Met zijn Brieven uit Genua nestelt Ilja Leonard Pfeijffer zich comfortabel tussen fictie en werkelijkheid.

Vanaf het begin werpt Brieven uit Genua de lezer een vraag voor de voeten. Loopt Pfeijffer hier de kluit te belazeren met een briefroman gepresenteerd als brievenverzameling? Of schrijft hij zijn vrienden echt dusdanig fraai gecomponeerde brieven dat ik zo snel mogelijk bevriend met hem moet raken? Het raadsel lijkt te worden opgelost met een brief aan het Letterenfonds, waarin Pfeijffer een middenweg schetst: het zijn allemaal daadwerkelijk verstuurde brieven, maar wel geschreven in de wetenschap dat ze een project vormen dat beter een roman dan een autobiografie kan heten.

Maar deze duidelijkheid is een schijnduidelijkheid. Pesterig manipulatief laat Pfeijffer deze brief aan het Letterenfonds voorafgaan door een brief aan zijn accountant waarin hij zijn penibele financiële situatie uiteenzet, een ongemakkelijk voyeuristische leeservaring, en daarnaast vertelt hoe hij...