Samen voor ons eigen: hoe burgercoöperaties de overheid vervangen
Burgers organiseren steeds meer overheidsfuncties zelf. Maar profiteren van alle innovatieve en hyperlokale voorzieningen niet vooral de happy few? ‘De duivel schijt, ook als het gaat om de verdeling van burgerinitiatieven, steeds op dezelfde hoop.’

We beginnen dit verhaal met parttime schapenboer tevens duurzaamheidspionier Wijnand Oussoren uit Overleek, een buurtschap in Waterland, ten noorden van Amsterdam. In 1987 verzamelde hij wat buren en richtte de Coöperatieve Windenergie Vereniging Waterland op. Op verjaardagen en partijen werden vrienden en kennissen gestrikt met een subtiele vorm van peer pressure: ‘Ben jij nog geen lid dan?’ De aanpak had succes. Binnen het jaar telde de coöperatie 95 leden die samen 80.000 gulden toezegden voor het realiseren van een eigen windmolen. Het vinden van een passende locatie bleek stukken lastiger, vooral vanwege het officiële windmolen-ontmoedigingsbeleid van de provincie Noord-Holland. Pas in juli 1992 was het zover. Aan de dijk naar Marken verrees een heuse Micon-windmolen van Deens fabricaat. Een paar weken later sloeg het noodlot toe. ‘Tijdens een fikse onweersbui werd een van de wiektippen geraakt door de bliksem. Het getroffen gedeelte brak af,’ zo staat opgetekend in het boekje Molens bij de Nes waarin de coöperatie terugblikt op haar eigen geschiedenis. Gelukkig wisten de Denen de molen net op tijd te repareren voor de officiële opening. PvdA-politica Margreeth de Boer (de latere minister) en weerman Jan Visser hielden een toespraak. Muziekkorpsen uit Monnickendam en Marken speelden een deuntje. De kurken konden van de fles. En het succes van de pioniers was nog niet ten einde. Een jaar later wisten ze een tweede windmolen te realiseren, een jaar daarna volgde nummer drie.

Machine-bureaucratie