Interview
1. Grinnik om jezelf
‘In mijn werk combineer ik het vluchtige van het medium televisie met het inhoudelijke van religie. Het zijn beide risicogebieden, in die zin dat het wereldjes op zichzelf zijn, waarin arrogantie, zelfgenoegzaamheid, in je eigen werkelijkheid opgesloten raken op de loer liggen. Daar wil ik tegenwicht aan bieden door gewoon onder mensen in het echte leven te verkeren, en vooral door af en toe om mezelf te grinniken. Ik ben niet de spil waar het in deze wereld om draait. Het is belangrijk me dat te blijven realiseren.’
2. Blijf bij de inhoud
‘Eén jaar ben ik dominee geweest. Ik was begin dertig, afgestudeerd in de theologie en dacht dat het voor de hand lag dat ik ook die kant opging – mijn vader is predikant. Het was geen gelukkig jaar. Ik wilde eigenlijk de wijde wereld in, en had het gevoel dat ik het tegenovergestelde deed: me opsluiten in een kerk, in het systeem van de godsdienst. Toen ik het jaar daarna de preekprijs won, gaf het me een kick dat juist met datgene waarvan ik institutioneel afscheid had genomen, mijn opmars door Nederland begon. Het past ook bij me: elementen uit de traditie lichten en daar iets nieuws mee doen, iets wat aansluit bij deze tijd. In deze ‘gekantelde’ vorm ben ik me ook altijd en met veel plezier bezig blijven houden met religie, zingeving en levensbeschouwing, juist ook via televisie. Het is bij inhoud gebleven – ook al gaat het in de televisiewereld zeker ook om vorm en uiterlijkheid. Maar er is niks mis met een mooie verpakking. Zoals een docent altijd al zei: de geest doet het werk, maar je hoeft haar niet voor de voeten te lopen.’
3. Word met de jaren jonger
‘Als ik aan mijn jeugd denk, is Indonesië het eerste wat bovenkomt. We woonden er vanaf mijn zesde tot mijn dertiende. Mijn vader werkte er voor de zending. Als de oudste van vier dochters voelde ik me verantwoordelijk voor het welslagen van dit buitenlandse avontuur. Gek, maar in mijn hoofd echt waar: drie om drie, mijn ouders en ik aan de ene kant, mijn zusjes aan de andere. Ik voelde me groot en belangrijk, het kinderlijke en argeloze waren weg. Ik zou wel zorgen dat het goed ging. Nu is die zwaarte eraf. Tijdens mijn studie ontdekte ik dat ik ook gekke kanten heb, lol kan maken, was ik ineens de gangmaker in plaats van dat stille meisje dat niet rookte en niet cool was. Eigenlijk ben ik steeds jonger geworden, met de jaren.’
4. Kies voor het leven dat je hebt
‘Ik heb nu meer een thuis dan ik zes jaar geleden had, vóór de komst van onze zoon. Ik woonde altijd een beetje vaag, half samen met mijn vriend – die nu mijn man is – half in mijn eigen huis. Ik was innerlijk aan het zwerven. Nu is het helder. We zijn samen, hebben een kind en een adres. Hoewel ik heb gekozen voor het leven dat ik in potentie eigenlijk al had, is het toch een ander leven geworden, omdat ik het bewuster meemaak. Kiezen voor elkaar is anders dan denken: laat maar, we zien wel, het komt wel goed. En ik zie nu pas hoeveel energie het kost om ergens niet mee bezig te zijn.’
5. Je kunt meer doen als je een kind hebt
‘Het was voor mij goed dat ik al wat ouder was toen ik een kind kreeg. De komst van Jacco heeft een grote kentering teweeggebracht in mijn leven en in hoe ik in het leven sta. Daar ben ik dankbaar voor. Ik heb lang genoeg alles kunnen doen en onderzoeken wat ik wilde. Vaak hoor je: met een kind kun je zo veel niet meer. Maar ik ervaar het tegenovergestelde, er is heel veel juist wel. Ik kon, toen hij pas geboren was, bijvoorbeeld blij worden van naar de Hema lopen met de kinderwagen. Het leven is anders nu, en dat is goed. In De appel, een boekje van Dick Bruna, laat een torenhaantje een appel meevliegen op zijn rug, zodat die ook eens kan zien wat mensen doen. “Weet je nog hoe leuk het was,” roept het appeltje als hij de volgende dag weer in het gras ligt. Dat raakt me. Dat wil ik kunnen zeggen, aan het eind van mijn leven, zeker tegen Jacco.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.