Fotodocument / Het Rotterdam van Otto Snoek

Otto Snoek heeft wel eens een schop onder zijn kont gekregen. Ze hebben hem ook wel eens een harde duw gegeven, en de camera uit zijn hand proberen te trekken. Wie zijn foto’s bekijkt, zal dit niet verbazen. Het mag een wonder heten dat hij nooit het ziekenhuis in is geslagen. Elke keer weer vraag je je af hoe hij ermee weg komt.

Snoek heeft een voorliefde voor de momenten waarop weldenkende mensen het hoofd afwenden, omdat het tafereel te pijnlijk is. Of eigenlijk: omdat we denken dat het tafereel te pijnlijk is. Want doordat we wegkijken, zien we niet dat momenten van ongemak ook schoonheid bevatten, en mededogen oproepen.

Snoek is geobsedeerd door de esthetiek van de lelijkheid. Neem de oude gabber bij een Rotterdamse streetrave, die duidelijk een pilletje te veel op heeft. Hij kijkt alsof hij zojuist van de housekar is gevallen, misschien nadat in de buurt van zijn verhitte schedel een confettikanon is afgeschoten. De blonde beveiligster op de achtergrond staat klaar om hem de goede kant op te sturen, mocht hij per ongeluk een zijstraat in stuiteren. Wonderlijk hoeveel pracht dit tragische tafereel oproept, het speekseldraadje in zijn mond is bijna ontroerend.

Op een andere foto let een man in een leenautootje van garagebedrijf Paternoster BV niet op de weg. Hij loert naar de stoep waar een mollige vrouw in een krap jurkje juist een paar tweelingzusjes passeert die verveeld op het nakomertje wachten dat iets in haar schoen lijkt te hebben. Een van de zusjes zet een been op een paaltje, waardoor passanten zicht hebben op haar onderbroek. In een flits van een seconde, als wij ons gegeneerd afkeren, heeft Snoek het gezien en afgedrukt.

Beheersing

Toen Otto Snoek die schop onder zijn kont kreeg, was hij boos op zichzelf. Boos omdat hij zich onvoldoende had gecamoufleerd. Liever maakt hij geen onderdeel uit van de realiteit zoals die zich voor zijn lens voltrekt. Hij weet dat hij onzichtbaar moet zijn, stil als een gedragsbioloog in het veld. Over zoveel beheersing beschikken niet veel fotografen. De meesten knopen na verloop van tijd toch praatjes aan, is mijn ervaring, en verstoren zo authentieke momenten.

Op reportage maakte ik dat een paar keer mee. Onder meer op een grauwe dag in een kille polder, waar een zogenoemde ottercoördinator en iemand van Werkgroep Ecologische Verbindingen een pleidooi hielden voor de herintroductie van de uitgestorven otter. Daarvoor moesten volgens de coördinator een aantal woonboten uit een bepaald kanaal verwijderd worden. De fotograaf, zelf opgegroeid op een woonboot, kon zich niet voorstellen dat de woonbootbewoners dat over hun kant zouden laten gaan. ‘Die zeggen: rot maar op met je bever,’ schreeuwde de fotograaf het tweetal toe, dat er de rest van de dag het zwijgen toe deed.

Met Otto Snoek zal zoiets nooit gebeuren. De keren dat ik voor VN met hem op pad was, had ik nauwelijks in de gaten dat hij er was. In het buurthuis van het voormalige Rotterdamse heropvoedingsbuurtje Landzicht, waar ik weken bivakkeerde omdat daar het hoogste percentage Fortuyn-stemmers van Nederland woonde, moest Otto Snoek telkens thee voor zichzelf inschenken omdat de bewoners hem niet zagen staan. Hij is gespecialiseerd in over het hoofd worden gezien, verraadt zich pas met een plotselinge klik of flits. Dan kon het gebeuren dat een verhitte bewoner stampei begon te maken, omdat hij gezocht werd voor flessentrekkerij of uitkeringsfraude. Snoek brabbelde dan iets zalvends, het was nauwelijks te verstaan, en tot ieders verbazing droop de bewoner dan af.

Genadeloos

Zijn jachtterrein is Rotterdam, de enige echte stadsjungle van Nederland. Nergens is het contrast groter tussen het oude Nederland van nauwelijks twee generaties geleden – zie de openingsfoto en die van de cake etende bejaarden in de terminal – en het nieuwe Nederland waar een Hindoestaanse Hollander bij het stoplicht triomfantelijk de billen van een blond meisje kneedt.

Dit soort taferelen zet kwaad bloed bij de zich ‘gewoon’ noemende Hollanders. Behalve in Landzicht vind je ze op zondag in het stadion van Feyenoord. Op de foto rechtsonder zien we achter het opgeheven kind een flard van de vader die niet eens zo lang geleden een levensgevaarlijke hooligan was. Nu zit hij in het familievak, met zijn schoonouders en zijn vrouw, die het bestaat om in gewone kleren mee te gaan omdat ze eigenlijk helemaal niet van voetbal houdt.

Het zoontje in Feyenoordtenue zal in de voetsporen van zijn vader treden. Snoek stelt dit helse vooruitzicht bijna devoot voor, als een Christus wordt het kind opgeheven, op eigen kracht zal het naar de moeder fladderen die als een heilige Maria haar armen uitstrekt.

En wat te denken van tante Sjaan, hiernaast? Ze is geen barjuffrouw, maar een toevallige passant. Ze komt bij de kapper vandaan, voor de maandelijkse blondeerbeurt. Je zou kunnen zeggen dat het gemeen is van Otto Snoek om tante Sjaan op deze manier te portretteren, zo bevallig is haar schoonheid toch niet meer. Zelf lijkt ze daar anders over te denken. Tante Sjaan decolleteert zich laag, ze houdt van make-up. Haar broek zit strak, maar de mannen op het terras kijken liever de andere kant op.

Dit is zo’n moment waarop gedragsbioloog Otto Snoek op het krakende takje onder zijn laars trapt en zichzelf verraadt. Hij kan nu beter zijn camera laten zakken en hard wegrennen. In plaats daarvan houdt hij de lens op haar gericht en drukt hij af. De hand die ze uitstrekt, gaat recht op zijn keel af. Ik moet hem nog eens vragen hoe dit is afgelopen.

Uit de foto’s van Otto Snoek spreekt geen hoop, daarvoor zijn ze te genadeloos. Fijne multiculturele plaatjes zijn het ook niet, liever legt hij juist de vinger op de zere plek. De foto’s geven ons een ongemakkelijk gevoel, maar de werkelijkheid is nu eenmaal ongemakkelijk. Otto Snoek laat zien dat je er in elk geval hard om kunt lachen, en dat het meestal niet zo erg is als het lijkt, als je maar durft te blijven kijken. Dat maakt zijn foto’s zo waardevol.

Van 7 maart t/m 17 mei is in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam Snoeks tentoonstelling WHY NOT te zien. Op 7 maart verschijnen ook twee fotoboeken van Otto Snoek: ‘WHY NOT’ bij uitgeverij Episode, en ‘Rotterdam’ bij uitgeverij Witte de With.

Schrijver en journalist Joris van Casteren is voormalig redacteur van Vrij Nederland.