het pad, naar een gebouwtje waar een ketting de deurgrepen in een knoop bij elkaar houdt. Als ik die loshaal, vraagt Kitty of dat wel mag. Ik haal mijn schouders op. ‘Welke dode zal het ons kwalijk nemen?’ De bruin geschilderde, verweerde deuren gaan moeilijk open en schrapen over de vloer. ‘Nergens aankomen,’ waarschuw ik. De jongens lopen als eersten naar binnen en vallen stil. ‘Jezus Christus!’ zegt Peter. Hoog tegen de wanden opgetast tientallen kistjes – sommige met deksel, andere zonder – en zeepdozen met Omo of Tide erop; ertussendoor liggen halfvergane kussenslopen. En overal steken beenderen uit, handbotjes en schouderbladen, ribben en tandeloze schedels met lege oogkassen. Het flauwe schijnsel van een olielamp werpt een sinister licht. ‘Ik heb toch het gevoel dat we hier niet mogen zijn,’ zegt Kitty. Zij loopt naar buiten en iedereen volgt haar stil.

Om drie uur is de dag op zijn heetst, niets beweegt, er is geen geluid. Marina en ik zitten aan tafel bij de balustrade van het terras van het pension en drinken retsina, in de schaduw van de wijnranken boven ons. Peter zit met zijn hemd halfopen met de Amerikaan te praten die een boek leest over Alexander de Grote. ‘I used the story of the death of his lover Hephaistion in one of my pieces,’ hoor ik Peter uitleggen. Het is het thema van zijn Symfonie No. 1, Opus 27: Alexander die bij Babylon een vuur van vijftig bij vijftig meter laat aanleggen voor de crematie van zijn vriend en minnaar en het complete leger eromheen in het gelid laat staan, tot de laatste vonken gedoofd zijn. Het terugkerende motief ontleende Peter aan het oude weemoedige kinderliedje: ‘Groen is gras, groen is gras / Onder mijne voeten, / Ik heb verloren mijn beste vrind, / Ik zal hem zoeken moeten.’

Tien meter onder ons vermaken de kinderen zich aan zee. Ik volg Bas met zijn blonde kop hel in de zon. Die heeft hij van zijn vader. Mooi ventje. ‘Toch hebben jullie ondanks alles wat aardigs gemaakt,’ zeg ik. Marina lacht schamper en schenkt bij uit de koperrode aluminium kan op tafel. ‘Hij is mijn leven,’ reageert ze dan. ‘Zonder hem was ik er allang mee opgehouden. Bas is ons verbond.’

Ze kunnen niet mét elkaar, maar zónder is ondenkbaar. Ik denk aan de tumultueuze verhouding tussen haar en Peter, hun laaiende ruzies met veel vertoon, de eeuwige wedijver, hoe ze elkaar minnaars afvangen of de partners van die minnaars, man of vrouw maakt niet uit, de drank, de drugs, de rock ’n’ roll. En Peter die zich als de bezeten, monomane kunstenaar die hij is, bij perioden volledig van alles en iedereen afsluit onder zijn vaak herhaalde motto: ‘De muze is een jaloerse vrouw, zij staat geen medeminnaars toe!’ Ik leun over de balustrade en kijk naar de rozerode bloemen van de vetplanten op het smalle strookje rots aan de rand van de afgrond. ‘Die dingen draaien met de zon mee, net als zonnebloemen,’ leg ik uit. ‘Heb je daar wel eens op gelet?’ Marina komt naast mij staan en kijkt naar haar zoontje op het strand. ‘Het is hier diep,’ zegt ze. We drinken verder en kijken uit over de spiegelgladde zee met alle kleuren van blauw tot groen en grijs. De hitte houdt ons gevangen.

‘Ben je nog uit rijden geweest?’ vraag ik ’s avonds op dubbelzinnige toon aan Peter. We zitten op het terras van mijn huis tussen de appelbomen en hij kijkt verstoord op uit een gedichtenbundeltje van Rupert Brooke. De kinderen zijn er bij, dus ik kan niet rechtstreeks informeren of hij met Tako heeft geneukt. ‘Achterop de Vespa, zeg maar?’ houdt ik aan. Paul en de jongens bouwen het barbecuevuur. ‘Ik ben met die Amerikaan blijven praten,’ is Peters antwoord. ‘Hij is jurist. Internationaal recht is zijn specialiteit.’ Marina en Kitty maken sla, snijden brood, schillen komkommers en doen de tomaten en olijven op borden. Gijsje houdt zichzelf bezig met een boekje. De hitte van de dag gloeit na in de terrasvloer, cicaden tjirpen hun oorverdovende avondzang. In het dorp tegen de heuvel slaat de klok van de kapel negen keer helder in het donker. Er is geen maan. ‘Hij heeft wel gevoel voor drama,’ stelt Peter vast terwijl hij een bladzijde in de bundel omslaat. ‘Was hij echt zo beroemd?’ Ik verhaal hem hoe Brooke tijdens een picknick met medeofficieren een bloedvergiftiging opliep die hem fataal werd. ‘Typisch Engels,’ stelt Peter vast. ‘Veel heldhaftige woorden en heroïek en dan doodgaan tijdens een picknick!’

De rest van de avond gaat het over ons eigen leven en liefde, over de illusie die het leven is en de illusies waarin we zelf willen geloven en hoe de dood daar op volgt.

Ik droom dat er weer een aardbeving is, zoals een paar maanden geleden, toen een hevige schok ’s nachts de vloer en de decimeters dikke muren van het oude huis deed golven. Een zinsbegoochelende ervaring, die nu echter blijkt te bestaan uit Tako, de Vespa-rijder, die mijn bed op en neer schudt om mij uit mijn alcoholische roes te wekken.

Ik word maar traag wakker en van ver hoor ik hem steeds hetzelfde herhalen: ‘The blond woman is dead.’ Ik heb geen idee waar hij het over heeft. ‘She fell down at Barba Janice’s.’ Als hij vermoed dat ik in het heden ben aangekomen, zegt hij: ‘De vrouw uit Holland! Peter vraagt om je.’ Het is ver na middernacht. Mijn lichaam schiet werktuigelijk in mijn kleren, maar mijn hoofd is niet in staat om helder te denken. Marina dood? Hoe? Waaraan? Opeens? Op de Vespa rijden we om de heuvel door de lauwe, donkere nacht naar zee. Ik voel me langzaam nuchter worden en tegelijkertijd voegen de tollende en onsamenhangende gedachten in mijn hoofd zich samen tot paniek. Ik herken het en weet: ik kan het aan. In het ziekenhuis waar ik enige tijd werkte als verpleeghulp, was dat gevoel er als mensen stierven en nog vochten in een al verloren strijd. ‘Knop om,’ zei de hoofdzuster dan. ‘Nu!’ De knop is nog niet binnen handbereik, maar ik vertrouw erop dat ik hem vind voor we er zijn.

De oude Barba Janice, Tako’s vader, zit op het terras. ‘Problems, problems,’ mompelt hij voortdurend. De Amerikaan beent nerveus heen en weer, zijn reisgenoot houdt zich op afstand. Hij gaat zitten, staat meteen weer op en kijkt mij verwilderd aan: ‘Ze ligt beneden. Peter is bij haar.’ Snel, associatief, vertelt hij hoe ze met zijn drieën zaten te drinken, Peter en hij aan tafel, Marina op de balustrade boven de afgrond. ‘Haar sigaretten vielen achter het muurtje op die richel.’ Marina had zich half achterover gebogen om het pakje op te rapen. ‘She lost her balance. Het ging zo snel. No sound: only Peter screamed.’ Ruggelings is ze in de diepte gestort, geluidloos, tevergeefs houvast zoekend aan de vetplanten met de rozerode bloemen, die nu in het donker dicht waren gegaan alsof ze niet wilden zien wat er gebeurde. Ze had een verbaasde blik in de ogen toen ze al buiten het bereik was van reddende handen.

Het beeld dat zijn woorden in mij oproepen, probeer ik te negeren. Barba Janice ziet de worsteling. ‘Problems, problems,’ herhaalt hij weer. Ik durf niet meteen het smalle, steile pad af dat van het terras naar het strand loopt. Er is angst voor wat ik daar zal aantreffen, niet zozeer voor het lijk, meer voor de gemoedstoestand van mijn vriend. Wat moet je doen, wat moet je zeggen? Ik ben niet gelovig, maar nu bid ik, als altijd op dit soort onwezenlijke momenten, tot God om woorden, die altijd komen. Ik concentreer me op mijn ademhaling. ‘Leegmaken, nulpunt vinden, handelen,’ houd ik mezelf voor.

De woorden vormen een cadans: het werkt. Nog nooit heb ik zo snel het pad genomen. Peter tref ik in het donker, als mijn ogen zich enigszins aan de duisternis hebben aangepast. Hij huilt bij het levenloze, door de rotsen gehavende lichaam. Hij streelt het, kust het, probeert het vast te houden zonder er greep op te krijgen. Ik sla mijn armen om hem heen en wacht af wat komen gaat. ‘Ze leefde nog,’ weet hij zeker. ‘Ze heeft nog naar me geglimlacht.’ Marina’s hoofd ligt open, met zijn vingertoppen raakt Peter zacht de hersenen aan, schrikt terug, kust haar opnieuw. Haar kleren zijn gescheurd en bebloed, wonden in het gezicht. Haar ledematen liggen in een onnatuurlijke hoek.

De radeloosheid en de wanhoop en het heftige, onbarmhartige gevecht tegen de gekte die dreigt, voel ik in Peters lijf. De paniek ligt ook bij mij op de loer, maar mijn hand is bij de denkbeeldige knop. Verder op het strand zijn vage bewegingloze gestalten. De jonge dokter is erbij en de twee agenten. En Tako, vermoed ik, en de Amerikaan, die inmiddels naar beneden is gekomen. Er zijn meer mensen, maar geen bekenden, voel ik. Paul is in zijn huis in het dorp, Kitty en de kinderen slapen nog, Bas en zijn vriendje zijn in hun kamer in het pension niet gewekt door de schreeuw van Peter toen ze viel. Het maanloze duister beperkt het zicht. Verdomme wat is het donker. Maar als iemand een zaklamp aan flitst en Marina als een gebroken pop op de rotsen oplicht, schreeuw ik dat hij moet opdonderen. Het licht gaat uit.

Maar het is nog niet voorbij. Het lichaam van Marina moet weg, kan hier niet blijven. Brancards en ziekenwagens en mensen die voor lijken zorgen, zoals in ons deel van de wereld, zijn er op het eiland niet. Dus tillen we haar op een geïmproviseerde baar, een ijzeren bed met dekens uit het pension. Haar armen en benen duwen we weer een beetje op de plek waar ze horen te zitten. Er is veel bloed. Een paar seconden kijk ik gebiologeerd naar haar gehavende gezicht. Ook in de dood een mooie meid, realiseer ik me met een schok. De dokter is weer weg, de politieagent vraagt wat we met het lichaam gaan doen. ‘Naar het noodhospitaal,’ stel ik voor. ‘Daar is niemand,’ zegt hij. ‘Bovendien is ze al dood. En het is jullie lijk en niet het onze.’ Ik voel de woede door me heen slaan. ‘We gaan erheen,’ zeg ik stellig. ‘Het gebouw is op slot,’ waarschuwt hij. ‘Dan zet ik haar in de dorpsstraat, godverdomme!’ Mijn beheersing van het Grieks is beperkt, maar emotie is de taal van alle mensen. Hij trekt zich terug. De klim over het steile pad terug naar het terras is hachelijk. Steeds schuift het lichaam van de baar. En ondanks alles moet ik ineens denken aan de begrafenis van Rupert Brooke, die op een zelfde donkere avond door zijn wapenbroers van het strand naar boven werd gedragen via een vergelijkbaar steil en stenig pad. Hun schip zou in de vroege ochtend uitvaren, en door fakkels bijgelicht, legden ze hem in het graf dat eerder op de dag gegraven werd in de olijfgaard.

Boven, met zijn allen om het bed heen, ver van de balustrade, weten we plotseling even niet wat we moeten doen. Peter is wonderlijk rustig geworden. Het is vier uur in de morgen. ‘We zaten in het donker te praten,’ vertelt hij opnieuw. ‘De baai was nauwelijks zichtbaar. Er was alleen een smal stukje maan.’ Onwillekeurig kijken we omhoog. Geen maan meer te zien. ‘Ze maakte een armgebaar naar de weidsheid en zei: “Who will share this dream with me?” En toen vloog ze weg. Als een vogel. Achterover, de armen gespreid.’

We zwijgen, ieder met zijn gedachten alleen. Onwillekeurig denk ik aan Lycomedus en Theseus en het feestmaal met veel drank, dat de koning heeft laten aanrichten. Aansluitend maken ze een wandeling over de rotsen langs zee en stort er een gast neer. Waar op het eiland was dat? Op deze rots, onder het klooster, waar vroeger een kasteel stond?

‘Ik wil niet dat Bas haar zo ziet,’ zegt Peter na enige tijd. ‘Kan Marina hier niet weg?’ Tako wordt om een doodskist en vervoer gevraagd en gaat de timmerman bellen. ‘Moeten we de anderen wekken?’ vraagt Peter zich dan toch af. ‘O God, Bas…’ Zijn paniek is weer terug. Hij huilt. Ik wacht tot hij zich weer een beetje hersteld heeft en vraag: ‘En dan?’ Ik stel voor haar eerst naar boven te brengen en een beetje te fatsoeneren. Met pleisters haar hoofd dicht plakken en een verbandje er om, is ons idee. En schone kleren aan, het roze pakje dat ze graag droeg, besluit Peter. Kijken wat het resultaat is. En daarna zullen we de anderen wekken en ze meenemen naar boven. We dragen haar uit het zicht, voor het geval de jongens wakker worden. Na een uur, als de dag begint te gloren boven zee, arriveert de timmerman met zijn driewielig kiepkarretje en een spaanplaten, snel in elkaar getimmerde bak met deksel. ‘Gaan jullie echt naar het noodhospitaal?’ vraagt Tako. ‘Want dat is dicht.’ ‘Dan breken we de deur open,’ zeg ik. De manier waarop iedereen ons lijkt te negeren en de rug toekeert, maakt me weer woedend. ‘We moeten toch alles zelf doen. Ik heb al gezegd dat ik het lijk in de dorpsstraat zal zetten.’

We tillen Marina in de geïmproviseerde doodskist, die op de bak behoorlijk uitsteekt en met een spin op zijn plaats moet worden gehouden. Peter en ik gaan er in het laadbakje naast staan, terwijl de timmerman het wagentje langs de baai stuurt. Het uitzicht is weids, de zonsopgang een wonder. In het nog dralende ochtendlicht van de nieuwe dag schittert de zee goud. Een zeldzaam verschijnsel, dat Homerus al beschrijft als ‘de wijnkleurige zee’. ‘Een ode aan Marina!’ zegt Peter met enige plechtigheid. En even is er een moment van berusting en geluk en weemoedig glimlachen we naar elkaar om een baai zo vol van haar favoriete drank. Als we ontspannen op de kist willen gaan zitten, dreigt het deksel te bezwijken onder ons gewicht en zijn we meteen weer terug in de niet te bevatten realiteit. Bij het noodhospitaal wachten Tako, de Amerikaan en de politiemannen. Met de sleutel.

Maar Bas zal zijn moeder nooit meer zien. Nadat we Marina hebben gefatsoeneerd en omgekleed – waarbij we in onze zenuwen bijna haar tampon meetrekken aan het touwtje, totdat de Amerikaan ons waarschuwt met de kreet: ‘No more blood, for God’s sake!’ – eist de politie dat het lichaam met de eerste boot naar het ziekenhuis op het vasteland gaat om gebalsemd te worden. De hitte maakt dat noodzakelijk, wordt uitgelegd. Op verzoek van Peter steek ik met Marina de zee over en keert hij terug naar het pension om Bas en de anderen te wekken. Ik ben blij daar niet bij te hoeven zijn.

Hoewel ik die zeereis altijd graag maakte om het spel van de watervlugge bruinvissen voor de boeg, wil ik mij deze overtocht niet graag herinneren. Ik zie alleen de boot met open laaddek nog en ik zie het kiepkarretje met de kist tussen de andere auto’s geparkeerd staan. Het duurde lang en het was eenzaam.

Pas aan het eind van de dag arriveert de rest van het gezelschap en Paul, vrijwel gelijk met de begrafenisondernemer uit Athene en Floris en Marian, die de bus hebben genomen. Het is een dag van regelen en overleggen. Door de slechte verbindingen is het telefoonverkeer met het eiland en Nederland gebrekkig. Er is verwarring en ruzie met de ambassade. Die wil niet helpen als blijkt dat Marina, uit bijgeloof, voor iedereen een reisverzekering heeft afgesloten, behalve voor zichzelf. De ambassade wil een financiële garantie voor er stappen worden ondernomen. Maar alles wordt geregeld en iedereen is uitgeput. Niemand wil nog door of terug naar Athene. De nacht wordt doorgebracht in het enige hotel dat er is aan het kleine haventje. Het lijk van Marina gaat die zelfde avond nog op het kiepkarretje met de timmerman naar de Griekse hoofdstad, ruim drie uur gaans door het donker. De begrafenisondernemer en ik zijn de enigen die dat weten, doordat ik tussendoor en op verzoek van Peter, nog even met hem naar het ziekenhuis ben gereden om het lijk te identificeren. Er is geen kist gekomen en passend vervoer is er ook niet. Maar als Peter vraagt: ‘Heeft ze een mooie kist?’ lieg ik met gemak. ‘En niet meer op dat karretje?’ vraagt hij. ‘Nee, nee,’ zeg ik vanzelfsprekend. Het stelt hem gerust.

Maar ’s nachts in de rust van de hotelkamer, na een slok whisky uit de fles, schakelt de knop zichzelf uit. En onvermijdelijk en onstuitbaar komen de beelden, emoties, frustraties, de angst en de woede, het niet te peilen verdriet. En ik huil om alles.

Dat najaar, terug in Amsterdam in het café waar Peter en Marina ook altijd kwamen, hebben wij het er weer over omdat we er maar geen greep op kunnen krijgen. Dan begint Paul ineens over het graf van de Fransman, met de witte stenen er omheen. ‘Jij wist toch hoe hij was doodgegaan?’ ‘Ik weet het,’ zeg ik op mijn hoede. ‘Maar toen Marina ernaar vroeg, zei je niks.’

Hij kijkt mij aan en raadt meteen: ‘Bij Barba Janice? Zelfde plek, zelfde situatie?’ ‘Ja,’ knik ik en plotseling herinner ik mij weer de avond, jaren geleden, dat ik Peter voor het eerst ontmoette, in ditzelfde café. En ik zie weer hoe hij zijn adres en telefoonnummer noteerde in mijn paspoort, op een nog ongebruikte visumbladzijde, het enige papier voorhanden, en er boven schreef: ‘Toegelaten in het Beloofde Land.’