De brievenrubriek achterop de VPRO-gids houdt op. Online wilde het niet lukken. Schiet me neer, maar iets zegt me dat de brief de ziel was van de achterflap. Wie zijn woorden letterlijk op papier zet, slaakt een hartekreet.

Vroeger viel de VPRO-gids bij ons in de brievenbus. Ik kon ‘m horen vallen, zo diep in de bus dat de rand rode striemen onder mijn oksel achterliet als ik de gids eruit hengelde. Het was het waard.

Op de achterkant van de gids las ik dat ik niet de enige was. Er waren ook anderen met een stomme achternaam, met een rare vader, raar haar, cavia’s (dood door schuld), en die, net als ik, een lullige walkman voor hun verjaardag kregen terwijl ze toch echt om een discman hadden gevraagd. De anderen hadden zelfs problemen die groter waren dan de mijne: ze werden gepest, dachten na over zelfmoord, sneden in zichzelf, waren te dik, te dun of fan van iets, bang voor aids, kanker en oorlog, hadden Anorexia, en ouders die ziek waren, scheidden of verhuisden. Als ik Achterwerk uit had, wist ik dat ik niet de enige was die dacht de enige te zijn.

‘Laat ik maar heel eerlijk zijn: als het zo doorgaat haalt Achterwerk de Kerst niet’, schreef de redactie in 2014. ‘Moet Achterwerk veranderen?’

Nee, dacht ik toen. Nee, nee, nee! Ik schreef zelf nooit, dat durfde ik niet, maar ik had de stille hoop dat mijn problemen in de woorden van een ander toch wel aan bod kwamen. Een rare elleboog, te nat tongzoenen, jaloers op iemand met een hoofddoekje, dwanggedachten en okselhaar. Ik las het en wist: zij zijn vast zoals ik. Hun problemen zijn de mijne, hun advies komt mij goed uit. Zelfs ongevraagd advies was in mijn geval meer dan welkom (al had ik na het lezen vaak meer problemen dan ervoor):

Vroeger bij het touwklimmen als de zon in strepen viel zat ik boven in het touw en zag de wereld dan een beetje zoals God. En ik zag de klasgenootjes beneden op de grond en ik zwaaide medelijdend. Dat moet je nooit doen als je in een touw hangt. –  Ingmar Heytze (17)

Er zijn hulprubrieken zat, maar op de achterflap van de VPRO-gids voelde ik mij bevoorrecht deel uit te maken van een niche. Mijn niche. Waar pubers kwetsbaar durfden zijn, kinderen volwassen, en volwassenen weer kind. Daar schreef een zestienjarige niet alleen over schaamlippen, maar ook over een knuffel in bed, en kon een piepjonge schrijver zijn vroegwijze ei kwijt:

Al duizenden jaren zijn vrouwen onderdrukt en dat moet nu maar eens afgelopen zijn!!!!! – Toine Heymans (12)

Nu is het uit. Postzakken werden een postzak, de postzak werd een halfvolle postzak, de halfvolle postzak werd een volle inbox, de inbox werd halfvol, en leeg. Online wilde het niet lukken. De achterflap wordt zonder Achterwerk als vanouds gelezen op het toilet, pas als de binnenkant bekend is.

Ik vroeg me hardop af of pubers van nu nog wel weten wat een postzak is, laat staan een brief. Mijn collega Zwaan vertelde van een jongen van zeventien, die een paar weken terug toegaf dat hij er nog nooit een had verstuurd. ‘Wat moet ik met die envelop?’ had hij gevraagd. ‘Hoe zorg ik dat het aankomt?’

Ik ben nog jong maar vast al te oud om pubers van nu te begrijpen. Schiet me neer, maar iets zegt me dat de brief de ziel was van de achterflap. Wie zijn woorden letterlijk op papier zet, slaakt een hartekreet. Langzaam moet het, treffend, leesbaar, in een keer goed. Met een tekening in de hoek, misschien, en ‘groetjes, anoniempje’. Eenmaal opgestuurd lijkt het alsof de brief de brievenschrijver weer alleen laat. Weg is-ie, zonder kopietje.

Nu stellen we vragen in steekwoorden en antwoorden bondig, of niet. Eieren die kwijt moesten, raken zoek op sociale media. Kinderen met volwassen meningen voegen zich bij volwassenen. Volwassenen die met kinderen praten zijn verdacht. De brief lijkt vergane glorie, waar we in het geniep naar terug verlangen. Is het toevallig dat de nieuwste iPhone de vorm heeft van een ouderwetse postkaart? Ik denk het niet.

Een jaar of wat terug schreef mijn vader een gedicht. De laatste twee strofes draag ik bij dezen en met liefde op aan de achterflap van de VPRO-gids. Achterwerk, ik ga je missen.

Een naam van een geliefde,
Een vriend een vaag bekende,
In krullend handschrift, of in korte halen.
En altijd weer dat spannende ritueel,
Waar ik nooit aan wende:
Dat openen van brieven en verhalen.

Maar twintig jaar geleden,
Is de bron verdroogd,
De stroom van schrift is uitgebleven.
En deze brief hier op mijn borst,
Heb ik als schrale troost,
Met pen en inktpot aan mezelf geschreven.

–  Herman van Tongerloo