Er moet iets aan die boeken gebeuren, realiseerde Jeroen Vullings zich laatst. En wel meteen. Het zijn er simpelweg te veel.
Uit het door mij ooit met toenemende verbijstering gelezen standaardwerk van een Japanse opruimmaniak, The Life-Changing Magic of Tidying door Marie Kondo, had ik het nodige opgestoken over de edele kunst van het opruimen. Marie Kondo is een ware verschrikking. Als kind al was haar onblusbare passie: weggooien. Ook bezittingen van gezinsleden. Regelmatig, bekent ze trots, was iemand een trui kwijt. Weet jij soms waar die is, Marie? Huh, geen idee. Maar die lastpost had het aan zichzelf te danken, die trui! Die lag zomaar een week in huis, ongebruikt. En ongebruikt dient weggegooid. Op dit heilloze pad was Marie Kondo levenslang doorgegaan. Met immens succes. Er zijn filmpjes te zien waarin ze voor een klerenkast staat naast een slachtoffer, om die te dwingen afstand te doen van dierbare kleren. Bevoelen moet je zo’n voorwerp dan, terwijl Kondo fleemt: ‘Does it spark joy?’
Maar goed, ze heeft ontegenzeglijk verstand van de dirty business van het weggooien, schoonmaken en opruimen. Zo leerde ik van haar dat het een kapitale fout is om met een vertrek in het huis te beginnen. Ruim je dat op, dan verplaats je de rommel in feite naar een ander vertrek. Pak in plaats daarvan een soort goederen aan. Kleren bijvoorbeeld, of papier. Voorts had ik onthouden dat wanneer je een klein beetje opruimt dat helse opruimen nooit voorbij zal zijn. Radicaal moet het! Rigoureus. Eerst moet het grote weggooien plaatsvinden, per categorie. Laat daarbij je intimi niet meekijken, want die plegen weggooispulletjes te willen ‘redden’. Na het weggooien volgt het ordenen, op z’n Japans – een stadium dat ik nooit bereikt had. Misschien zou het nu lukken.
Wat een genot, dat weggooien. Mijn rug dacht er anders over, de papierbak hijgde mee, maar het huis zong.
Geen kast zonder dubbele rijen
Er moet iets aan die boeken gebeuren, realiseerde ik mij. En wel meteen. Het zijn er simpelweg te veel. Als paddenstoelen schieten de stapels uit de grond. Geen kast zonder dubbele rijen. Hoe vaak had ik de afgelopen jaren niet een boek gekocht dat ik al in huis had, maar niet meer kon terugvinden? De boekhandel of een antiquariaat inlopen bleek meestal de kortste weg.
Waarom gebruik je geen e-reader, is de standaardreactie als ik over mijn boekenprobleem loop te emmeren. Een logische gedachte. Zeker daar ik tegenwoordig de meeste films, televisieseries en in iets mindere mate muziek digitaal consumeer. Maar met boeken lukt dat niet. Een apparaat vol ongelezen e-pubs en pdf’jes bewaarheidt deze persoonlijke waarheid. Waarom? Omdat ik simpelweg vergeet wat erop staat. Boeken moet je kunnen zien om een verlengde van je geheugen te zijn. Echte boeken.
Wat een genot
Ditmaal besloot ik de KonMari Method naar de letter te volgen. Dus eerst ging ik door de kleren heen, ik bedankte de helft zoals Marie het wenst voor hun bewezen diensten en bracht ze naar een goed doel. Daarna de cd’s. Vervolgens de dvd’s. Het liep op rolletjes. Daarna deed ik het papier. Die vracht aan papieren in huis, rekeningafschriften die je van de fiscus járen moet bewaren, kranten, tijdschriften, vooral kranten. Marie Kondo maakt onderscheid tussen boeken en papier, namelijk.
Wat een genot, dat weggooien. Mijn rug dacht er anders over, de papierbak hijgde mee, maar het huis zong.
Onbegaanbaar
Daarna kwam het uur U. De boeken moesten eraan geloven. Al die boeken. Daartoe moest ik, strikt naar de letter van Marie, overal in huis boeken op de grond leggen. Dat kostte al een halve dag, maar ook dat hoort bij de KonMarie Method: weken kan het opruimen duren. De vloeren werden in korte tijd volledig onbegaanbaar.
De eerste slachtoffers waren al zichtbaar, ik was gestruikeld over stapels al decennia zorgvuldig bewaarde en keurig opgeborgen strips, die na al die jaren in het donker als nieuw oogden. Nu niet meer…

Marie had mij geleerd dat nog niet gelezen boeken direct weg moeten. Want nog niet gelezen betekent dat je ze nooit zult lezen. Haar regel is: ga de boekhandel in, koop een boek en lees het meteen. Ben je halverwege gekomen en om wat voor reden dan ook opgehouden, dan weet je: dat boek zal nooit uitgelezen worden. Bedank het voor wat het je geleerd heeft: dat je aan de helft genoeg had.
Op die esoterische rimram na klinkt dit niet vals in mijn oren. Wat een vrijheid schuilt erin om af te zijn van al die verplichtingen, van al die moetjes. Ik keek naar al die oude Grieken en Romeinen op de grond, bestemd om integraal te lezen op mijn pensioengerechtigde leeftijd, zoals ik mij op mijn achttiende voornam. Vooral al die dikke delen Livius voelden opeens als een loden last.
Een criante mislukking.
Elk boek moest ik oppakken, had die heks mij wijsgemaakt. De kaft moest ik daarna bevingeren, waarna ik in mijzelf kon nagaan of ik blij werd. Zo niet, weg ermee.
Eindeloos stond ik met het eerst opgetilde, ongelezen boek in mijn handen, Regenboog van de zwaartekracht, de vertaling van Thomas Pynchons magnum opus Gravity’s Rainbow uit 1973. Drie jaar zou Peter Bergsma, een uiterst kundige vertaler, over deze onmogelijke klus gedaan hebben. Ik las de eerste drie pagina’s en werd moe. Misschien niet het juiste moment om aan een roman te beginnen met zo’n vierhonderd personages en een wemeling aan subplots, bij ontstentenis van één enkel verhaal – informatie van Wikipedia. Maar moest het daarom weg? Blij was ik niet geworden, maar van Pynchons roman Vineland, over een stelletje bejaarde hippies, had ik ooit genoten.
Mijn goede voornemen werd een criante mislukking. Uiteindelijk kwam diep in de nacht, nadat de boeken onordelijk weer in kasten gepropt waren, één titel in aanmerking om weggegooid te worden: Marie Kondo’s opruimbijbel. En zelfs daar heb ik spijt van, nu ik deze column schrijf zonder de luxe om haar hier letterlijk te hebben kunnen citeren. Koester je boekenballast.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.