Haar theaterstuk ‘Nobody Home’, gemaakt door en over vluchtelingen, was vorige maand te zien in het DeLaMar Theater, tijdens een benefietavond voor VluchtelingenWerk. Vrij Nederland liep mee met regisseur Daria Bukvić. ‘Als politici framen, dan mag ik terugframen.’

‘Het is in zekere zin natuurlijk gemakkelijk scoren vanavond,’ zegt Daria Bukvić. Ze zit aan de bar van café De Smoeshaan, aan de achterkant van het uitverkochte DeLaMar Theater waar vanavond haar voorstelling Nobody Home nog een keer is te zien in het kader van een vluchtelingenbenefiet. De drie acteurs van de voorstelling, net als Bukvić kinderen van vluchtelingen en afkomstig van de Toneelschool in Maastricht, zitten boven nog aan tafel. Ze verduidelijkt: ‘Mensen die betalen voor een benefietavond voor VluchtelingenWerk, die hoef je niet meer voor je te winnen. Dus ik heb niet de illusie dat we vanavond mensen nieuwe, grote inzichten geven. Tijdens onze tournee gaat dat hopelijk wel gebeuren. De momenten waarop het moeilijk wordt voor de acteurs. Waarop we het ongemak echt aanraken.’

Net uit de fucking oorlog

In 2014 mocht theatermaakster Daria Bukvić (Tuzla, 1989) een speech houden op het Lowlands-festival. Ze vertelde over een voorstelling die toen in haar hoofd zat. ‘Ik sprak de naïeve, pas afgestudeerde hoop uit dat ik met die voorstelling een sneeuwbal kon gooien die in een lawine zou veranderen.’

Dat idee kreeg ze toen ze in Limburg door het bos fietste. ‘Ik kwam langs een bankje waarop drie jongen zaten. Een beetje verveeld, in trainingspakken: het clichébeeld van asielzoekers. Ik fietste er langs, en toen deed ik dit.’ Bukvić kijkt weg. ‘Na een tijdje stopte ik met fietsen, hield stil en dacht na over wat er zojuist was gebeurd. Hoe kon dat nou? Hoe kon ik mijn blik afwenden? Als ik als lotgenote hen al wil negeren, hun aanblik te pijnlijk vind voor mijn rijke gelukkige leven, hoe kan ik dan van mijn mede-Nederlanders verwachten dat ze begrip hebben voor iets dat ze niet begrijpen? Terwijl ik weet hoe belangrijk het is als iemand ogenschijnlijk kleine maar in werkelijkheid grote dingen voor je doet. Als mensen me vragen wat ze kunnen doen voor vluchtelingen, zeg ik: het allerbeste wat je kunt doen, is iemand verwelkomen. Mijn moeder en ik kwamen terecht in een dorp dat nog nooit allochtonen had gezien, bij mensen die niet voorbereid waren op onze komst en er ook niet echt op zaten te wachten. Eén vrouw uit een dorp verderop kwam ons cake brengen en leerde ons ganzenborden. Dat heeft zo ongelooflijk veel voor ons betekend. Kleine gebaren kunnen een enorme impact hebben. Dat is bepaald geen grote wijsheid, maar toch vergeten we dat heel vaak. Dus schrok ik ervan: ben ik zo non-empathisch geworden dat ik mijn blik afwend?’

Ze weet: ook drie Néderlandse mannen op een bankje was ze wellicht snel voorbij gefietst. ‘Ik ben een product van de Limburgse Marc Dutroux-generatie: die meisjes zijn allemaal overbeschermd opgevoed. Als ik weekblad De Trompetter bezorgde op mijn fiets, reed mijn moeder in haar autootje stapvoets achter me aan, bang dat ik ontvoerd zou worden. Net uit de fucking oorlog, twee jaar in een azc gezeten, was daar ineens Dutroux. Ik fiets ’s avonds in Amsterdam nog steeds het liefst over het midden van de weg, zo ver mogelijk van alle geparkeerde auto’s. Dus nee, ook bij Nederlandse mannen was ik niet afgestapt. Maar de pijn zit hem meer in het feit dat ik mijn blik van ze afwendde, zoals je dat soms ook doet bij zwervers. Mensen met wie ik me niet meer kon identificeren.’

Advertentie

Advertentie

Als wij dat stuk niet maken, wie gaat het dan doen?

Ze nodigde studiegenoten Majd Mardo (Aleppo, 1989), Vanja Rukavina (Sarajevo, 1989) en Saman Amini (Teheran, 1989) bij haar thuis in Maastricht uit. Rukavina zat in hetzelfde jaar als Bukvić. ‘We waren elkaars spiegels: de jongsten van ons jaar, en de eerste twee Bosnische kinderen op deze opleiding.’ Ze zei: ‘Ik heb een plan. We gaan een komische, supertoffe voorstelling maken waarin we het hele vluchtelingenprobleem laten zien vanuit onszelf als bijna-tweede generatie, en vanuit onze ouders. Ik ga het regisseren, jullie gaan het spelen.’ Veel overtuigingskracht had ze niet nodig. Haar finale argument was onweerlegbaar: ‘Als wij het niet maken, wie gaat het dan doen?’ Bukvić: ‘We waren alle vier vijfentwintig, het azc lag lang genoeg achter ons: we hadden het inmiddels allemaal wel verwerkt en voldoende afstand. Dachten we. Maar half vergeten is nog lang niet verwérkt.’

Eerst gingen ze langs bij alle vier hun ouders. Om ze te interviewen, en een maaltijd uit het land van herkomst te nuttigen. ‘Verwennerij ten top, en tegelijk superzwaar. Tijdens het eten hielden we het gezellig. Daarna op de bank, met een kop thee, praatten we uren lang. Waar bent u geboren? Beschrijf de omgeving eens. Tot aan: wanneer merkte u dat het onveilig werd? Wanneer besloot u te vluchten? Wat pakte u toen in?’ Tijdens de eerste try-out eindigde de voorstelling nog met een van die geluidsopnamen. ‘Om de werkelijke wereld weer toe te laten. Maar dat was niet nodig. Wij zíjn de werkelijke wereld.’

Een paar weken later, in de zomer, reden ze met z’n vieren naar Texel, om daar in een bungalow verder te brainstormen. ‘We namen de verkeerde afslag en moesten eerst de hele Afsluitdijk afrijden. Vier asielzoekers op weg naar Texel die verdwaald raken: het cliché voorbij.’

Hele dagen vulden ze met praten over elkaars verhalen en de voorstelling. ‘En al die andere mensen in het bungalowpark maar denken: wat zijn dat voor rare Turken met een Oostbloksletje?’ Ze lacht. En zegt iets later: ‘Dat weet ik eigenlijk helemaal niet, of ze dat dachten. Nu plak ik zélf een vooroordeel op andere mensen.’

OE VEE VEE

Het is bijna zeven uur. Daria Bukvić zit op een theaterstoel, de acteurs staan zich op het toneel warm te spelen. Er staan stoelen op het podium, van hard oranje-rood plastic met een gat bij de onderrug. Bukvić: ‘Iedereen die ooit in een azc is geweest, kent die stoelen.’ Ze heeft vaak de vraag gekregen of ze de voorstelling ook in een azc wil spelen. ‘Waarom? Om die mensen te vertellen wat ze zelf meemaken?’

Majd Mardo kijkt nog eens goed naar het grote podium. Hij grinnikt: ‘Zijn wij de eerste vluchtelingen op dit podium? Of zijn we alleen maar de eerste voorstelling met een startbudget van tienduizend euro?’

Saman Amini zingt achter de piano een lied waarin hij het normaal over ‘kankerpijn’ heeft. Nu niet, nu alleen over pijn. Bukvić, vanuit de zaal: ‘Waarom bliep je je “kankerpijn” nu?’ Amini, vanaf het podium: ‘Vanavond komen ook veel oudere mensen, toch? Dan vind ik het niet zo toepasselijk.’ ‘Dat zou je dan van de hele voorstelling kunnen zeggen. Ik heb geen probleem met “kankerpijn”.’ ‘Ik weet niet. Als ik zo’n woord gebruik in deze zaal, voel ik me echt een matige ganstarapper.’

Bukvić schiet in de lach. Ze zegt: ‘Nobody Home draait ook heel erg om taal. In de eindmonoloog zit een zinnetje van een eerste generatie vluchteling: ‘Je begrijpt mij wel, maar dat ben ik niet.’ Dat moest voor mij echt de kern worden. Als ik bij mijn vader op bezoek ben en ik heel veel aan het woord ben, kan hij soms opeens met tranen in zijn ogen zitten. Dan zegt hij: “Jij bent de meester van de taal, en daar ben ik zo jaloers op.” Mijn vader is jurist, maar hier spreekt hij daarvoor de taal niet goed genoeg. Hij werkt bij het UWV, maar kan UWV niet eens goed uitspreken. Oe Vee Vee. En dat zegt hij dan ook: de macht van het woord, die zal ik nooit meer bezitten in het land waar ik woon. Dat herkennen we in meer of mindere mate alle vier, want bijna al onze ouders komen uit een intelligent milieu. Besef je wat het mensen doet in eigenwaarde, wanneer je niet de volledige controle over de taal hebt? Voor talige mensen is dat een heel pijnlijk onderwerp.’

We gaan toch terug

Ze leerden alle vier veel over hun ouders door de interviews die ze voor de voorstelling hielden. Net als Amini vluchtte Bukvić samen met haar moeder en kwam haar vader later naar Nederland. ‘Eerst vluchtten we naar Zagreb. Ik was toen drie. We zouden daar blijven tot het gerommel voorbij was, maar het werd alleen maar erger. We hebben daarna nog een half jaar in een vluchtelingenkamp in Split gezeten. Daar kwam mijn vader ons opzoeken en vertellen dat hij ons niet mee terug kon nemen, omdat de situatie inmiddels dramatisch was. Er waren twee opties: Maleisië en Nederland. Vraag me niet waarom, volgens mij hadden Maleisië en Bosnië een soort stedenband op landenniveau. Nederland dus, zei mij moeder, want dan konden we sneller terug. We gingen immers terug, daar was ze van overtuigd. Toen we op een gegeven moment een A-status kregen, zei ze ook: die hoef ik niet, we gaan toch terug. Mijn vader heeft haar gebeld: dat papiertje neem je aan, want hier gaat het helemaal mis. Hij paste op onze familie en bezittingen. Toen hij eenmaal ook wilde komen, waren de grenzen net gesloten. Pas na anderhalf jaar gingen ze weer open. In de tweede bus die toen vertrok, zat hij al.

Foto: Jeroen Hofman

Het eerste jaar in Roermond was dat azc voor mij een speelparadijs. Het voelde als een vakantie, maar dan een heel lange. Ik had er twee beste vriendjes die er ook alleen met hun moeder waren, een meisje en een jongetje. Na een jaar stierf zijn vader, drie maanden later die van haar. De logische reactie was dat ik vanaf dat moment dacht dat mijn vader ook ging sterven. Ook omdat de paar mannen die er wél zaten, geamputeerde armen of benen hadden en ’s nachts schreeuwden in hun slaap. Mijn moeder kon ook nauwelijks contact meer met mijn vader krijgen: brieven kwamen maanden later aan, telefoonlijnen waren doorgesneden.’

Toen ze jaren later als puber een bijbaantje kreeg in het net geopende Designer Outlet in Roermond, liep ze in de lunchpauze naar de McDonald’s op het terrein. En opeens realiseerde ze het zich: hier was vroeger het azc. ‘Ik liep de Mac binnen, en besefte dat precies dit de plek was waar wij vroeger onze voedselbonnen ophaalden.’

Haar ouders wonen nog steeds in de omgeving. Na honderd sollicitatiebrieven (‘Waarvan hij op 98 geen antwoord kreeg en op 1 een afwijzing’) kreeg haar vader een uitnodiging bij Rockwool, waar destijds een Melkertbaan beschikbaar kwam. ‘Hij werd de assistent van een van de managers. Die man had eigenlijk niets aan hem, want hij sprak de taal niet. Maar hij liet mijn vader cursussen volgen, en notulen van de vergaderingen maken om de taal te leren. Ik weet hoe er tegenwoordig in sommige kringen over Melkertbanen wordt gesproken, maar die baan heeft álles voor mijn vader betekend. Het feit dat hij werk had en een inkomen, zorgde voor zoveel rust in ons huis. En mijn broertje en ik hoefden niet meer naar het Rode Kruis voor onze kleding.’ Wanneer ze praat over haar ouders, en dat doet Bukvić vaak, wordt ze hoorbaar en zichtbaar emotioneel. Fel: ‘Mijn ouders zijn de grootste helden die je je kunt voorstellen. Ze hebben het voor elkaar gekregen om uit het huwelijk van een Bosnische moslima en een Kroatische katholiek – alle vier termen die er voor de oorlog volstrekt niet toe deden – na twee jaar van elkaar gescheiden te zijn geweest, een nieuw leven op te bouwen samen met mijn in ons eerste huis geboren, dus ongetwijfeld in het azc verwekte, broertje, en ons daar vervolgens níéts van te laten merken. Mijn respect voor mijn ouders is onbenoembaar groot. Ons allebei in die omstandigheden stabiel en mentaal gezond door een fijne jeugd leiden: dan kun je toch niet anders dan ze eren in een voorstelling? Het had maar iets anders hoeven lopen of ík had voor me uit zitten staren op dat bankje in het bos.’

Mijn ouders zijn de grootste helden die je je kunt voorstellen.

Gebedjes uit de scheurkalender

De zaal gaat open, het publiek stroomt binnen. Bukvićs zenuwen vallen vandaag nog wel mee, zegt ze. ‘Ik moet vaker plassen, en straks vast nog een keer net niet overgeven, en ik heb een kalmeringspilletje geslikt. Maar verder gaat het prima.’

Ze heeft met zichzelf de afspraak gemaakt, zegt ze, dat al haar werk ‘een bepaalde onvermijdelijkheid in zich moet dragen’. Dat heeft niets te maken met de wereld willen verbeteren. ‘Maar wel met het feit dat ik me heel bewust ben van de maatschappij waarin we leven, en ik kan mijn vak niet uitoefenen zonder daar heel direct op te reflecteren. Als je puur een estheet bent, kun je wellicht je genoegdoening halen uit een gedicht uit 1783, opgevoerd door zestig kinderen met wapperende vlaggen. Zo’n kunstenaar ben ik niet: ik kan niet anders dan werk maken dat te maken heeft met de wereld om me heen. Ik neem mijn werk heel serieus en mijn menszijn daarin ook. Als politici framen, dan mag ik terugframen, met positiviteit.’

Haar vriend is 39. Dat is geen detail. Aarzelend: ‘Ik vind het moeilijk om relaties te hebben met leeftijdsgenoten, deels omdat ze te weinig weten van het conflict in Bosnië. Mensen van mijn leeftijd waren nog een kind toen dat gebeurde, dus ik kan het ze niet kwalijk nemen, maar het doet er voor mij toe. En je kunt zeggen: dat kun je toch opzoeken op Wikipedia? Maar dat is echt anders. Van de Vietnamoorlog heb ik geen enkel beeld, en daar kan ik me met terugwerkende kracht ook niets bij voorstellen. Mijn vriend kwam thuis uit school en zag die beelden op televisie. Hij wist: dit speelt zich heel dichtbij af en ik kan er niks aan doen. Als mijn vriend tegen mij zegt: “Ik voelde me toen zo machteloos,” voel ik me begrepen. Ik ben twee keer onder een verkeersboete uitgekomen, een voor fietsen zonder licht, een keer voor fietsen door rood, omdat de politieagent mijn ID vroeg, Tuzla zag staan en toen glinsterende ogen kreeg. Toen wist ik meteen: een politieagent die in Bosnië heeft gediend.’

Tegelijk weet ze: ze is 26. Nu wil ze de wereld beschouwen in haar theater, de wereld van haarzelf, maar alles kan nog veranderen. Lachend: ‘Want ik wil zeker nog een keer Jesus Christ Superstar regisseren.’

Geboren in Limburg immers, die fascinatie voor theater. Waar anders dan in de kerk. ‘Ik zat op een rooms-katholieke basisschool omdat die op loopafstand was. We gingen bijna iedere week met de klas naar de kerk, kregen elke dag gebedjes uit de scheurkalender. Het glas in lood, de liederen: dat waren mijn eerste grote kunstzinnige belevenissen. Ik smeekte mijn moeder om communie te mogen doen. De pastoor bleef haar zelfs bellen om te vragen of Daria, die werkelijk alle liedjes uit haar hoofd kende, toch alsjeblieft die communie mocht. En mijn moeder maar weer uitleggen dat ze als moslim uit een socialistisch systeem kwam waarin religie er niet toe deed en ze niet eens wíst of haar man eigenlijk een Serviër of een Kroaat was, en dat dat land inmiddels was verscheurd door met name religieuze en etnische conflicten, en dat ze het haar socialistische familie niet kon uitleggen dat ze dan eenmaal in Nederland haar kind alsnog zou dopen. Uiteindelijk gaf die vent het maar op. Toen ik eenmaal het theater had ontdekt, zag ik dat er ook een kerk is waar eveneens rituelen bestaan en verhalen worden verteld, maar dan zonder je te vertellen hoe je moet leven. Theater is de kerk van de seculiere mens. Dat was een oppermachtige ervaring.’

Haar ouders zijn er vanavond niet, die hebben de voorstelling al lang gezien. Ze waren trots. Het is een ingewikkelde relatie, die tussen haar werk en haar ouders. ‘Mijn ouders hebben nooit iets tegen me gezegd als: ik heb alles verlaten, mijn carrière opgegeven, mijn vrienden en familie in de steek gelaten om jou een beter leven te geven. Nooit hebben ze dat gezegd. Maar dat hoeft ook niet, want ik weet dat. Het blijkt al uit de banen die mijn moeder, een van de meest intelligente mensen die ik ken, hier heeft gehad: schoonmaken en wraps vouwen in een tortillafabriek. Mijn grote motor is mijn eeuwige schuldgevoel naar mijn ouders. En mijn moeder heeft inmiddels al vaak gezegd: je broertje en jij hebben onze komst naar dit land al lang de moeite waard gemaakt, leef nu voor jezelf. Maar wij zijn ons alle vier hyperbewust van de kans die we hebben gekregen. Daarom doen we zo ons best, daarom is onze ambitie allesverslindend. Daarom zeggen we in de voorstelling: “We hebben geen kans, maar we grijpen hem”.’

Zien? Kijk op nobodyhome.nl.