Weinig Nederlandse politici brachten zoveel reuring teweeg als Ayaan Hirsi Ali. Links en rechts, mannen en vrouwen, moslims en niet-moslims vielen over haar leven.
Als een universiteit haar vroeg voor de opening van het academisch jaar, belegden wetenschappers een protestbijeenkomst. ‘Waarom Hirsi Ali uitnodigen als woordvoerder van moslimvrouwen, terwijl er zoveel vrouwen zijn die daar al jarenlang werkelijk voor opkomen?’
Als ze een tentoonstelling opende over homo’s in de Tweede Wereldoorlog, kwamen genderspecialisten met een schuimbekkend opiniestuk. Ze had de homo-emancipatie ‘gekaapt’ voor haar ‘apocalyptische’ strijd tegen de islam. Als een Amerikaans tijdschrift haar plaatste op een lijst van Honderd Invloedrijkste Personen, viel haar hier te lande slechts columnistengeschamper ten deel.
Op 22 april 2006 stond in de Volkskrant een cartoon van Jos Collignon die dit sentiment als geen ander samenvatte. Je ziet een clubje in de weer met actiemateriaal, met daarop de mysterieuze afkorting TAWHAZOD. Waar die letters voor staan, wil een belangstellende weten. Tegen Alles Wat Hirsi Ali Zegt Of Doet, luidt het antwoord.
‘Islamofobische’ agenda
Vermoedelijk is er geen naoorlogse Nederlandse politicus geweest (behalve misschien Pim Fortuyn) die zoveel reuring teweegbracht als Ayaan Hirsi Ali. Vijf jaar lang stond ze bijna onafgebroken in de publiciteit – vanaf haar eerste opiniestuk in november 2001 in dagblad Trouw (‘Gun ons een Voltaire’) tot en met haar vertrek naar de Verenigde Staten in de zomer van 2006.
Hirsi Ali had een missie. Nogal indringend wees ze op misstanden binnen de moslimgemeenschap die in haar ogen te lang met de mantel der liefde waren bedekt – speciaal als het om vrouwen ging. Daarbij nam ze geen genoegen met sociaal-economische verklaringen; zonder enige aarzeling sprak ze over de rol die de islamitische traditie en de Koran hierin speelden.
Ze was niet de eerste die dit deed. Ze was wel de eerste die zich daarbij kon beroepen op eigen, bittere ervaring.
Natuurlijk, niemand heeft om die reden automatisch het gelijk aan zijn zijde. Maar rond Hirsi Ali zag je het tegenovergestelde gebeuren. Ongekend was de weerzin die haar optreden opriep – bij links en bij rechts, bij mannen en bij vrouwen, bij moslims en bij niet-moslims.
Veelgehoord bezwaar: omdat ze ‘getraumatiseerd’ was in haar jeugd (zelf besneden, streng-islamitisch opgevoed) bezat ze een getroebleerd beeld van religie. Eigenlijk had ze geen recht van spreken. Tweede klacht: haar visie op de islam zou ‘polariserend’ en ‘contraproductief’ werken. Uitgerekend de vrouwen die ze wilde bereiken joeg ze ermee in de gordijnen. En dan was er nog het bezwaar dat ‘de zwarte prinses’ een willoos werktuig zou zijn in handen van ‘witte mannen’ die haar misbruikten voor hun eigen ‘islamofobische’ agenda – een seksistische insinuatie die geestig genoeg vooral kwam van feministen als Anja Meulenbelt.
Kennelijk ging het er maar moeilijk in dat een mens (m/v) ondanks traumatische ervaringen heel best het verstand kan behouden. Dat polariseren soms nodig is omdat beschaafd dialogeren de gewenste verandering zelden dichterbij brengt. Dat zelfs een zwarte vrouw haar eigen ideeën kan ontwikkelen.
Hirsi Ali was daarnaast mooi en welbespraakt. Die mix bleek meer dan Nederland kon verdragen.
Martelaarschap
Pijnlijk, zeker in retrospectief, is het wantrouwen dat er heerste tegenover de bedreigingen waarmee ze te maken kreeg. Communis opinio: dat zou wel loslopen.
Dit weekblad droeg daar trouwens niet weinig aan bij. Al op 12 oktober 2002 plaatste het een verhaal onder de kop ‘Tussen bedreigen en bedriegen’. Losjes werd Hirsi Ali daarin vergeleken met simulanten als de acteur Jules Croiset en politica Tara Singh Varma. Suggestie: zij was net zo’n aansteller. Ze had gewoon behoefte aan aandacht.
Niettemin namen de bedreigingen toe. Hirsi Ali – sinds februari 2003 Kamerlid voor de VVD – mocht geen stap meer buiten de deur zetten zonder bewakers. ‘Ze lijkt dat overigens niet erg vervelend te vinden,’ vileinde Anil Ramdas op 30 augustus 2004 in zijn column in NRC Handelsblad, ‘bedreigd worden door fanatieke moslims en beveiligd worden door de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging komen over als een verdienste.’
Wellicht dat door haar toedoen thema’s als eerwraak, huiselijk geweld en genitale verminking niet langer taboe zijn
Twee maanden later vermoordde Mohammed B. Theo van Gogh, de regisseur van haar filmpje Submisson. Uit de brief die hij vastprikte op diens lijk bleek dat hij het eigenlijk op ‘Hirshi Ali’ had gemunt. Wekenlang moest ze onderduiken in het buitenland, aanvankelijk wilde ze haar Kamerwerk niet hervatten. Geert Mak interpreteerde dat in zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid zo: ‘Rondom het Kamerlid ontstond een aura van martelaarschap, een mantel die haar bijna onaantastbaar maakte.’ Dat viel in de praktijk, zou je zeggen, nogal mee.
Op 27 april 2006 – ze woonde inmiddels in een hyperbeveiligde flat in Den Haag – deed het Gerechtshof uitspraak in een rechtszaak die haar buren hadden aangespannen. Binnen vier maanden moest ze het appartementencomplex verlaten. Motivatie van het hof: de buren voelden zich niet meer veilig ‘op de plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen: hun eigen woning’. Of de politica zich veilig voelde, achtte de Nederlandse rechtsstaat blijkbaar van ondergeschikt belang.
En het wantrouwen woekerde voort. Op 11 mei 2006 wijdde het VARA-programma Zembla een complete aflevering aan Hirsi Ali onder de titel ‘De heilige Ayaan’. Met een stalen gezicht bracht het een onthulling die geen onthulling was: dat ze had gelogen bij haar asielaanvraag – iets waarover ze nimmer geheimzinnig had gedaan.
Bizar genoeg had de uitzending toch tot gevolg dat ze haar paspoort dreigde kwijt te raken (met dank aan haar partijgenoot, minister Rita Verdonk). Eerder dan ze van plan was, gaf ze haar Kamerlidmaatschap op en vertrok naar de Verenigde Staten.
Uit een opiniepeiling van Maurice de Hond bleek dat driekwart van de Nederlanders er geen traan om liet. Of, zoals partijgenoot Hans Wiegel het formuleerde: ‘Het aanstaande vertrek van Hirsi Ali uit de Tweede Kamer is geen verlies voor de VVD en ook niet voor de Tweede Kamer.’
Steeds meer alleen
Welke sporen heeft Ayaan Hirsi Ali in Nederland nagelaten?
Vaststaat dat menigeen haar enorme invloed toedichtte. Nog in 2007 betoogde cultuursociologe Yolanda van Tilborgh in haar boek Wij zijn Nederland dat Hirsi Ali’s medestanders beter georganiseerd waren dan haar tegenstanders én konden rekenen op de steun van een groot deel van het establishment. Ik zou zeggen: wellicht dat door haar toedoen thema’s als eerwraak, huiselijk geweld en genitale verminking niet langer taboe zijn. Zelfs de luitjes die van haar griezelden, erkennen immers sindsdien dat dit problemen zijn die om aanpak vragen. Het is geen geringe verdienste. Maar verder?
Een van de weinigen die haar invloed in het juiste perspectief plaatsten, was de socioloog Ruud Koopmans. Systematisch onderzocht hij de vijf grote landelijke dagbladen op stukken over Hirsi Ali. ‘Ze was lang niet zo prominent aanwezig in het publieke debat,’ concludeerde hij op 1 juli 2006 in NRC Handelsblad, ‘en lang niet zo toonzettend als vaak gedacht wordt.’ Eigenlijk, zei hij, stond ze gaandeweg ‘steeds meer’ alleen. Dat ze uiteindelijk koos voor een bestaan elders was alleszins begrijpelijk. Maar dat er voor deze flamboyante, kleurrijke politica in dit land geen plaats bleek te zijn, vervult mij tot op de dag van vandaag met schaamte.
Compromisloos islamcritica
Ayaan Hirsi Ali (Somalië, 1969) woonde van 1992 tot 2006 in Nederland. Als Kamerlid voor de VVD, vanaf 2003, ontwikkelde ze zich tot een prominent criticus van misstanden in de moslimgemeenschap. Tegenwoordig woont ze in de VS en doet ze onderzoek naar de relatie tussen het Westen en de islam, aan Harvard University.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.