In Nepal is naast het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen ook een ander type reddingswerker bezig: de culturele First Aiders. Zij worden getraind tijdens de cursus Eerste Hulp bij Werelderfgoed. Dit jaar was die in Nederland.

De Indiase Aparna Tandon stond vorige week nog tussen de molens in Marken om de deelnemers bevlogen te doceren over culturele crisissituaties. Ze was amper drie dagen thuis en daar was de aardbeving in Nepal. Nu staat ze in de startblokken om naar Kathmandu te vertrekken. ‘Sorry voor mijn trage reactie, het is krankzinnig druk,’ mailt ze. ‘Direct na de aardbeving hebben we een zogenaamde crowdmap opgezet. Zo kunnen mensen ter plekke online aangeven wat waar beschadigd is, zodat we een eerste analyse kunnen maken van de schade. We proberen nu alle Culturele Eerste Hulp-teams in en rond Nepal te organiseren.’ Daarmee bedoelt ze de mensen die de afgelopen jaren aan de cursus hebben deelgenomen. Aparna had ironisch genoeg geen betere rechtvaardiging voor haar trainingswerk kunnen krijgen.

Teambuilding. Foto: Peter de Krom
Teambuilding. Foto: Peter de Krom

Een paar weken eerder is er een feestelijk onthaal in de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam. Tweeëntwintig deelnemers met variërende jetlags zijn net geland op Hollandse bodem en kijken wat beduusd om zich heen. Na een strenge selectie zijn ze uitverkoren om deel te nemen aan de cursus First Aid To Cultural Heritage In Times Of Crisis, een samenwerking tussen de Nationale Unesco Commissie Nederland, ICCROM en The Smithsonian Institution, prestigieuze organisaties die zich inzetten voor het behoud van cultureel erfgoed. Onder de kandidaten zijn archeologen en kunsthistorici, maar ook conservatoren en managers. Als ze maar de potentie hebben om lokaal invloed uit te oefenen. De deelnemer uit Mali nipt voorzichtig aan zijn gebonden soepje, de man uit Bhutan stort zich op de zalmeitjes.

Ze hebben een volle trainingsmaand voor de boeg, met lezingen, discussies en presentaties, maar ook met actie en rollenspellen. ‘Tijdens een ramp kun je niet in je archief blijven zitten, dan is het hands on. Deze cursus moet het gedrag van mensen veranderen, ze moeten culturele activisten worden.’ Hoofddocent Aparna Tandon snelt heen en weer om de verlegen deelnemers voor te stellen aan de culturele hot shots. Ze geeft de cursus nu een aantal jaar, samen met een poel van internationale experts. Dit keer voor het eerst in Nederland. Gedurende de maand werken ze toe naar het pièce de résistance: een simulatie van een ultieme crisissituatie in Fort Markenbinnen. ‘Een bomaanslag, overstromingen, gewonden, omstreden grondgebied, separatistische leiders: alle crisiselementen die je kunt bedenken komen daarin samen. Cultureel erfgoed is nooit geïsoleerd, je moet ernaar kijken in een politieke, maatschappelijke en geografische context.’

‘Deze cursus moet het gedrag van mensen veranderen, ze moeten culturele activisten worden.’

De eerste dagen beginnen rustig, maar daarna moet de groep vrij snel in actie komen. De touringcar arriveert bij De Otter, een zeventiende-eeuwse zaagmolen in Amsterdam-West. De groep stroomt traag de bus uit. Op deze praktijkdag moeten ze binnen beperkte tijd de molen documenteren, een risicoanalyse en een noodplan opstellen en de vervallen schuur bij de molen stutten. De oefening vergt enige begeleiding. ‘Niet over de brug lopen!’ roept Aparna. ‘Die staat op instorten.’ Een minuut later loopt de zware Malinees over de deinende planken. ‘En wie heeft de kraan open laten staan? We zijn hier te gast, dus we verspillen geen water!’ De Afghaan komt na een uur het terrein op wandelen. Hij had oorruis en wilde naar de dokter. ‘Het is net een schoolreisje…’ Aparna rolt met haar ogen.

Safety first
Zelf werd ze geboren in het eeuwige conflictgebied Kasjmir. Ze werkte onder andere in Haïti na de aardbeving en op de Filipijnen na tyfoon Haiyan. ‘Ik heb genoeg gezien, dus ik wordt vaak gevraagd voor powerpointpresentaties over crisissituaties. De hele culturele wereld draait op powerpoints. Maar daar heb je niks aan bij een ramp. Het probleem is dat niemand de modder in wil. Want uiteindelijk is het gewoon vies en zwaar werk, dan ben je niets meer dan een voetsoldaat. Dat staat soms in contrast met de elitaire culturele wereld. Wacht, ik moet even ingrijpen.’ Aparna snelt naar de Zimbabwaan die in een van de balken van de molenschuur hangt. ‘Safety first!’ roept ze naar boven. ‘Om goed les te kunnen geven,’ zegt ze, ‘moet je eerst de achtergrond van de deelnemers begrijpen. Welke trauma’ s ze hebben opgelopen, met welke regering ze te maken hebben. In landen met een zwakke overheid zullen ze sneller onorthodoxe methodes gebruiken.’

De molen-opdracht is voltooid en de deelnemers lunchen in de lentezon. De Syrische deelneemster wil uit veiligheidsoverwegingen niet praten, haar Oekraïense buurman wel. Igor Poshyvailo werkt als etnoloog en museoloog bij het nationale centrum voor Oekraïense volkscultuur in Kiev en zit in de museumraad van het ministerie van cultuur. ‘Het begon bij mijn grootouders. Zij waren beroemde folklore pottenbakkers in Opishnya, een klein dorp in Oost-Oekraïne,’ vertelt hij met zachte stem. ‘In hun huiskamer hadden ze een klein museum geopend. Eigenlijk illegaal, want alle musea waren toen staatsgereguleerd. Nu is het uitgegroeid tot het grootste keramiekmuseum van Oost-Europa.’

Oefengewonden. Foto: Peter de Krom
Oefengewonden. Foto: Peter de Krom

In november 2013 was Igor getuige van de massale protesten op het Maidanplein. Hij juichte het toe, maar zag ook de kwetsbaarheid van de twee belangrijke musea aan weerszijden van het plein. ‘Het nationale kunstmuseum en het museum van stadsgeschiedenis lagen in het epicentrum van de strijd. Het ministerie deed niets.’ Samen met onopgeleide vrijwilligers evacueerden ze delen van de collectie, achteraf gezien op z’n boerenfluitjes. ‘We moesten recht door het conflictgebied met onze dozen.’ Bovendien zag hij welke dilemma’s er ontstonden voor de musea. ‘Het was een test: bij wie hoorden we als museum, bij de regering of bij de mensen op het plein? Op een gegeven moment namen de protesteerders het museum in als hoofdkwartier. Het was koud en ze hadden een plek nodig. Tegelijkertijd moest de collectie beschermd worden. Later bleek dat we meer te vrezen hadden voor de politie. Die hebben na de ontruiming de hele zolder leeggeroofd.’

Twee weken later rijdt de bus naar een grote loods op een industrieterrein in Zoeterwoude. In het midden van de ruimte staan kijkdozen van piepschuim. Musea in crises. Bij sommige ontbreekt de helft van de bovenkant: een bomaanslag. Aan de zijkant bungelt een roze rietje: een gesprongen waterleiding. Binnenin liggen plastic poppenmeubels en kabouters verspreid door elkaar: kostbare objecten en slachtoffers. ‘De deelnemers kunnen de ramp zo vanuit vogelperspectief analyseren. Op basis daarvan moeten ze een noodplan opstellen,’ legt Aparna uit. ‘Hoe kom je erin? Zijn er mensen? Is het nog veilig? Met welke belanghebbenden heb je te maken? Is de gemeenschap ondersteunend? Allemaal vragen die aan de orde zijn.’ Sommige deelnemers doen hun best om in de kinderei-suprises miljoenenobjecten te zien, anderen kijken een beetje sceptisch. ‘Zo gaat dat altijd,’ zegt Aparna. ‘En toch is dit de beste manier. Unesco en de andere organisaties krijgen vaak de vraag wat ze concreet doen. Concreter dan dit soort oefeningen kan eigenlijk niet.’

De vraag dringt zich op of er in sommige gevallen überhaupt wel iets te doen is. Tegen de moedwillige vernietigingen door IS bijvoorbeeld. ‘Een structurele oplossing moet op een hoger niveau plaatsvinden,’ verzucht Aparana. ‘Het hart van het probleem is natuurlijk de propagandaoorlog. Een oorlog waar wij makkelijk deel van worden.’ Door de IS-vernietigingsfilmpjes met huilende emoticons op Facebook te delen bijvoorbeeld. ‘Die goedbedoelde steunbetuigingen voeden IS juist. Om cultuur te beschermen, moet het onderdeel worden van counter-propaganda en counter-terrorisme. Zij politiseren cultuur, dan moeten wij het ook doen.’ Aparna kijkt vermoeid. ‘Maar dat gaat onze pet te boven. Wij geven alleen een cursus in symptoombestrijding.’

‘Moedwillige vernietigingen door IS hebben een structurelere oplossing nodig op hoger niveau.’

Toch zijn er ook preventieve maatregelen. Bijvoorbeeld door de gemeenschap meer bij het erfgoed te betrekken. Ook dat is een onderdeel van de training. ‘Het museum in Mosul bijvoorbeeld betekende niet zo veel voor de lokale bevolking. Wij vonden het erger dan de mensen daar, daarom was de vernietiging specifiek op de westerse agenda gericht. Maar als de mensen meer binding voelen, zullen ze het ook beter beschermen. Cultuur is nog steeds te elitair. En dat kan gevaarlijk zijn.’

Iemand die die brede maatschappelijk steun in eigen land wil vergroten, is de Afghaanse Saleh Mohammed Samit. Zijn oorruis is verdwenen en hij draait weer volop mee. Uit zijn tas haalt hij een immens lange doek die hij ingenieus om zijn hoofd wikkelt. ‘Deze tulband draag ik bij officiële bezoeken. Mijn werk draait vooral om communicatie, om de goodwill van de lokale leiders.’ Saleh werkt voor het ministerie van cultuur en moet ervoor zorgen dat alle belangrijke culturele objecten in Afghanistan in kaart worden gebracht. ‘Eerst moet je heel goed weten hoe de verhoudingen liggen. Welke stam waar aan de macht is, wie status heeft en wie niet. Dan ga je bij al die verschillende stamhoofden langs en leer je hun verschillende gebruiken kennen. De juiste tulband opzetten, de goede hand op de borst leggen, met het gepaste accent spreken. Als je hun respect verdient, dan krijg je alles voor elkaar, maar het kost veel tijd. Ik drink liters thee.’

Foto: Peter de Krom
Foto: Peter de Krom

De piepschuimen musea hebben hun dienst gedaan en de deelnemers moeten hun noodplan presenteren. De jonge archeoloog uit Haïti doet zijn best een coherent verhaal te produceren. Hij krijgt op dit uur weinig respons. De deelnemers zijn moe en Aparna klapt in haar handen. ‘Allemaal even staan!’ Ze gebruikt bijzondere technieken om de deelnemers wakker te houden. ‘Lekker met de handen schudden!’ Iedereen wappert gewillig mee. ‘En dan nu: het fluister-doorgeef-spel!’ Het blijkt te werken. Na een rondje fluisteren barst de groep in lachen uit. ‘Team-building is belangrijk. Zeker voor de grote eindopdracht in het fort.’

Fort Markenbinnen ligt in de idyllische weilanden van Noord-Holland. De grazende koeien weten nog niet dat ze straks getuigen zullen zijn van een ramp. Op het uitgestrekte terrein lopen de eerste oefengewonden van Stichting Lotus. Een blonde vrouw smeert zich in met fopbloed alsof het zonnebrand is en een jongeman met verminkte arm ligt op het dak te roken. ‘Je blijft daar toch niet liggen? Het dak staat niet op het scenario hoor.’ De jongen staat op en sjokt naar zijn greppel. ‘Check positie vijf,’ zegt de man in een walkietalkie.Het rampscenario is de afgelopen dagen meerdere malen met de deelnemers doorgenomen. Dat was nodig, want het script is best ingewikkeld. Fort Syr ligt midden in de conflictzone Zapad Strana. Zapad Strana is officieel een provincie van het land Voda Strana, maar de separatistische minderheidsgroepering, de Zanes, voeren een onafhankelijkheidsstrijd met steun van buurland Katlan. Fort Syr is een beladen archeologische site. Het is oorspronkelijk gebouwd door de Zanes, maar behoort nu tot Voda Strana’s Nationale Werelderfgoed. Er is net een belangrijke archeologische vondst gedaan die de historische claim van de Zanes tegenspreekt. Er volgen twee bomaanslagen en vanwege het regenseizoen zijn er overstromingen. En dit is nog maar de eerste alinea van het dikke scenario.

Anonieme mannen
Het terrein rond het fort stroomt langzaam vol. Het zijn niet alleen acteurs die meedoen. De simulatie wordt verantwoord begeleid door echte brandweerlieden, echte hulpverleners en echte militairen van het civiele en militair interactie-commando ‘liaison cultureel erfgoed’: culturele experts die de link tussen leger en erfgoed vormen. Tussendoor lopen ploegjes Unesco-medewerkers met een groen lintje. ‘Dat betekent dat we geesten zijn,’ zegt een van hen. ‘Dat we geen karakter hebben.’

De bus met de deelnemers arriveert en de groep komt in dezelfde vestjes met helmen het trappetje af. Behalve Saleh, die draagt een wit katoenen pak en zijn tulband. Hij maakt zijn borst groot. ‘Ik speel de separatistische leider,’ zegt hij tevreden. Igor Poshyvailo grabbelt in een paar Wibra-tasjes naar blocknoten en pennen. Als Director Special Fields Operation heeft hij een leidinggevende rol. Hij moet ervoor zorgen dat zijn teams de archeologische sites in kaart brengen en beschermen.

Foto:Peter de Krom
Foto:Peter de Krom

‘Iedereen ziet in dit scenario wel iets dat op zijn eigen land van toepassing is,’ zegt Igor. ‘Er zitten allerlei elementen in. Bijvoorbeeld een verstoorde overheid. Dat ervaren we nu in Donjetsk en Lugansk ook.’ Vanuit Kiev heeft Igor zo nu en dan contact met de directrice van het kunstmuseum in Donetsk. ‘Alleen via Facebook, bellen durft ze niet. Ze vertelde dat er een groep mannen binnenmarcheerde met de boodschap: wij zullen het museum beschermen. Ze legden een grote zak geld neer en vertrokken. Ze wist niet wie het waren en waarom ze het deden. Bovendien kan het de volgende dag anders zijn. Ze zijn daar overgeleverd aan de grillen van anonieme mannen.’

De bom produceerde minder volume dan verwacht, maar de oefening is wel degelijk begonnen. De teams moeten eerst door de militaire post zien te komen. Het is duidelijk dat nog niet iedereen z’n rol heeft omarmd. Er wordt gegiecheld en gedrenteld. Een Unesco-geest roept vanaf de zijlijn een glimlachende archeoloog-militair tot de orde. ‘Behandel ze maar wat agressiever! Militairen lachen niet!’

Nu is het toneel voor de oefengewonden. Een vrouw met hoofdwond en zwaar Noord-Hollands accent strompelt voorbij. ‘Hellup! Hellup mij dan toch!’ Sommige deelnemers hijsen de vrouw op een bed, anderen zoeken stoïcijns hun archeologische hulpmiddelen bij elkaar. Aparna registreert vanaf de zijlijn: ‘Hier moeten ze wel op reageren, dat zou je in een echte rampsituatie ook doen.’

Er zijn ook twee psychologen mee, mocht het rollenspel de kandidaten aan eerdere gebeurtenissen doen denken. Op de vraag of ze dat een prettig idee vinden, moeten de meesten een beetje lachen. Een van hen wijst op een afgehakte arm uit de feestwinkel. ‘Ik geloof niet dat we daar een herbeleving van krijgen. Maar wel hartstikke aardig dat ze het aanbieden.’ Na een uur zitten de deelnemers duidelijk beter in hun rol. De archeologe die rond een bergje bakstenen zit, is oprecht verontwaardigd als de brandweerman er roekeloos overheen wandelt. ‘Kijk uit, dit is een eeuwenoude mozaïek!’ De brandweerman zal het niet meer doen. Ondertussen is Saleh bezig om de boel te ontregelen door hevig gesticulerend op de experts in te praten. Hij zoekt ook naar geschikte sluiproutes om de nationale vlag van Voda Strana te verwijderen. Maar de vriendelijke militair is hem steeds te snel af.

Foto: Peter de Krom
Foto: Peter de Krom

Aparna zit op de groene heuvel van het fort en bekijkt vanaf een afstandje hoe de groep een verhitte discussie is gestart. ‘Nu begint de grens echt te vervagen,’ zegt ze. ‘Maar ze hebben wel een leiderschapsprobleem. Dit moeten ze met z’n allen oplossen. De cursus gaat voor een groot deel ook over communicatie. Ze moeten activist zijn, maar tegelijkertijd diplomaat.’ Op de vraag hoe het nu gaat met de oefening, reageert de Bosnische deelnemer in character: ‘Ben jij journalist? Dan moet ik je doorverwijzen naar onze persvoorlichter.’ Hij wijst naar zijn teamgenoot uit Mexico.’

Rond het middaguur is de simulatie voorbij. De deelnemers wandelen naar de fort-kantine voor de broodjes frikandel en boterhammen met hagelslag. Daarna zullen ze worden onderworpen aan een uitgebreide evaluatie. Aparna: ‘Van ongeveer zeven à acht kandidaten heb ik het gevoel dat ze de ervaring echt zullen inzetten. Igor is daar een van.’ Op de vraag of dat genoeg is, valt een korte stilte. ‘Kijk, zo’n cursus kost bakken met geld. En dat voor 22 deelnemers. Maar niets doen is ook geen optie, we moeten ergens beginnen. Het belangrijkste is dat de kandidaten weer nieuwe mensen opleiden en dat er brede lokale netwerken ontstaan.’

En of er enig zichtbaar effect van de afgelopen jaren training te zien is? ‘De Egyptische kandidaat heeft een hele collectie gered tijdens de revolutie. Er zijn een paar van dit soort kleine succesverhalen. Het zijn druppels in de oceaan, maar het is beter dan niets.’