Essay / Pleidooi voor onbehagen

Feelgood. Als ik in het nabije verleden die term gebruikte, was het om op een milde manier te zeggen: dit is een ongevaarlijk verhaal. Een behaaglijk verhaal. Een verhaal dat angst noch ongemak inboezemt. We kennen het van de films die vaak dit predicaat krijgen, alles wat heftig en weerbarstig is in het leven wordt gepolijst, overgoten met lichtvoetige humor, omgezet in loutering, of opgediend met een behapbare moraal die nooit zwaar drukt en ons moeiteloos zal vergezellen in het bestaan. We sluiten zelfs welbewust, eventjes, de ogen voor de onwaarachtigheid die zo’n gezocht gelukkig einde aankleeft. We willen genieten van een sprookje.

In de literatuur reserveerde ik de term feelgood voor boeken die ’troost’ of ‘verlichting’ bieden, termen die eerder in een levenskritiek dan in een literaire kritiek thuishoren. Feelgood hoort bij levensverhalen. Afgeronde autobiografisch getinte geschiedenissen waaruit je veel handige dingen kunt opsteken, levenskunst, kant-en-klare overlevingspakketten. Boeken die je niet verontrusten, die je niet met vragen achterlaten, die niet na lezing blijven rondspoken, boeken die de suggestie bieden dat de wereld, de schepping, de mens begrepen en doorgrond kan worden in smakelijke anekdotes en wat lepe psychologische oneliners. Ik spreek nu niet over verteltechniek, niet over een gekozen genre, maar over een wereldbeeld waarin boeken niet de weerschijn tonen van de weerbarstige wereld, maar het veilige rolgordijn dat een dergelijk verontrustend zicht juist afschermt.

Maar feelgood is tegenwoordig meer dan een etiket voor boeken met makkelijke antwoorden op voorspelbare vragen. Het is een manier van schrijven om een groot publiek te plezieren. Het lijkt wel besmettelijk, want het literair behagen is genre-overschrijdend: het strekt zich uit van de roman op stevige literaire fundering, zoals bij Herman Koch het geval is; via zo’n vie romancée als Sonny Boy door Annejet van der Zijl; de brave historische vertellingen van Arthur Japin; de folkloristisch-exotische pennevruchten van Kader Abdolah; de uit het o zo herkenbare leven gegrepen stukjesbundels vol olijke bric-à-brac; de polderthriller uit etnisch homogeen, gewestelijk Nederland; tot de altijd op de maat van de lezersverwachting geschreven menus du chef van succeskanonnen als Heleen van Royen en Kluun. Over diens laatste roman Haantjes twitterde oud-politica en ex-voorzitter van de AKO Literatuurprijs Femke Halsema onlangs: ‘Gisteravond het boekje van @kluun weggehapt: hilarisch grappig.’ Treffender uitgedrukt kan bijna niet: weg-gehapt. Het happen van ‘erin trappen’, maar ook van even je tanden in iets lekkers zetten om het snel door te slikken. Literatuur als de borrelhap en het pakje chocoladekoekjes van het leven.

Helpende hand

Het zal de lezer niet verbazen dat ik de feelgood-boeken, hoe goed een enkel exemplaar ook in elkaar steekt, hoe vermakelijk het lezen soms ook kan zijn, niet als hooggebergte in het eeuwige literaire landschap zie. Dat komt veelal door het sprookjeskarakter van deze manier van literatuur bedrijven en door de geringe inspanning die zulk proza van de lezer vergt. De roman is de plaats waar de fantasie van de schrijver die van de lezer ontmoet. Intellectueel gezien een waar krachtenveld, een vruchtbare bodem voor avontuurlijke, onvergetelijke, eventueel zelfs levensveranderende ontmoetingen. Maar rolt er feelgood van de drukpersen, dan ontmoet de lezer een verliteratuurde vorm van Lieve Lita. Zo’n vochtige helpende hand die woorden van troost en opgewarmde clichés aanreikt. Dit is niet het type verbeelding die tot denken aanzet, die intellectueel ontregelt en uitdaagt. Het is een gedomesticeerde, light vorm van verbeelding, die de geest juist tot kalmte maant, veilig terugbrengt in de vertrouwde omgeving van de eigen achtertuin, waar het goed toeven en veilig tuinieren is, maar waar de blik, laat staan de mens zelf, zelden over de schutting rijst.

Droombeelden koesteren

Onlangs is een essaybundel vertaald die dat essentiële verschil in opvattingen en verwachtingen over de literatuur helder en toegewijd analyseert: Een intelligent hart, van de Franse filosoof Alain Finkielkraut. De Nederlandse uitgever kwakte een tweede titel op het schutblad: ‘Hoe romans je helpen in het leven’. Misleidend, want het gaat in dit boek allerminst om tips om uit romans sluimerende levenslessen te kunnen pulken. Als Finkielkraut iets beoogt, dan is het de lezer, aan de hand van zijn meest geliefde romans uit de wereldliteratuur, duidelijk te maken dat de waarde van goede literatuur niet ligt in wat je van tevoren kunt bedenken of hoopt te vinden. Die waarde schuilt juist in de manier waarop een boek van de platgetreden paden afwijkt, niet antwoordt op bekende vragen en niet voorziet in populaire levenslessen die doorgaans vanuit alledaagse ervaringen lectuur en literatuur binnen sluipen.

De verbeelding in fictie heeft twee kanten, schrijft Finkielkraut: de verbeelding die de mens in staat stelt buiten zichzelf te treden en nieuwe vormen van bewustzijn te ervaren, én het droombeeld dat hem tot middelpunt van de wereld maakt, alles afhankelijk van hem maakt. Naar aanleiding van een essay over Milan Kundera’s roman De grap, een vertelling waarin de hoofdpersoon zich vergist in de mate waarin hij greep heeft op zijn lot en de mate waarin hij wraak kan nemen voor hem aangedaan onrecht, stelt Finkielkraut die twee verbeeldingsvormen tegenover elkaar: ‘De verbeelding verkent het onbeheersbare, het droombeeld is er de ontkenning van; de verbeelding neemt akte van de veelheid, het droombeeld bezweert haar; de verbeelding leert matigingen, het droombeeld geeft voedsel aan mateloosheid; de verbeelding hoort tot het terrein van de aandacht, het droombeeld is een voortbrengsel van het verlangen. Verbeelden is, voor het ik, buiten zichzelf treden; droombeelden koesteren is naar zichzelf luisteren, zichzelf schadeloos stellen, zich verlustigen in compenserende scenario’s.’

Zelfbevestiging zoeken, recht en eerlijkheid herstellen, compensatie vinden. Dat we dat van fictie verwachten, is het misverstand over literatuur, zo luidt de hartekreet van Finkielkraut. Evenals de eis dat fictie zou moeten beantwoorden aan de ‘inspanning van de mensen om een narratief bevredigende vorm te geven aan hun bestaan’. Maar bevrediging via literatuur staat in Finkielkrauts visie niet gelijk aan greep krijgen op het leven. Het is juist de bedoeling dat goede boeken je een glimp van de werkelijkheid in al haar onbevattelijkheid schenken, je haar overrompelende weerbarstigheid doen accepteren als een intellectueel te veroveren terra incognita. Wat Finkielkraut beoogt, en door middel van de door hem besproken romans van Kundera, Camus, Dostojevski, Vasili Grossman, Henry James, Sebastian Haffner, Philip Roth, Joseph Conrad en Karen Blixen illustreert, is dat de beste literatuur juist afziet van het fabeltje dat verhalen de ellende, de ongerijmdheden en de chaos in de wereld kunnen temmen en beheersbaar maken.

In zijn fenomenale ontleding en duiding van alle sociale, politieke, psychologische, persoonlijke verzinsels en ontreddering in Philip Roths roman De menselijke smet, raakt Finkielkraut het hart van zijn betoog. ‘Alles wat ons overkomt,’ schrijft hij, ‘komt tot ons in de vorm van verhalen. En de verhalen waaraan zelfs de meest verfijnde figuren onder ons geloof hechten, zijn stichtelijk en oppervlakkig. Al vanaf de kinderjaren zijn we niet te bevredigen consumenten en niet-aflatende producenten van stereotiepe fictieverhalen. We worden het niet moe de problemen, de dilemma’s en hersenbrekers van het bestaan te herleiden tot fascinerende taferelen waarin Goed en Kwaad met elkaar duelleren. (…) Het is altijd Sint-Joris die zijn lans in de muil van de draak drijft.’

Voor wie denkt dat Finkielkraut nu de ziel en functie van fictie uit de doeken doet: wederom mis. De roman ziet hij juist als de permanente oppositie tegen het nivellerende simplisme van het Goed-en-Kwaad-sprookje: ‘Tegen dat romaneske, onstuimige en eentonige activisme bestaat een beroepsinstantie: de roman. De roman is niet een van de mogelijke vormen van de fabel, hij is de fabel die het spel niet meespeelt en die, zoals Milan Kundera het formuleert, een ‘uit legenden geweven toverdoek’ dat voor de wereld is gespannen, verscheurt.’

Zo herdefinieert Finkielkraut de roman, met een ambitieuze literaire opdracht. Hij legt daarmee de lat voor uitmuntende literatuur niet onbereikbaar hoog, maar haalt die juist weg uit het mijnenveld van de gemaksliteratuur.

Komeetinslag

Een actuele blik op CPNB’s wekelijkse ranglijst ‘Bestseller 60’ of de jaarlijkse ‘Top 100’ wijst uit dat de best verkochte boeken van het soort zijn dat Finkielkraut aanduidt als ‘de fabels die het spel meespelen’. Dat is geen ontwikkeling van de ene op de andere dag. Als je zo’n tophonderd van het jaar 2000 erbij neemt, zie je dat prominente Nederlandse fictie toen al verdrongen werd door buitenlandse thrillers en de geromantiseerde geschiedenislessen van Geert Mak.

Wat was vroeger een Nederlandse bestseller? Een roman van Connie Palmen, Anna Enquist, Margriet de Moor, Harry Mulisch, Leon de Winter, J.J. Voskuil, Adriaan van Dis, Thomas Rosenboom, de suspense van A.C. Baantjer en de joligheid van Youp. Boeken van heel verschillende auteurs die om verschillende redenen hun weg naar een groot publiek vonden. Die romans verkochten ook omdat de schrijver een publiek oeuvregewijs in z’n greep hield, vaak sinds een door de kritiek geprezen debuut.

Tegenwoordig hebben we te maken met de komeetinslag van de glamour en het grote, zeer grote geld in de literatuur. Schrijvers als Heleen van Royen, Saskia Noort, Kluun en Herman Koch braken door, niet omdat ze de roman van de eeuw of van hun generatie schreven, maar omdat hun boeken spectaculaire verkoopcijfers hebben. Zodanig dat ze hun levens radicaal konden veranderen. Materialistische dromen gingen in vervulling; hoe vaak ik nu al niet over Herman Kochs zwarte Jaguar XF 3.0 Diesel S heb gelezen in interviews. Het favoriete onderwerp bij zulke media-aandacht voor deze schrijvers is: wat heeft het geld en het Bekende Nederlanderschap met je gedaan?

Tegenwoordig ook worden die topzoveellijsten gedomineerd door polderthrillers – Nederlands fabrikaat. Moord en bloed van eigen bodem, goed voor NS Publieksprijzen en ongekende kassuccessen. En ja, ook die vallen onder de noemer feelgood. Er gebeuren wetteloze dingen in die boeken, maar verontrustend wordt het zelden. Er is vaak een gehavende hoofdpersoon (die soms samenvalt met de rechercheur) die gelouterd de eindstreep haalt. Er is de Boer zoekt Vrouw-herkenbaarheid van de kleine, vertrouwde verlangens en van de afstraffing van (on-Nederlandse) hoogmoed. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, niet?

Nóg een soort boek dat uitzinnig over de toonbank schiet: de roman van de allochtoon die alle kleinburgerlijke verwachtingen over de allochtoon waarmaakt. Daar heeft vooral Boekenweekgeschenkschrijver Kader Abdolah patent op. De zegetocht van zijn roman Het huis van de moskee, doorgedrongen tot leeskringen deepdown Nederland, getuigt van een bovenmatige belangstelling voor zijn manier van schrijven. Of moet ik geloven dat al die lezers daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in de Iraanse revolutie, de opkomst van Khomeini, de theocratie, de betekenis ervan voor de wereldpolitiek en de onbeheersbaarheid van haar willekeurige geweldsdreiging? Welnee, die mensen willen lezen over een lot dat heftig treft en knecht, en hoe alsnog met zo’n juk te leven. Ze willen lezen over iets dat ook veel erger is dan de malheur die zich in hun eigen leven kan voordoen. Abdolahs romaneske bewerking van de ontstellende Iraanse werkelijkheid grossiert in clichés en gemiste kansen om die gruwel in onbehaaglijke romanstof om te zetten. Maar het publiek hápt weg, want de wrange geschiedenis wordt al met al comfortabel voorgezet.

Abdolah ging verder op dit literair heilloze maar lucratieve pad; hij herschreef zelfs de Koran tot een minzame, van legio geweldsoproepen ontdane lightversie voor het onmohammedaanse miljoenenpubliek. Over het waarom van de publieke belangstelling voor Abdolahs islampopularisering hoeven we ons geen illusies te maken. Die komt niet voort uit werkelijke interesse voor de complexiteit van de islam. Eerder heeft die van doen met de behoefte iets onvatbaars als de islam te reduceren tot een vriendelijk verhaal dat lijkt op alles wat we leuk en acceptabel vinden. Feelgoodreligie, comfortabel toeristisch bliksembezoek. Even tijdens de georganiseerde reis op theevisite bij de bedoeïenen in de woestijn, zonder maar een idee te hebben wie die mensen zijn, waar ze vandaan komen en naartoe gaan in de geschiedenis van Noord-Afrika.

Stél nu eens dat de verbeelding rond de islam op een andere, overrompelende manier de weg naar de literatuur zou vinden. Stel dat de moordenaar van Theo van Gogh – of een schrijver die zich verplaatst in zo’n fanatiek personage – een roman zou schrijven waarin hij de rauwheid van zijn persoonlijke religieuze wanen gedreven en verontrustend zou verbeelden, ver van elke generalisering, dicht bij de ongrijpbare, angstwekkende, zelfs walging oproepende woekering in eigen ziel en hoofd? Dan zou zo’n literair kleinood dat juist tegen de behaagzucht indruist, door het miljoenenpubliek al op pagina 10 terzijde worden geschoven als naargeestig, eng, ‘onbehapbaar’.

Vermoedelijk zou er ook een discussie ontstaan over het morele gehalte van zo’n boek en of de uitgever ervan nu wel of niet deugt. De opgeheven vinger van moralisten, politiek correcten, zedenprekers en rabiate feministes die nimmer zonder genderbril lezen, waakt over ons: hun stemmen worden juist krachtiger en brutaler naarmate de literatuur zelf moralistischer en clichématiger de strijd tussen vermeend goed en kwaad verbeeldt. Ook dat is een nadeel van het simplisme waar de feelgoodliteratuur ons mee opzadelt: de slapende honden van de kleinburgerlijke moraal worden wakker en slaan aan over domeinen waar ze niks van weten en willen weten: de kunst.

Wie denkt dat staatssecretaris Halbe Zijlstra, met z’n eveneens naargeestige en verarmende opvatting dat commercieel succes het enige kwaliteitscriterium is voor kunst, intellectueel en kunstminnend Nederland de genadeslag toebrengt, vergist zich. Zijlstra kan bij de volgende (vervroegde) verkiezingen passé zijn. Maar de zedenprekers, de censors in naam van fatsoen, moraal en sociale correctheid blijven en menen te kunnen oordelen en veroordelen. Dicht bij huis overkwam het Robert Vuijsje, die met vooroordelen, clichés en werkelijkheid in multi-etnisch Amsterdam speelde in zijn bekroonde debuutroman Alleen maar nette mensen. Hij heeft het geweten. Hoon, verontwaardiging, gekrijs waren zijn deel, en bovenal: gekwek over hoe hij niet mag denken, niet mag (be)schrijven, zelfs niet mag liefhebben.

Iets verder weg, in Frankrijk, speelde vorige maand een even bezopen discussie over Louis-Ferdinand Céline, een reeds lang geleden overleden schrijver die nog steeds zo onbehaaglijk is door zijn virulent antisemitisme, dat het teleurstellende antwoord van degenen die zich (terecht) onbehaaglijk voelen is: we herdenken hem niet – excommunicatie als pauperbrief. In beide gevallen, Vuijsje en Céline, is de uitkomst dezelfde: literatuur gereduceerd tot de speeltuin waar de kleuterjuf of diversiteitsambtenaar onverbiddelijke regels stelt en waakt over correcte naleving. Het moet gezellig blijven, tenslotte.

Fraaie literaire banen

Wat doet Herman Koch in deze context, zal de oplettende lezer zich afvragen. Auteur van de net verschenen literaire thriller Zomerhuis met zwembad, een boek dat ik onlangs in dit blad besprak als een schoolvoorbeeld van spannend proza en met plezier vier sterren toewierp. Koch staat symbool voor de goede, tot nu toe met elke roman naar vernieuwing strevende schrijver die de verleiding van de feelgoodthriller niet kan weerstaan. Is dat een slechte zaak voor de literatuur? Ja en nee. Nee, omdat zijn talent de feelgoodmode in fraaie literaire banen leidt. Hij tilt het naar een ander niveau dan enkel comfortabel entertainment en geeft het zelfs een politieke lading. Zijn hoofdpersoon is een man die moordt vanuit het oerinstinct om zijn gezin te beschermen; hij zoekt vergelding voor het seksueel molest dat zijn dochter is aangedaan. Als personage is hij verontrustend genoeg om buiten onze platgetreden familielevenspaden te treden. Maar Koch bedt hem in in een beschermende cocon van verklaringen, uitleg, excuses, veranderende moraal, verzachtende omstandigheden door een noodsituatie, blinde roep van de oerinstincten, de goedkeuring van zijn academische leermeester. Kortom, Koch trekt alles uit de kast om z’n personage juist ‘behapbaar’ te maken. Literair spannend, vermakelijk, slim bedacht en uitgevoerd, maar intellectueel geenszins een krachttoer.

Een verdienste van Zomerhuis met zwembad is dat Koch daarin slaagt het populistische onbehagen, het verlangen naar eigenrichting, het onderbuikgevoel van de macho, een vorm te geven in feelgoodproza, en als zodanig een stem, een uitingsvorm te creëren voor het grote publiek. Uit sociologisch oogpunt interessant. Bij Koch is de feelgood wellicht in de beste literaire thrillerhanden van dit moment. Maar ja, de Nederlandse literatuur zou wel tekortkomen indien Koch nog slechts thrillers zou blijven schrijven, als hij zijn verbeelding en literair essayerend vermogen slechts in dienst zou stellen van de verwachting van het publiek dat hem z’n innig verlangde Jaguar bezorgde. Wat als ook P.F. Thomése, Cees Nooteboom, Margriet de Moor, Mensje van Keulen (die zou het nog kunnen ook – en hoe!), Thomas Rosenboom, Peter Terrin en Hafid Bouazza op het onzalige idee zouden komen polder- of grachtengordel- of kunstmilieu- of boekenbranchethrillers te schrijven? Stel dat ze zouden luisteren naar de zoete lokroep van het succes in plaats van naar de vaak intimiderende, dwingerige, zelden tevreden te stellen innerlijke stem die doet voortdrijven naar volgende boeken, naar thema’s die ze hebben laten liggen, onbehagen dat nog niet afdoende uitgediept en verbeeld is, gevoelens, glimpen van een romanidee, onverwerkte resten uit andere boeken, al dat wat broeit en gist en op zeker moment de buitendeur opentrapt en het oeuvre verrijkt?

Het zou een ramp zijn. Het zou de onvoorspelbare koers van de literatuur afbreken, de flow waarin de een grillig experimenteert en de ander met elk boek tuchtig steen op steen legt onderweg naar de piramidetop. Het zou ook de verlangens afremmen om het ondoorgrondelijke te doorgronden. Het zou het literaire waagstuk in verdachte reuk stellen, als blijk van geringe ambachtelijkheid. Het zou de ambitieuze roman die zich alleen gekweld laat schrijven en evenzeer moeilijk laat lezen, bestempelen tot wangedrag van een asociale schrijver. Het zou alle authenticiteit, alle schuring, alle worsteling, alle plezier in het niet beantwoorden van vragen en in het vergroten van mysteries verkleinen en zelfs kleineren, wellicht op een zijspoor zetten.

Schetst al dit bovengenoemde de intellectuele pendant van de feelgood-spielerei: literatuur die per definitie feelbad zou moeten zijn? Niet per se, veel gradaties zijn mogelijk. Maar goede literatuur slaagt er altijd in ontreddering, onbehagen, vertwijfeling, pijn, worsteling en verval te tonen, bitter zoals die kan zijn, zonder de verzachtende coating van het sprookje. Het is aan de lezers en de uitgevers om het verlangen naar het ene – kassarinkelende feelgood – niet ten koste te laten gaan van het andere: avontuurlijke winkeldochter. Het ene: behaaglijke levenslessen. Het andere: proza dat ons dichter brengt bij het verontrustende woeden van de wereld. Het ene stilt, doeltreffend als een hapklare snack, het hongergevoel. Het andere doet je die banale honger vergeten, ontstijgen, in een duizelingwekkende roes.