Met zijn Brieven uit Genua nestelt Ilja Leonard Pfeijffer zich comfortabel tussen fictie en werkelijkheid.
Vanaf het begin werpt Brieven uit Genua de lezer een vraag voor de voeten. Loopt Pfeijffer hier de kluit te belazeren met een briefroman gepresenteerd als brievenverzameling? Of schrijft hij zijn vrienden echt dusdanig fraai gecomponeerde brieven dat ik zo snel mogelijk bevriend met hem moet raken? Het raadsel lijkt te worden opgelost met een brief aan het Letterenfonds, waarin Pfeijffer een middenweg schetst: het zijn allemaal daadwerkelijk verstuurde brieven, maar wel geschreven in de wetenschap dat ze een project vormen dat beter een roman dan een autobiografie kan heten.
Maar deze duidelijkheid is een schijnduidelijkheid. Pesterig manipulatief laat Pfeijffer deze brief aan het Letterenfonds voorafgaan door een brief aan zijn accountant waarin hij zijn penibele financiële situatie uiteenzet, een ongemakkelijk voyeuristische leeservaring, en daarnaast vertelt hoe hij het Letterenfonds al eens eerder een rad voor ogen heeft gedraaid. Zo blijft onduidelijk hoe deze brieven te interpreteren in verhouding tot het werkelijke leven van Pfeijffer, die zich comfortabel nestelt tussen fictie en werkelijkheid.
Resten ons de brieven zelf, en die zijn wervelend. Het ene moment ontvouwen zich levendig allerlei kluchtige scènes rond de Genuese piazza waar Pfeijffer woont. Dan weer filosofeert hij, over literatuur, liefde, politiek of economie. Van alinea tot alinea verandert het register, zo valt de lezer in een column voor NRC, in een romanpassage, in een liedtekst voor Ellen ten Damme.
Het gemak waarmee Pfeijffer tussen stijlen springt, is verbluffend, en meer dan eens moest ik verbijsterd constateren dat ik al pagina’s lang ineens een sportboek of een taalkundige analyse aan het lezen was. En niet alleen heeft deze roman vele gezichten, die zijn ook nog eens fraai uitgewerkt. Ik vermoed dat ook iemand die geen voetballiefhebber is kippenvel krijgt van Pfeijffers omschrijving van de Genuese derby, en dat weinig schrijvers het klaarspelen om tien pagina’s over het Koningslied boeiend te houden.
Zo nu en dan herhaalt Pfeijffer zichzelf, met een grap of een omschrijving die een paar pagina’s terug al voorbij is gekomen. Maar een briefschrijver kan nu eenmaal in herhaling vallen, en dan siert het hem juist dat deze oneffenheden in het boek behouden zijn gebleven. Bij de brieven aan Pfeijffers moeder kun je je afvragen of hier niet teveel de componist van een roman aan het werk is, die dit vast aan zijn moeder zal hebben verzonden, maar toch vooral omdat het zo past binnen de structuur van de ‘roman’ Brieven uit Genua. De brieven vormen aaneenschakelingen van anekdotes over Pfeijffers jeugd waarvan je aan mag nemen dat zijn moeder die ook wel kent.
Tegen het eind, in een brief aan zijn uitgever, zet Pfeijffer de positie van Brieven uit Genua opnieuw uiteen. Het is geen roman, heet het nu, geen vervolg maar een variatie op La Superba, dat als het Centre Pompidou is: de structuur is zichtbaar, maar dat is een uitgekiend besluit van de architect. Brieven uit Genua is een bouwput, waar de structuur ook zichtbaar is, maar dan onbedoeld. Volgens mij is er helemaal niet zo veel onbedoeld in dit boek. Maar het werkt wel.
Brieven uit Genua, Ilja Leonard Pfeijffer (De Arbeiderspers, 752 p., € 27,50)
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.