Terwijl de reacties en opinies over de aanslag in Parijs over elkaar heen buitelden, kreeg ik een bericht van mijn Iraakse vriendin Ward. In Baltimore, waar ze sinds een paar jaar woont, treurde ze om de slachtoffers in haar favoriete Europese land. Maar er doken ook herinneringen op aan terreur die ze zelf meemaakte.
Het was april 2004. Onder haar zwarte haar stonden Wards levendige ogen ontdaan. Ze had zojuist foto’s gezien van de martelingen van Iraakse gedetineerden in Abu Ghraib. Ze moest de neiging om te kokhalzen bedwingen.
Ward, van origine apothekeres, werkte na de val van Saddams bewind in 2003 voor de Amerikaanse Raad die tijdelijk het land bestuurde. Al had ze haar bedenkingen over de buitenlandse aanwezigheid, ze wilde niet zoals veel van haar kennissen klagend aan de zijlijn staan. Ze was bovendien grootgebracht met een affectie voor de VS. Haar vader was de eerste Irakees die er zijn doctorsgraad behaalde.
Maar die dag in april meldde Ward zich ziek. Toen ze daarna weer op kantoor verscheen, bekeek ze de Amerikaanse collega’s met wie ze het tot die tijd goed had kunnen vinden, met argwaan. Wie van hen had geweten van de folteringen? Kort daarna nam ze ontslag.
De wandaden in Abu Ghraib waren geen uitzondering. Irak was een bezet land waar in theorie de buitenlandse macht aan banden lag, maar in de praktijk steeds grotere wetteloosheid, chaos en graaizucht heersten. Inmiddels opereerden er meer private beveiligers dan reguliere troepen en die hoefden zich, anders dan soldaten, niet te houden aan officiële geweldsinstructies. Met tienduizenden vormden ze een ware terreur zoals ze in zware konvooien door het land scheurden. Met hun geweren naar buiten gericht, schreeuwden ze commando’s en wie niet onmiddellijk gehoorzaamde kon een schot verwachten. Pas in 2007, toen zeventien burgers onder wie vrouwen en kinderen door medewerkers van Blackwater werden vermoord, kwam voor het voetlicht dat deze Rambo’s vaak burgerslachtoffers maakten. Tegen die wetteloze achtergrond begonnen de principes van vrijheid en democratie van die buitenlandse mogendheden, Ward steeds holler in de oren te klinken.
Toen Ward als wereldse, hoogopgeleide vrouw Bagdad moest verlaten, kon ze na een illegaal bestaan in Jordanië nergens anders dan in Amerika terecht. Ze vertrok in 2008 met gemengde gevoelens, omdat ze in de loop der jaren een afkeer van Amerikanen had gekregen. Ze vond het ironisch dat het zo gelopen was. Als meisje was het haar droom geweest er net als haar vader te studeren.
Het gaat haar goed in het nieuwe bestaan. Haar aversie is geluwd en ze waardeert haar vrije, veilige leven. Toch blijven er momenten dat het wrikt tussen haar en een deel van haar kennissenkring. Wat die als een gerechtvaardigde strijd tegen het terrorisme beschouwen, is voor haar een conflict dat ook westerse terreur over burgers afroept.
Ik kreeg ook een e-mail van mijn Afghaanse vriend Habib, een zachtmoedige dromer die sinds kort in de VS studeert. Net als Ward denkt hij dezer dagen aan het lokale prijskaartje van de War on Terror die hij van dichtbij meemaakte. Als journalist onderzocht hij onder andere hoeveel dood en verderf de inzet van drones onder onschuldige burgers zaait.
Allahu akbar, riepen de daders toen ze hun gruwelijke aanslag uitvoerden. Daarmee richt de discussie zich onvermijdelijk op het verband tussen terrorisme en de – radicale – islam. Wie nu vragen stelt over mogelijke sociale, economische en of persoonlijke factoren die de daders wellicht dreven, wordt als te politiek correct weggezet. Ook wat Ward en Habib betreft komen die vragen nu op het tweede plan, al zijn ze wel noodzakelijk. Bij hen overheerst het bittere besef dat wij voor sommige slachtoffers van terreur massaal de straat op gaan, terwijl we voor anderen wier aantallen vele malen groter zijn, geen stap verzetten.
illustratie Bas van der Schot
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.