Op zijn tandvlees moest hij sommige romans uitlezen, maar Rob Schouten was vastbesloten het astronomische succes te ontleden van ‘het verschijnsel’ Paulo Coelho.

Paolo Coelho (1947) is niet zomaar een schrijver, hij is een verschijnsel. Je kunt hem vergelijken met schildersgoeroe Bob Ross: populair en veelbekeken, maar niet echt serieus genomen. Althans door de literaire critici; de verkoopcijfers spreken andere taal. Coelho’s boeken zijn in meer dan 80 talen vertaald en er zijn wereldwijd meer dan 200 miljoen exemplaren van verkocht. Ook is hij overladen met niet zozeer literaire als wel maatschappelijke eerbewijzen zoals het Franse Légion d’Honneur en de Crystal Award van het World Economic Forum. Verder won hij de Bambi-prijs (ja, genoemd naar het hertje), de grootste Duitse tv- en mediaprijs die eerder werd geïncasseerd door publiekstrekkers als Franz Beckenbauer en Céline Dion. In het juryrapport werd hij ‘niet alleen een van de meest gelezen maar ook een van de invloedrijkste schrijvers van deze tijd’ genoemd. De Verenigde Naties hebben hem benoemd tot ‘Messenger of Peace’, wat dat ook moge beduiden. Van zijn werk zijn musicals, theaterstukken en zelfs twee symfonieën gemaakt. Kortom: al zou je willen, je kunt niet om hem heen.

Lezers, blij met hun aankoop: ‘De spion’, door Coelho.

In letterkundige kringen wordt hij vooral beschouwd als fabrikant van spirituele kitsch, daarbuiten lopen sommige beroemdheden met hem weg, vooral politici zoals Bill Clinton (ooit gesignaleerd met Coelho’s hoofdwerk De alchemist in zijn zak), Jacques Chirac en wijlen Shimon Peres. Verder is hij de favoriete schrijver van Madonna en is Julia Roberts fan. Zijn uitgever (in Nederland de Arbeiderspers) zet Coelho’s licht dan ook niet onder de korenmaat: elk nieuw boek wordt aanbevolen met klinkende getallen en vetlederen medailles.

Linkse jongen

Maar Coelho geeft ook het nodige terug. Op zijn officiële site roert hij zich voortdurend met maatschappelijk geëngageerde teksten en mentale hartversterkers, zoals deze oude ode uit de tijd van George W. Bush die hij indertijd als volgt aanriep: ‘Dank u, grote leider, dat u ons het gevoel geeft dat onze woorden misschien niet gehoord worden maar dat ze wel worden uitgesproken, dit maakt ons in de toekomst sterker en dank u dat u ons negeert, en iedereen die tegen u is marginaliseert, want de toekomst van de Aarde is aan de verstotenen.’

Linkse jongen, die Coelho, en verrassend is dat niet. De in 1947 geboren Braziliaan behoort tot de ouwe maar allerminst sleetse hippies, de babyboomers die hun oude idealen nooit zijn vergeten. Dát, gevoegd bij zijn religieuze inslag, waarin hij zich oriënteert op zowel christelijke als panreligieuze gedachten alsmede op het concept van de Anima mundi, de etherische geest die heel het leven doordringt (‘Wij zijn het die de ziel van de wereld voeden, en de aarde waarop wij leven zal beter of slechter worden naarmate wij beter of slechter zijn’), zijn de ingrediënten voor zijn new-age romans, queesten en geestelijke handleidingen. Hij arbeidt op de vruchtbare bodem van de vernieuwde belangstelling voor esoterie, mystiek en spiritualiteit en weet precies dat er een grote markt voor is: ‘De mensen spreken opnieuw over de spirituele wereld, iets wat nog maar kort geleden typisch iets leek voor onwetende burgermensen,’ constateert hij in De beschermengel uit 1992.

Hij wil de aarde een betere plaats maken, hij verbreidt het evangelie van vrede en broederschap. In het voorwoord van de zoveelste druk van zijn pièce de résistance De alchemist (1988) schrijft hij: ‘Ik herlees De alchemist regelmatig en elke keer weer heb ik hetzelfde gevoel als toen ik het schreef. En wat voel ik? Geluk, omdat het alles over mij en tegelijkertijd over u zegt. Geluk ook omdat ik weet dat ik nooit alleen kan zijn. Waar ik ook ben, begrijpen mensen mij. Ze begrijpen mijn ziel. Dat vervult mij met hoop. Wanneer ik over crisissen en conflicten lees – op economisch, politiek of cultureel vlak – bedenk ik dat het in onze macht ligt om bruggen te slaan. Zelfs als mijn buurman mijn geloof of politieke overtuiging niet begrijpt, kan hij toch mijn verhaal begrijpen.’

Spirituele wegen

Met zijn goede bedoelingen, zijn spirituele en maatschappelijke wijsheden die alle letterkundige distantie en cynisme tarten, is Coelho misschien wel een van de grootste literaire raadsels van onze tijd, met een succes dat mysterieuzer is dan dat van J.M. Coetzee of Amos Oz. Hoe krijgt hij het voor elkaar? Wat is het geheim van die immense verkoopcijfers, waarop door de hogere literatuur zo wordt neergekeken? Wie De alchemist, Coelho’s hoofdwerk en doorbraak als schrijver, kritisch leest, snapt er eerst niet veel van. Het is een queeste-roman zoals er dertien in een dozijn gaan: een simpele herdersjongen droomt van een verre schat in een Egyptische piramide. Hij verlaat zijn kudde en gaat erachteraan. Onderweg ontmoet hij personen die hem verder helpen op de spirituele weg naar inzicht. Belangrijke raadgever is de alchemist, een wat schimmige figuur die niet zozeer goud uit lood smeedt als wel wijsheid uit levenservaring: ‘Alchemie is doordringen in de ziel van de wereld en de schat ontdekken die zij voor ons heeft weggelegd.’ Geestelijke alchemie dus, en zo zal de jongen het ook ervaren: aan het eind van zijn zoektocht is hij gelouterd, net als de schrijver zelf die hij representeert.

Truc

Een jaar voor het verschijnen van De alchemist maakte de toen nog onbekende Coelho zelf een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella en ingrediënten van zo’n reis tref je in De alchemist aan: tegenslag, medereizigers, goede raad, onbegrip, verlossing et cetera. Maar Coelho heeft ze slim geanonimiseerd en gemythologiseerd; de reis van zijn herdersjongen is daardoor als het ware tijdloos en eeuwig, zodat je je er als lezer makkelijk mee kunt vereenzelvigen. Coelho heeft er hapklare brokken van gemaakt. Hij doet dat bijvoorbeeld door de jongen grotendeels naamloos te houden (hij noemt hem alleen in de eerste regel en in de epiloog: Santiago. What’s in a name). Een ‘truc’ die hij vaker toepast, zoals in de roman Overspel (2014) waarin de ik-figuur, de overspelige vrouw Linda, ook nauwelijks bij haar naam wordt genoemd zodat ze een soort prototype wordt waar je je makkelijk mee vereenzelvigt. Je ziet het ook in de titels van Coelho’s romans, met hun voorkeur voor algemene grootheden: De alchemist, De beschermengel, De spion, Overspel, De Zahir, Aleph – die twee laatste titels lijken trouwens regelrechte derivaten van Jorge Luis Borges, maar als er één schrijver is aan wie Coelho niet doet denken, is het wel de complexe, afstandelijke en intellectuele Argentijn. Met zijn algemene helden en titels lijken Coelho’s boeken universele geldigheid te suggereren. Je zou kunnen zeggen dat zijn werk zich zoveel mogelijk ontdoet van individualistische trekjes – geen wonder bij een schrijver die eropuit is door iedereen begrepen te worden.

Blijde boodschap

Dat ze gemiddeld vrij kort zijn, maakt zijn boeken ook makkelijk verteerbaar. De alchemist is zo’n 150 pagina’s dun, De spion nog geen 170 inclusief plaatjes en veel wit. Het zijn echte easyreads – als je tenminste tegen geestverruimende pretenties kunt. Een ander karakteristiek aspect is het beroep dat Coelho doet op religieuze elementen. Zonder zich als specifiek christelijk te doen kennen, speelt hij met bijbelteksten die voor veel lezers een gezonken maar vertrouwd universeel cultuurgoed vertegenwoordigen. Elke roman van Coelho begint zelfs met een bijbeltekst of een gebed en ze eindigen er ook vaak nog eens mee. Ook zijn meest recente roman, De spion, over onze eigen Mata Hari (en behalve in het Nederlands ook in het Fries vertaald!) geeft de lezer aan het slot graag een bijbelse wijsheid mee, ditmaal uit Prediker: ‘Op de plaats van het recht heerst onrecht, op de stoel van de rechter zit de schuldige. God oordeelt over goeden en slechten, want elk ding, elk werk heeft zijn tijd.’ Blijde boodschap: ook de onrechtvaardig behandelde mens (Mata Hari in dit geval) zal ten slotte recht worden gedaan. En anders bewerkt Coelho bijbelse teksten wel voor eigen gebruik, bijvoorbeeld door zijn alchemist te laten zeggen ‘Ik ben een alchemist omdat ik een alchemist ben’ (in Exodus 3:14 zegt God: ‘Ik ben die ik ben’) of ‘Maar vergeet niet dat je hart daar is waar je schat is’ (Mattheus 6:21: ‘Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’). Dat religieuze sausje, zonder dogmatiek toegediend in dit geseculariseerde tijdperk, geeft de ontvankelijke lezer een mooi, geworteld gevoel.

Hij heeft een culturele mix van onstoffelijke parabels voor ze in petto, en voor de miljoenen lezers die met hem op een betere wereld hopen.

Paolo Coelho heeft een boodschap voor de wereld, hij is de vredes- en liefdesapostel die niet terugdeinst voor volvette, eclatante uitspraken als: ‘Ten volle liefhebben is ten volle leven.’ Dat is vast de reden waarom hij het zo goed doet bij de Verenigde Naties en bij politici. Waren ze vroeger voor de rechtvaardiging van hun missie aangewezen op God, nu kunnen ze voor een wateriger maar bijdetijdser vorm van inspiratie terecht in Coelho’s boeken. Hij heeft een culturele mix van onstoffelijke parabels voor ze in petto, en voor de miljoenen lezers die met hem op een betere wereld hopen. Hoewel zelf onmiskenbaar van rooms-katholieke snit (menig roman begint hij met het weesgegroetje ‘Heilige Maria, onbevlekt ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u zoeken. Amen’) husselt hij graag verschillende mythen en verhalen door elkaar. Zo komt hij in diverse romans met het verhaal van Psyche en Eros. Boodschap: liefde is vertrouwen in de ander. Maar even makkelijk citeert hij de parabel van de grootinquisiteur en Jezus uit Dostojevski’s De gebroeders Karamazov: je hoeft bij hem dus niet bang te zijn voor een gekleurde, eenzijdige bron voor je idealisme. Hij schrijft ook wereldwijd, zijn verhalen spelen zich even makkelijk af in de Amerikaanse of Afrikaanse woestijn als in Frankrijk of Schotland; ze doen mij daarin denken aan James Bond-films. Er is voor de ontheemde wereldburger altijd wel een plaats die hij herkent in Coelho’s spirituele avonturenromans.

Chronische feelgood

Coelho’s verhalen hebben ongeveer dezelfde overzichtelijke structuur, waarvan hij in De alchemist de werking beproefde: ze gaan per aspera ad astra, de hoofdpersonen ploegen zich door allerlei moeilijkheden heen, maar aan het einde wacht altijd de beloning. In zijn latere romans pakt hij liefst steeds een menselijke zwakte bij de kop: overspelige lust, verraad, twijfels en angst, maar hij zorgt er altijd voor dat het goedkomt, hij is een chronische feelgood-schrijver; er is geen boek van hem waarin niet aan het einde de spirituele schat wacht, al is het na de dood van de protagonist. Dat laatste is letterlijk het geval in De spion, een tamelijk warrig verhaal over de duistere maar vooral door opportunisme gedreven gangen van de Leeuwardense vamp Mata Hari, die, daar kon hij niet omheen, ook bij hem geëxecuteerd werd, maar zie, net als Goethes Gretchen wordt ze alsnog vrijgepleit en verlost: ‘Dat het zo zijn moge. Ga met God, mijn liefste.’ In De heks van Portobello staat de hoofdpersoon na haar dood zelfs weer op. In Coelho’s pan-spirituele universum kan dat natuurlijk allemaal, immers ‘In de spirituele wereld is niets een gril’ (Overspel). En als niets een gril is, dan is alles gepermitteerd.

Occultisme en esoterie

Zijn meest exorbitante boek is wat dat aangaat De beschermengel uit 1992, een titel die ik eerlijk gezegd op m’n tandvlees uitlas. Het is het autobiografische verhaal van Paolo Coelho die met zijn vrouw voor 40 dagen, à la Christus dus, de Mojavewoestijn intrekt om gelouterd te worden en zijn verpieterde huwelijk te redden. In plaats van de duivel ontmoeten ze er de Walküren, wilde vrouwen die erop los leven; op de aanvoerster ervan, Vahalla, wordt Paolo verliefd, maar met behulp van zijn beschermengel overwint hij deze aandoening en wordt zijn relatie met Chris gered. Toch ook in verzoeking gebracht dus, maar natuurlijk alles weerstaan.

Coelho propageert de praktijk van channeling, een vorm van hardop tegen jezelf praten die hij tot ‘de meest verfijnde methodes uit de magie’ rekent.

Het is niet zozeer het verhaal zelf dat de lezer beproeft als wel de stortvloed aan expliciete, onontkoombare magische momenten die ermee gepaard gaat : ‘Wij allemaal, mensen of dieren, scheppen een soort “magische ruimte” om ons heen. Over het algemeen is het een cirkel met een straal van een meter of vijf. Alles wat daarbinnen valt, daar letten we op, of het nu mensen zijn, tafels, telefoons of etalages. Zo proberen we vat te hebben op de kleine wereld die we zelf scheppen.’ De occult-esoterische wijze waarop deze wereld wordt ingevuld, is voor de rationele lezer onnavolgbaar: Chris moet haar ‘tweede geest’ ontdekken, die haar dwarszit, de twee moeten ‘het Ritueel dat rituelen vernietigt’ uitvoeren, er is sprake van een Derde Wereldoorlog: ‘We zullen beide legers zien: aan een zijde staan zij die nog in het mensdom geloven, zij die geloven in de occulte krachten van de mens en weten dat onze volgende stap gelegen is in de ontwikkeling van de individuele talenten. Aan de andere zijde zullen zij staan die de toekomst ontkennen, zij die vinden dat het leven eindigt in materie en – helaas – zij die, hoewel ze het geloof hebben, menen de weg van de verlichting gevonden te hebben en de anderen willen dwingen ook die weg te volgen.’ Verder propageert Coelho in deze roman de praktijk van channeling, een vorm van hardop tegen jezelf praten die hij tot ‘de meest verfijnde methodes uit de magie’ rekent. Dat is mooi meegenomen, dat een ongecontroleerd trekje van de moderne gestresste mens tot ‘contact met de Heilige Geest, met de Wereldziel, met de Verlichte Meesters’ wordt gepromoveerd.

De beschermengel is Coelho op z’n persoonlijkst én ondoordringbaarst. Hier spreekt de evangelist van het occultisme en de esoterische spiritualiteit zijn geestverwanten toe. Wie daar niet toe behoort, zoals ik, staat met lege handen.

Jezusfiguur

Dan zijn zijn fictionele romans, zoals De spion, met hun vage religieus-humanistische strekking, beter te pruimen. Of het merkwaardige De heks van Portobello uit 2006, geknipt voor de zoekende mens. Het door een Libanees stel geadopteerde zigeunermeisje Athena verbluft de wereld met haar spirituele danssessies, maar sommigen beschouwen haar als een moderne heks. Zij ontmoet moeite en onbegrip en moet soms uitpuffen bij haar geestelijke moeder, een arts in het verre Schotland die haar bijpraat over de cultus van ‘de Grote Moeder’.

Coelho windt weer geen doekjes om zijn bedoelingen met deze roman, die zoiets als het vrouwelijke element in de westerse cultuur wil injecteren. Hij begint met de wederom op een bijbeltekst gebaseerde regels: ‘Je steekt een lamp niet aan om hem achter een deur te verbergen: licht is bedoeld om je omgeving te verlichten, je ogen te openen, de wonderen om je heen zichtbaar te maken.’ De laatste woorden luiden maar liefst: ‘de liefde is’. Maar nog meer dan het onverminderde spirituele bombardement van Coelho treft het verhaal van Athena zelf, verteld door haar omgeving, vader onbekend, de wereld verzaakt, gruwelijke dood maar bij nader inzien toch weer verder levend om haar boodschap te verbreiden. Zoekende geesten die de ridders en indianen uit hun jeugd ontgroeid zijn, kunnen zich in De heks van Portobello, net als nu in De spion met Mata Hari als onschuldig geofferde, identificeren met een onmiskenbare Jezusfiguur. En dat is misschien wel de hoogste droom van Coelho’s lezers.

Paolo Coelho, De spion, vertaald door Piet Jansen, uitg. De Arbeiderspers, 176 blz., € 18,99