De stad is de stad niet meer, schrijft K. Wiekart in 1962. Ontwikkelingen in de stedenbouw zadelen de moderne stad paradoxaal genoeg op met een lading verse tekorten. ‘De nood van het wonen is meer dan de woningnood.’

Naarmate de stedenbouwkundige ontwikkeling – overal ter wereld – voortgaat, verdwijnt de stad als historische verankerde entiteit. De openheid waarnaar in onze dagen wordt gestreefd, is van een principieel ander karakter dan die van Parijs of Den Haag, waar de ruimte werd gevonden door straten en pleinen een groter oppervlak te geven zonder echter de samenhang in de bebouwing te verbreken. In de hedendaagse stedenbouw is die samenhang bewust opgeheven, althans in de letterlijke zin: huizenblokken en openbare gebouwen staan nu los in de ruimte, niet meer aaneengebouwd langs straten en pleinen. Uiteraard wordt nog wel naar visuele eenheid gestreefd, met meer of minder succes. Het oordeel over die geslachten worden overgelaten, omdat die pas de boombeplantingen zó kunnen zien als door de ontwerpers werd bedoeld: als een integraal deel in hun stadsplan.

Het is wel duidelijk echter, dat vooral in streken waar de weersgesteldheid niet bijzonder vriendelijk is, het leven zich in de nieuwe steden meer dan tot dusverre gebruikelijk was, binnenshuis zal gaan afspelen. Waar losse huizenblokken in groen en bloemen gebed liggen, zal het bij mooi lente- en zomerweer en overdag aangenaam wandelen zijn en ook een verblijf op een caféterras is dan heel plezierig. In de avonduren blijft daar evenwel niets van over, nóch ook bij minder geslaagd weer. Het uitzicht is dan heel anders: groen en bloemen zijne ven grauw als de woonblokken, ’s winters is het kaal en meestal is het een winderig vermaak. In de oudere binnenstad is het ook dan echter nog dikwijls heel aangenaam, door de beschutting van aaneengesloten gebouwenrijen, de winkeletalages, de versiering, het drukke gedoe van het verkeer, de grotere hoeveelheid cafés, bioscopen en terrassen.

In de oudere delen van de stad wonen gaat niet meer zo best.

In die oudere delen wonen gaat niet meer zo best. Kinderloze gezinnen en alleenstaanden geven er nog steeds, en misschien zelfs wel juist nu, de voorkeur aan, maar door het toegenomen verkeer is een drukke binnenstad geen ideale omgeving meer voor spelenede kinderen. Ook de veranderde instelling t.o.v. ruimte, lucht, sport en vrijetijdsbesteding, heeft een trek naar de moderne buitenwijken in de hand gewerkt. Eenmaal daar aangekomen volgen dan dikwijls het heimwee, de frustraties en het afmattende gevoel van opgaan in een onduldbare uniformiteit. Het zijn allemaal zaken die onze stedenbouwers, zelfs waar het tegendeel lijkt te overheersen, genoegzaam bekend zijn. Er wordt dan ook hard naar oplossingen gezocht, maar wie de resultaten zien, wordt er dikwijls heel mistroostig onder.

Wij nemen algemeen aan, dat de slechte bouw de hoofdschuldige is aan onze misère. Slecht bouwen is echter geen monopolie van de laatste decennia, het verschil met roeger is alleen dat wij nu weten dat het zoveel beter kan, en daarom willen wij het ook zoveel beter. De paradox in deze situatie is daarentegen, dat wij niet bereid zijn ook zoveel meer te betalen. Dat ook met het beperkte budget dat wij de bouwers (aannemers en architecten) toestaan, dikwijls veel en veel beter werk kan worden opgeleverd, hoop ik binnenkort aan de hand van een aantal vergelijkingen te illustreren. Een wezenlijke oplossing, die dus ook een redelijk wooncomfort garandeert bij middelmatige of zelfs slechte architectuur, kost geld, veel meer geld dan er nu aan wordt gespendeerd. In dit verband mag misschien wel weer eens gewezen worden op de lezing van prof. Dr. J. Pen, ‘De prioriteit van het wonen’, door de stichting Goed Wonen, en afgedrukt in De Groene Amsterdammer van 10 dec. 1960 (herdrukt in ‘Het aardige van de economie’, Aulareeks, Utrecht 1962). Die lezing zou eigenlijk ieder jaar opnieuw direct op de troonrede moeten volgen en steeds weer de behandeling van de begroting van het ministerie van Huisvesting en Bouwnijverheid moeten inluiden. Almaar op eenzelfde aambeeld hameren pleegt weleens een deuk te geven.

De woningnood, in kwalitatieve en kwantitatieve zin, is – het werd zojuist gezegd ­– niet alleen aansprakelijk voor de tekorten van de moderne stad. De nood van het wonen is veel meer dan de woningnood; die kan ook bestaan bij een overvloed aan comfortabele eigen huizen. Jeugdmisdadigheid bloeit niet slechts in de achterbuurten, prostitutie niet alleen bij maatschappelijk misdeelden en manco aan sociabiliteit is geen typische ondeugd van de sub-modale inkomentrekker. De economische achterstelling is wél vaak een katalysator, misschien zelfs een der oorzaken, en de economische welvaart even vaak een rem op asociaal gedrag, maar de ontsnappingen aan deze ‘regel’ komen te veelvuldig voor om nog van uitzonderingen te kunnen spreken. Er moeten andere krachten werkzaam zijn. Dit is geen nieuws, en zeker ook niet in de kringen van de stedenbouwers, de bestuurlijke, de economische en de bouwkundige. Maar er is wél een gevaarlijke kortsluiting tussen hen die de nieuwe stedenbouw en hen die de oude steden beheren. Dikwijls zijn dat dezelfde personen of instanties; de kortsluiting is dan van interne aard maar zij is even gevaarlijk aanwezig.

In plaats van een samenzijn als massa moet er een samenzijn als gemeenschap komen.

Het moderne levenspatroon, zo heet het dan, vergt een omgeving die ruimte, en dus vrijheid schept. In plaats van een samenzijn als massa moet er een samenzijn als gemeenschap komen. De massaficatie zou dan een kenmerk zijn van de oude stad, de gemeenschap het doel van het nieuwe stedenbouwkundige streven. In beide gevallen zorgde en zorgt dan de bouwwijze van het huis voor de noodzakelijke gezinsintimiteit. Richtinggevend voor deze gedachten is de sociale structuur van de gemeenschap, bepalend voor de ideologie is het zoeken naar een herstel van de natuurlijke band tussen mensen onderling die in onze tijd, en eigenlijk al sinds het begin van de industriële revolutie, verloren is gegaan.

Daar valt weinig tegen in te brengen, theoretisch sluit het allemaal als een bus. De praktijk wijst nogal eens iets anders aan, echter. Nu kunnen veel dingen cijfermatig worden aangetoond; vroeger werd – in verband: helaas – niet zoveel aandacht besteed aan een kwantitatieve analyse van de samenleving. Tegenover de feiten van thans staan daarom slechts gissingen omtrent voorheen: waar zijn de vergelijkingen tegenover het aantal sportclubs, hengel-, biljart- en toneelverenigingen van nú, de volksuniversiteiten, de zangkoren, de verbonden tegen alcoholisme, dierenmishandeling en het vloeken, vóór de ongehuwde moeders, het naïef genieten van de natuur en de studie van de ruimtevaart? Ik geloof niet dat al die dikwijls nuttige, vaak noodzakelijke soms ook wel eens oervervelende of ridicule instellingen, instituties, verenigingen en clubs nu de oplossing zijn voor de fundamentele eenzaamheid van de mens, maar het lijkt op z’n minst aannemelijk, dat er een goed stuk gemeenschapszin van uitgaat. Ik betwijfel of de burenplicht en de vrijwillige brandweer uit rustige tijden daar tegenop wegen.

Scheiding

Maar goed, geen enkele zaak behoeft zijn rechtvaardiging te vinden in een confrontatie met het verleden, en op sociaal gebied valt, als wij iedere vergelijking weglaten, dan toch inderdaad nog heel wat te verbeteren. De stedenbouwers doen daar dus hard aan mee. Maar de zaak loopt klem als te veel naar vroeger wordt gekeken en naar een verre, nauwelijks droombare toekomst, en het heden als quantité négligeable wordt afgedaan. En dat gebeurt op twee manieren.

De eerste manier is de nieuwbouw van buitenwijken als slaapsteden waarbij tegelijkertijd, als verkeerstechnische en eco­nomische noodzaak, het oude centrum wordt gesaneerd door afbreken. Toch is dat, alhans in dit land, vrijwel norm. Ik bedoel met slaapsteden dié nieuwe wij­ken, waarin alleen maar woningen staan, met hier en daar winkels voor goede­ren voor dagelijks gebruik maar die voor werken en ontspannen, voor het echt­ te winkelen, voor cultuur en voor gewoon maar een dolce far niente buitenshuis, op de binnenstad zijn aangewezen. Niemand kan ontkennen dat, met geringe modifi­caties, dit het gangbare beeld van onze nieuwste tuinsteden is. Niemand kan ech­ ter ook ontkennen, dat de oude binnen­ steden het verkeer niet of nauwelijks meer aankunnen, dat het wonen er dik­ wijls mensonwaardig gaat worden, dat er alles is behalve voldoende ruimte en lucht, dat met andere woorden sanering broodnodig is. Het gaat er alleen maar om: hoe?

De tweede manier is het ontwerpen en bouwen van een geheel nieuwe ‘habitat’, die dus én het wonen én het werken én de recreatie en wat dies meer zij moet omvatten, en die niettemin qua grondpatroon nauwelijks afwijkt van de ‘open’ tuinsteden rond oudere kernen, als in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht of Groningen. De moeilijkheden worden hier alleen maar groter, omdat er zélfs geen rest is van wat in een oude binnenstad ook na de meest drastische sanering nog overblijft.

Laten wij eerst de oplossing no. I bezien, de slaapstad dus. Die is nu eenmaal ge­worden zoals wij hem nu kennen; kan­ keren op de fouten heeft er geen zin meer, kritiek kan beter worden gespaard voor wat nog elders gebouwd moet wor­den. Daar zijn misschien — dat is niet eens zo zeker — nog fouten te vermijden. Wat toch nog aan kritiek doorsijpelt is dus preventief bedoeld. De huidige slaap­steden dan zijn voor allesbehalve voor het wonen-in-huis op de oude stad aangewezen althans op een gebied elders. Dat elders is hier niet zomaar een aangename bijkomstigheid, het is een broodnodige aanwezigheid, een levensvoorwaarde, waarvan bij het concipiëren van de tuinstad is uitgegaan. Die tuinstad roept echter ook problemen in de binnenstad op, vooral van verkeerstechnische aard. Er moet, wil het centrum ook een kracht­bron voor de periferie blijven, een soepele communicatie mogelijk zijn, door snel en intensief transport met hoge frequentie. Er moet verder werkgelegenheid zijn, met alle consequenties van transport, van ruimte, van economisch nut. Er moet een uitgebreid winkel-assortiment bestaan, met gelegenheid tot rustig wandelen. Er moeten scholen zijn, die binnen redelijke afstand over sportterreinen moeten kunnen beschikken.

Mij dunkt dat het wonen, in de meest uitgebreide zin van het woord, toch wel een grote en voortdurende aandacht en overden­king waard is.

Zo kan men nog wel even doorgaan, maar bij alles horen ook de communicatiemiddelen van deze tijd, en de eisen die deze stellen, botsen overal en voort­ durend op de eisen van al die andere levensnoodzaken. Saneringen ontnemen een stad een stuk van zijn besloten intimiteit, die zo nodig bleek als compensatie voor de bwonders van de ál te open buitenwijken. Onbelemmerd verkeer bemoeilijkt het winkelen en verhindert het spelen van kinderen. Beperkingen op dit gebied daarentegen hinderen de communicatie en werken du seen te grote isolatie in de hand. En dan is du snog niet eens gesproken over de schade die de historisch gegroeide eenheid van een oud stadscentrum wordt toegebracht bij doorbraken, ongeacht het goede doel van die doorbraken. Het is een heksenketel van tegenstellingen waarin pas een gerecht óók voor gewone stervelingen kan worden gekookt als een goed stel principes radicaal wordt stukgewreven. Ik wil niet pretenderen dat hier nu zal volgen hoe dat stukwrijven moet gebeuren. Het is zélfs niet zo, dat al die principes hier onderkend zullen worden. Ik wil alleen proberen, maar dat kan om wille van de plaatsruimte pas in het volgende nummer, enkele van die principes aan te geven en op hun waarde te onderzoeken.

Weten wat eraan schort, is nog geen bewijs van verbetering; zelfs in een democratie is het realiseren van een wens nog geen eenvoudige zaak. Maar zoals ik n.a.v. Pens rede al zei, is het wél nuttig, bij herhaling en hard­ nekkig desnoods, op bepaalde zaken terug te komen. Mij dunkt dat het wonen, in de meest uitgebreide zin van het woord, toch wel een grote en voortdurende aandacht en overden­king waard is. Per slot van rekening heeft het denken altijd nog aan de wieg van iedere daad gestaan.

helpie

(Wordt vervolgd.) K. Wiekart.