Dit verhaal komt uit de 44ste Detective en Thrillergids, die vanaf vandaag in de winkels ligt. Benieuwd naar de VN-Thriller van het Jaar? Lees hier het juryrapport. Hier vind je andere verhalen uit de gids of blader door alle 384 recensies van dit jaar.
Ook te beluisteren.
In het oude bruine café waar ik vroeger vaak kwam, was een bovenkamer waar je mocht roken. Dat kon in die jaren nog maar op een paar plekken in de stad; afgesloten rookruimtes waren nog wel toegestaan, maar de meeste café-eigenaars waren er inmiddels achtergekomen dat je rokers, gezien de hardnekkigheid van hun zelfvernietigingsdrang, net zo goed naar buiten kon sturen, zonder dat dat ook maar enige invloed op de omzet had. Dat nam niet weg dat mijn vrienden en ik wel degelijk een voorkeur voor kamertemperatuur hadden, en we dus, in de winterse nadagen van het rookgedoogbeleid, steevast op dezelfde bovenkamer van ons favoriete café afspraken.
Het was een interessante verzamelplek van jolige vriendengroepen die hier afspraken om weer eens bij te praten en bejaarde buurtgenoten die rustig in de hoek een krantje zaten te lezen, met een sjekkie tussen hun vergeelde vingers. In het weekend stond het hele café vol met de kraamhouders van de markt om de hoek, die al jaren de gewoonte hadden hier luidruchtig hun werkdag af te sluiten. Ik kan me allerlei spontane gesprekken herinneren die op die rookzolder ontstonden – helemaal doordeweeks, als het rustig was. Op een avond zat ik al een tijdje in de bovenkamer met een vriend te praten, toen we gezelschap kregen van een magere, wat sjofel geklede man.
Duidelijk een vaste klant, gelet op zijn vertrouwelijke omgang met de barman, die met hem mee de krakerige trap opliep voor een korte rookpauze. Pontificaal ging de magere man naast ons op de bank zitten. ‘Zo, ik strijk even hier neer, als ik jullie niet ontrief.’
We mompelden iets welwillends. Even leek het daarbij te blijven. Maar de man was nog te vol van het gesprek dat hij beneden aan de bar had gevoerd, en besloot dat onze aanwezigheid geen belemmering vormde om het hier voort te zetten.
‘Maar ik heb me er dus grondig in verdiept. En het kán dus niet. Dat staal waarmee de constructie gemaakt is, dat smelt pas bij 1500 graden!’ Triomfantelijk keek hij op naar de barman, die bij de ingang van de rookkamer was blijven staan, boven de trap, zodat hij zicht kon houden op de klanten beneden. ‘Begrijp je? En kerosine verbrandt zo ergens tussen de 400 en 800 graden.’
Ervan overtuigd dat hij hiermee het beslissende bewijs had geleverd, keek hij opnieuw naar de barman, die reageerde met een, dankzij jarenlange training perfect uitgevoerde, uitdrukkingsloze blik: niet afwijzend, maar ook zeker niet beamend, waarna de magere man zich tot ons wendde: ‘En er waren op de onderste verdiepingen duidelijk rookwolken te zien…’ Hij liet een stilte vallen. ‘Vóórdat de torens instortten!’
Uit beleefdheid keken we de man even aan, waarbij we uit alle macht de geoefende blik van de barman probeerden te imiteren. Maar een reactie van onze kant bleek helemaal niet nodig. Onverstoorbaar vervolgde de man zijn verhaal, alsof iedereen de hele tijd aanmoedigend had meegeknikt.
‘Dat bedoel ik dus, het kán helemaal niet. Het was voorbereid, er waren al explosieven. En je weet wat dat betekent…’
De barman slaakte een haast onmerkbare zucht en sjokte de trap af naar beneden.
‘Het was de Amerikaanse regering zelf! Maar dat durft niemand te zeggen.’
Ik kan me vaag herinneren dat ik het toch niet kon laten om door te vragen, niet eens om tegen te spreken, vooral uit nieuwsgierigheid. Maar het werd al snel duidelijk dat onze rookgenoot alleen geïnteresseerd was in mensen die zijn theorie volmondig beaamden. Het duurde niet lang voordat ik het opgaf, waarna de man zijn sigaret doofde en de trap afliep, om zijn vers gevonden waarheid met nieuwe toehoorders te delen.
Like & share
Dit soort gesprekken had ik wel vaker in die tijd. Nog steeds wel eens, trouwens. Maar waar ik nu, in 2023, zo’n complottheorie veel serieuzer neem, en me eerder geroepen voel om tegengas te geven, al was het maar om een soort ruimte voor meningsverschil te bewaken, was ik toen veel meer geneigd om zo’n man maar een beetje te laten praten. Je kwam ze zo vaak tegen in dit soort oude kroegen, en wat kon het voor kwaad?
Er waren toen ook genoeg verhalen over corrupte regeringen en samenzweringen – die niet eens allemaal verzonnen waren – en zolang ze beperkt bleven tot de bedompte schemer van rokerige bruine kroegen, zag niemand er een groot gevaar in.
Het was in de tijd dat de sociale media nét waren begonnen, grotendeels buiten mijn medeweten, trouwens: van Hyves en MySpace had ik wel eens gehoord, maar Facebook en Twitter en YouTube bestonden nog maar een paar jaar, en ze hadden nog niet de vorm gekregen die ze nu tot zulke effectieve complotverspreiders maakt: de like en de share kwamen pas in 2009, en in het geval van Facebook in 2012 – pas toen werd het mogelijk om een bericht viral te laten gaan, en ontstond de media-industrie die daar zo’n ontzagwekkend verdienmodel van heeft gemaakt.
In die tijd verwachtte niemand dat sociale media zouden uitgroeien tot de massaverspreiders van complottheorieën die ze nu zijn geworden. Natuurlijk waren er toen ook genoeg verhalen over corrupte regeringen en samenzweringen – die niet eens allemaal verzonnen waren – en zolang ze beperkt bleven tot de bedompte schemer van rokerige bruine kroegen, zag niemand er een groot gevaar in.
142 Leden van de familie Bin Laden
Naast de onschuldige sociale media was er nog iets anders – en laat ik nu vooral voor mezelf spreken. Want het was niet voor niets dat ik doorvroeg toen die man in het café zijn ideeën over 9/11 aan het spuien was. Er deden in die jaren wel meer speculaties de ronde over de aanslagen op de Twin Towers. En als ik heel eerlijk ben: ik stond daar toen helemaal niet per se afwijzend tegenover. In de bioscoop had ik Fahrenheit 9/11 gezien, de documentaire van Michael Moore over de aanslagen op het World Trade Centre, en over de heimelijke belangenverstrengelingen die de regering-Bush had toen ze onder het mom van terrorismebestrijding Irak binnenviel. Ik weet nog goed hoe ik aan het eind van de film, toen Neil Youngs Rockin’ in the Free World door de bioscoopzaal schalde, een soort strijdlust over me voelde komen, een vlammende verontwaardiging over een wereld die werd bestierd door zulke gewetenloze machthebbers.
Het was een gevoel van opwinding dat merkwaardig overeenkwam met het gevoel dat me kon overmeesteren bij het zien van films over corruptie en machtsmisbruik waarvan de plot volledig verzonnen was, zoals The Bourne Identity, de film uit 2002 waarin Matt Damon een voormalig CIA-agent met geheugenverlies speelt, die wordt opgejaagd door andere CIA-agenten, omdat de top van de inlichtingendienst bang is dat hij clandestiene operaties zal vrijgeven. De film is losjes gebaseerd op het boek met dezelfde titel dat Robert Ludlum in de jaren tachtig schreef.
Dat Fahrenheit 9/11 me eenzelfde soort gevoel kon geven als een volledig fictieve thriller, lag misschien ook wel aan de manier waarop Michael Moore er een onvervalste blockbuster vol suspense en onthullingen van had gemaakt. ‘The film they didn’t want you to see,’ kondigde de trailer aan. Zonder echt sluitend bewijs te leveren, suggereert Moore dat achter de façade van democratie een corrupte Amerikaanse elite schuilging die heel andere motieven had voor de oorlogen in Afghanistan en Irak dan ze in het openbaar deden voorkomen. Olie, natuurlijk, maar er waren ook onfrisse banden met bedrijven die de wederopbouw in die landen verzorgden, en Moore liet zelfs schokkend bewijs zien dat de Amerikaanse ministeries 142 leden van de familie Bin Laden stiekem het land uit hadden gesmokkeld, zonder dat de FBI ze had kunnen verhoren.
Ik was trouwens zeker niet de enige die werd meegesleept door Fahrenheit 9/11. In 2004 won de film de Gouden Palm in Cannes, een unicum voor een documentaire. Misschien waren het ook vooral Moores gevoel voor drama en entertainment waarom de film werd bekroond, niet zijn journalistieke kwaliteiten.
Cynische machtspolitiek
De grens tussen fictie en werkelijkheid is altijd dun geweest bij politieke thrillers, en dat geldt zowel voor films als voor boeken. Helemaal in het genre van de conspiracy thriller, een categorie die in de Engelstalige wereld sinds de jaren zeventig wordt onderscheiden, is de overlap met de bestaande politieke werkelijkheid altijd groot geweest. Zelfs als de verhaallijn volledig aan de fantasie van de schrijver is ontsproten, zoals in James Grady’s Six Days of the Condor, of The Pelican Brief van John Grisham – om zomaar twee voorbeelden te noemen – zit in de Umwelt van het verhaal genoeg geloofwaardigs waardoor je als lezer toch het gevoel hebt dat je over de werkelijkheid aan het lezen bent.
Een van de bekendste thrillers uit de filmgeschiedenis, All the President’s Men, is gebaseerd op het gelijknamige non-fictieboek van de inmiddels legendarische onderzoeksjournalisten Carl Bernstein en Bob Woodward, waarin ze hun journalistieke onderzoek naar het Watergateschandaal tot in detail uit de doeken doen.
De hele populaire cultuur van de jaren zeventig leek doordrongen te zijn van een ontluisterend besef dat de politieke werkelijkheid vooral bestond uit bureaucratische onmacht en cynische machtspolitiek.
Na Watergate, en natuurlijk ook de Vietnamoorlog en de moorden op John en Robert Kennedy en Martin Luther King, heerste in Amerika een gevoel van desillusie. Het was een cultureel klimaat waarin de samenzweringsthriller tot grote bloei kon komen. Van Frederick Forsyths The Day of the Jackall, over het complot om president De Gaulle te vermoorden, tot Richard Condons Winter Kills, over een samenzwering van de maffia, de Amerikaanse inlichtingendiensten, een aantal grote bedrijven en de politieke elite om de Amerikaanse president te vermoorden. Ook al heeft die laatste in het boek een andere naam, het hele verhaal is duidelijk gebaseerd op de moord op John F. Kennedy.
De hele populaire cultuur van de jaren zeventig leek doordrongen te zijn van een ontluisterend besef dat de politieke werkelijkheid niets te maken had met stralende beloften van vrijheid en vooruitgang, maar vooral bestond uit bureaucratische onmacht en cynische machtspolitiek.
blijf ingelicht met de Detective & Thrillerbrief
Wil je het hele jaar door op de hoogte blijven van het wereldje van het spannende boek? Schrijf je dan in voor onze maandelijkse Detective en Thrillerbrief. Met recensie van de nieuwste topboeken, interviews met de beste thrillerschrijvers, artikelen over ware misdaad en nog veel meer. Schrijf je hier in.
Dit zaakje stinkt
Dus, zou je zeggen: als het genre van de conspiracy thriller zo goed gedijt bij een maatschappelijk klimaat van desillusie en wantrouwen, zouden we op dit moment een ware hausse ervan moeten meemaken. Want er hangt nogal wat argwaan in de lucht. En er doen genoeg verhalen de ronde die merkwaardig veel overeenkomsten vertonen met bloedstollende thrillers: vastberaden eenlingen, uitgekotst door het systeem, besluiten zélf onderzoek te doen naar de ware toedracht achter een reeks van mysterieuze sterfgevallen, om uiteindelijk een wereldwijde samenzwering van machtige farmaceutische bedrijven en politieke machthebbers te ontdekken, die onder het mom van een niet-bestaand virus de hele wereldbevolking in hun macht proberen te krijgen.
Of wat te denken van de verhalen over een hooggeplaatste Amerikaanse inlichtingenofficier, die als een van de weinigen toegang heeft tot de diepste staatsgeheimen, en die vanuit de goedheid van zijn hart die besluit te lekken – wel op een heel cryptische manier natuurlijk, anders valt het spoor te makkelijk naar hem terug te herleiden. Stukje bij beetje wordt zo een wereldwijd netwerk onthuld van mensenhandelaars die kinderen ontvoeren en afleveren bij hooggeplaatste figuren, die ze seksueel misbruiken en vermoorden.
Aan wilde complottheorieën geen gebrek. Maar het gekke is dat juist deze laatste jaren er nauwelijks meer boeken uitkomen in het genre van de conspiracy thriller. Ik doorzocht boekwinkels, spitte recensies door, speurde er de meest recente VN-Thrillergidsen op na, maar trof voornamelijk misdaadromans die draaien om psychologische intriges, familiegeheimen, of hoogstens wat samenzweringen uit het verleden. En natuurlijk een eindeloze hoeveelheid beklemmende Scandinavische moordmysteries in grauwe gehuchten waar de zon ’s winters nauwelijks schijnt.
‘Dit zaakje stinkt,’ hoorde ik mezelf mompelen.
Hoe langer ik zocht, hoe vreemder het allemaal bleek te zijn. Er was namelijk één schrijver die de afgelopen twintig jaar met onverstoorbare consequentie over complotten en geheime genootschappen had geschreven: Dan Brown. Natuurlijk! De Da Vinci Code, Het Bernini Mysterie. Kunstwerken vol symbolen en anagrammen die aanwijzingen bleken te zijn, onthullingen over de orde van de Tempeliers, de Rozenkruizers en natuurlijk de Illuminati. Als er één thrillerschrijver was die de geest van deze tijd uitdrukte, zou hij het toch moeten zijn.
Maar toen ik keek naar zijn laatste boek, het enige dat hij de afgelopen zes jaar heeft uitgebracht, stuitte ik op een kleurrijk geïllustreerde kaft vol vrolijk lachende dieren, een olifant, een nijlpaard, een jaguar, een kangoeroe: elk met een instrument in de hand. Het Wilde Dierenorkest, stond met rode letters op de omslag. Dan Brown is een kinderboekenschrijver geworden! Jaja.
Feit en fictie
En zo kun je achter het mysterie van de verdwenen conspiracy thriller een kwaadwillende samenzwering zoeken, maar zoals dat gaat met complottheorieën: er is een veel waarschijnlijker verklaring, die is alleen aanzienlijk minder sensationeel. Want waarom zouden lezers nog de moeite doen om een thriller te gaan lezen als elke dag al gratis en voor niets in hun behoefte aan spannende verhalen over heimelijke, wereldwijde machtsbolwerken wordt voorzien? Waarom zouden ze hun thrill zoeken in boeken, als er allerlei mediakanalen en politici zijn die ze met hetzelfde gevoel voor drama en entertainment meevoeren in de meest uitzinnige verhalen over babybloeddrinkende pedoseksuele liberale elites?
De conspiracy thriller is populairder dan ooit, maar heeft zich buiten het domein van de fictie genesteld. En dat heeft volgens mij vrij soepel kunnen gebeuren: feit en fictie zijn altijd al nauw met elkaar verstrengeld geweest in het genre. De opwinding die ik voelde bij het zien van Fahrenheit 9/11 was verwant aan het gevoel dat de Bourne-films, en andere fictieve politieke thrillers, in mij losmaakten. Dat lang niet alles helemaal waar was in die verhalen, nam niet weg dat ik nog genoeg overeenkomsten met de werkelijkheid zag om er een kern van waarheid in te ontdekken, al was het maar in emotionele zin: gewoon zoiets simpels als het inzicht dat bijna alle politici bereid zijn de waarheid te verdraaien als ze daarmee hun handelen kunnen rechtvaardigen.
En zo gaan volgens mij de meeste mensen ook met de complottheorieën van nu om: de overgrote meerderheid snapt heus wel dat veel ervan niet exact met de werkelijkheid overeenkomt. Ze geloven er vooral in op een soort overdrachtelijke manier: als fictie die een kern van waarheid bevat.
Een veelzeggend voorbeeld vind ik altijd de reacties op pizzagate: volgens QAnon-kanalen bevond zich in de kelder van een pizzeria in Washington het centrum van een internationaal pedosatanistisch netwerk. En toch was er welgeteld maar één man die gewapend met een geweer het restaurant in stapte om de kinderen te bevrijden – wat welbeschouwd de enige logische reactie is, als je werkelijk gelooft dat die berichten kloppen.
Kennelijk namen al die miljoenen andere QAnon-gelovers het toch nét iets minder letterlijk. Meestal blijven complottheorieën in de sfeer van verhalen zitten. En dat verklaart ook meteen waarom het meestal niet zo gek veel zin heeft om complotdenkers met allerhande losstaande feiten te weerspreken.
De kracht van een goed complotverhaal zit ’m in het scheppen van een betekenisvolle eenheid in wat ogenschijnlijk een incoherente opeenvolging van gebeurtenissen leek. Dat was de kracht van fictieve conspiracy thrillers en dat is de kracht van complottheorieën die claimen de werkelijkheid te beschrijven: alles heeft verband, er zijn geen losse eindjes.
Om de conspiracy thriller weer naar het domein van de fictie terug te verwijzen, wat om heel veel redenen een goed idee zou zijn, is het vooral nodig om het gevoel weg te nemen dat er een kern van waarheid in zit. Nu blijkt té vaak dat er inderdaad doofpotten waren.
Het verhaal van de Amerikaanse regering over massavernietigingswapens in Irak was inderdaad een leugen. Van het aardbevingsgevaar in Groningen was de Nederlandse regering al lang op de hoogte, net als van de schrijnende situatie waarin duizenden toeslagenouders zich bevonden. In het covid-beleid werden inderdaad fouten gemaakt en schimmige deals gesloten. Al die doofpotten waren er echt, en het grootste probleem is dat in een aantal gevallen de verantwoordelijke ministeries nog altijd weigeren openheid van zaken te geven.
Pas als regeringen hun taak om transparant te zijn en de belangen van de bevolking te behartigen ook echt serieuzer gaan nemen, zullen we misschien eindelijk weer eens een goede conspiracy thriller kunnen gaan lezen voor het verhaal zelf, en niet omdat we er zoveel van de werkelijkheid in herkennen.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.