De cellosuites van Bach

Een ritueel, zo noemen ze het spelen van de cellosuites van Bach. Als Jaap ter Linden op het podium plaatsneemt, ervaart hij dit: ‘Ik sluit mij af voor het publiek en zie ons drieën zitten: de grote baas daarboven op zijn troon, ikzelf en mijn cello. Samen gaan we op reis, terwijl Bach over mijn schouder meekijkt.’

Frances-Marie Uitti: ‘Jarenlang ben ik mijn dag begonnen zonder te spreken, maar met het spelen van een Bach-suite. Dat veroorzaakt een transformatie van je denkpatroon. Je komt er anders uit, alsof je een innerlijke massage hebt gehad.’

Sinds Pablo Casals rond 1890 als dertienjarige de cellosuites in een winkeltje bij de haven van Barcelona ontdekte en ze, na twaalf jaar op de noten te hebben gezwoegd, voor het eerst in het openbaar uitvoerde, vormt dit werk het hart van het cellorepertoire. Zelf sprak Casals van ‘kroonjuwelen’ die hij ‘met een onbeschrijflijke opwinding’ begon te spelen. Voor veel cellisten vormen de suites de rode draad in hun muzikale ontwikkeling. Jaap ter Linden bracht onlangs een tweede opname van suites uit en Pieter Wispelwey komt binnenkort zelfs met zijn derde cd-registratie. Het proces van interpreteren en opnieuw verklanken stopt blijkbaar nooit.

Tegelijkertijd heeft de uitvoeringspraktijk grote veranderingen ondergaan door alle ontdekkingen over historische speelwijzen. De nieuwste richtlijnen komen van Sigiswald Kuijken, die beweert dat de suites op een viola da spalla gespeeld moeten worden, een soort basviool die op de schouder steunt. Parallel aan deze puristische opvattingen zijn er hybriden ontstaan tussen historisch en modern: zo bespant Yo-Yo Ma speciaal voor Bach zijn Stradivarius met darmsnaren.

Deze verschillen in benadering zijn nu gebundeld in een concertreeks waarbij zes cellisten ieder één suite spelen. Variërend van Dmitri Ferschtman, als vertegenwoordiger van de romantische Russische school, tot Taco Kooistra, die zijn sporen in de nieuwe én oude muziek heeft verdiend. Meest extreme tegenpolen zijn Jaap ter Linden, barokspecialist van het eerste uur, en Frances-Marie Uitti, boegbeeld van de hedendaagse muziek.

Respectievelijk tien en acht jaar oud streken zij hun eerste Bach-noten weg en hun bewondering voor de partituur is al die jaren onverminderd groot gebleven. ‘Soms zeg ik tegen mijzelf: ‘Kom op, even met beide benen op de grond, Bach was ook maar een gewone barokcomponist,’ vertelt Ter Linden. ‘Maar dat lukt me toch niet. Ook al schreef hij beslist in een barokidioom, wat hij ermee uitdrukt, is nog net zo levend als toen.’

Gevraagd naar het geheim van de suites, noemt Uitti als eerste de perfectie. ‘Mathematisch is het perfect. Er is geen noot verkeerd of een noot die anders zou kunnen. Bij Bach is elke noot onontkoombaar.’ De complexiteit is een andere bron van fascinatie: ‘Zelfs na jaren kun je nog nieuwe dingen ontdekken. De romantische componisten hebben ook prachtige stukken nagelaten, maar zo’n componist vertelt je min of meer wat hij bedoelt en na een aantal jaar kun je hoogstens nog een detail anders interpreteren. Bach is intrinsiek avontuurlijk. De meerstemmigheid maakt dat je de spanning altijd op een nieuwe manier kunt opbouwen. Ik vind het bijvoorbeeld een enorme uitdaging om in de fuga uit de vijfde suite van de allereerste tot de allerlaatste noot de structuur vast te houden. Dat doe ik door middel van visualisatie. Ik schep als het ware een sculptuur in de ruimte.’

Jaap ter Linden ervaart de suites als ‘bouwwerken’. ‘De sonates van Vivaldi of Telemann zijn te beschouwen als een gezellige kamer – leuk ingericht, je kunt met de meubels schuiven en de muren een ander kleurtje geven – maar bij Bach betreed je een kerk. Een filosofisch verhaal waar je niet uit weg komt.’

In tegenstelling tot de abstracte manier waarop Uitti de muziek ervaart, ziet Ter Linden zichzelf als een muzikale storyteller: ‘In de eerste suite “zeg” ik: “Dames en heren, ik laat jullie deze prachtige tuin zien. Dit kleine paadje gaan we in, hier even de hoek om, deze kant op dit bruggetje over, kijk eens wat een mooie paardebloem”.’

Ter Linden pleit voor een zo stijlbewust mogelijke uitvoering van de suites. ‘Ik ben geen purist, maar ik geloof heilig dat muziek uit verschillende perioden op verschillende manieren moet worden benaderd.’ De cello­suites op de viola da spalla spelen, is volgens hem een prima optie, want dat instrument stamt uit de barok en qua formaat kun je de suites er makkelijker op spelen dan op een cello. Maar zeggen dat Bach het zo bedoeld heeft, gaat hem te ver. ‘Bach had geen gevoel voor eeuwigheidswaarde, hij was zich er niet van bewust dat hij de grootste muziek ter wereld schreef. Sommigen denken zelfs dat de suites niet meer dan etudes waren.’

Jaap ter Linden stelt nadrukkelijk niet de waarheid in pacht te hebben, maar hij vindt wel degelijk dat kwesties als intonatie, articulatie en het gebruik van vibrato naar historisch inzicht moeten worden toegepast.

Frances-Marie Uitti speelt op een instrument met staalsnaren en met een klassieke Franse stok. Precies zoals het dus niet hoort. ‘Ik leef in deze tijd,’ verklaart ze. ‘De barokstijl van spelen heeft veel te maken met hoe zo’n oud instrument in elkaar zit. Als je dat gaat imiteren op een modern instrument krijg je een slechte kopie.’ Uitti gaat Bach te lijf vanuit haar ervaring met moderne muziek en de vele componisten met wie ze heeft gewerkt. ‘Door alle nieuwe muziek die ik heb gespeeld, heb ik een stevige compositorische achtergrond. Door die bril benader ik de suites. Ik let erg op structuur, symmetrieën en contrapunt.’ Bach is voor haar een componist hors concours: ‘Bach is de eerste componist die ik ooit gespeeld heb en naar ik hoop ook de laatste. Het zou prachtig zijn je leven te beginnen en te eindigen met Bach.’

Zie voor tournee www.vn.nl