Reportage / Boeren in China

Volgens een even oude als opmerkelijke traditie begraven de boeren in de Chinese provincie Anhui de doden op hun akkers. Midden in de uitgestrekte graanvelden steken her en der grafheuvels omhoog – de volkswijsheid van feng shui, letterlijk ‘wind en water’, schrijft voor dat hogere rustplaatsen beter zijn dan lagere. Sommige graven zijn versierd met bloemen, andere dragen een eenvoudige gedenksteen.

Het verbouwen van graan verloopt volgens een al even oud stramien. De meeste boeren in Anhui doen alles met de hand: het land omploegen, bemesten, inzaaien en oogsten. Geld voor een maaidorser hebben ze domweg niet. De immense akkers van de voormalige staatsboerderijen zijn na 1978 opgeknipt en verdeeld in piepkleine ‘familiestroken’ van nog geen 0,6 hectare. Een viertal hoekstenen markeert de grenzen.

In het noordoosten van de provincie rusten boer Zhang en zijn vrouw uit op hun kleine akkertje. De afgelopen uren hebben ze gebukt gestaan om het onkruid tussen het jonge graan te verwijderen en wat kunstmest uit te strooien. Hun inspanningen leveren weinig op, vertellen ze. Vorig jaar hebben ze net iets meer dan duizend yuan (honderd euro) verdiend. Van hun twee zonen, die werken in een stad in de verre provincie Gangsu, krijgen ze wat extra geld.

‘Het leven is zwaar,’ zucht Zhang. ‘We hebben zelf ook geprobeerd werk te vinden in de stad, maar dat is moeilijk als je geen opleiding hebt gehad.’

Ezelskarretjes

Anhui heeft een oppervlakte van drie keer Nederland en telt bijna vijf keer zoveel inwoners. Het staat bekend als nongye dashen, een grote boerenprovincie, wat in China zo’n beetje synoniem is voor straatarm. Op het platteland van Anhui wonen vijftig miljoen boeren. Dit is niet China zoals het land zich graag profileert: geen fonkelende wolkenkrabbers van wereldarchitecten, BMW’s of flagship stores van Prada en Louis Vuitton, maar simpele woningen, ezelskarretjes en af en toe een weekmarkt met groente en fruit.

In 2009 viert China zestig jaar communistisch leiderschap en dertig jaar ‘openingspolitiek’. Om met het Klein Orkest te spreken: er is in die tijd veel bereikt. Sinds kort mag China zich de derde grootste economie ter wereld noemen, na de Verenigde Staten en Japan. Het nationaal product groeide decennialang met een slordige tien procent per jaar. Toch geven die cijfers een vertekend beeld. Want achthonderd miljoen boeren, ooit de iconen van de communistische revolutie tegen ‘de uitbuiting door kapitalistische grootgrondbezitters’, leiden een pover bestaan. De kloof met de nieuwe rijken in miljoenensteden als Shanghai, Peking of Guangzhou groeit met de dag. En de wereldwijde economische crisis zal de verschillen eerder vergroten dan verkleinen.

Kinderen en bejaarden

In een lommerrijke omgeving aan de rand van de graanvelden bij de provinciestad Sixian vormt een twintigtal kleikleurige huizen een naamloos dorp, zoals Anhui er vele kent. Een oude vrouw zonder tanden schuifelt over een stoffig zandpad naar de ouderwetse dorpspomp, de enige watervoorziening voor de huizen. Even verderop doet een ommuurde latrine dienst als gemeenschappelijk toilet. Er wonen vooral kinderen, bejaarden en een enkele jonge vrouw. Mannen van tussen de achttien en zestig jaar ontbreken. ‘Mijn man werkt in de stad,’ zegt een boerenvrouw die in de deuropening verschijnt. ‘En ik zorg voor het land.’ Achter haar speelt haar zoontje op de betonnen vloer waarop meubels ontbreken. Een paar kippen lopen vrijelijk door de kamer.

Wie alleen de steden kent, zou soms haast vergeten dat China nog altijd voor een groot deel een ontwikkelingsland is. Gemeten naar bruto nationaal product per hoofd van de bevolking staat China op de honderdste plek op de IMF-wereldranglijst, onder bijvoorbeeld Egypte. Daarbij kent China een van de meest ongelijke inkomensverdelingen in de wereld – toch opvallend voor een staat die in naam nog altijd communistisch is. Het gemiddelde jaarinkomen van een boer in Anhui ligt rond de drieduizend yuan (driehonderd euro). Een paar uur per trein naar het oosten, in het mondaine Shanghai, toucheren werknemers gemiddeld meer dan twintigduizend yuan (tweeduizend euro). Geen wonder dat veel boeren uit Anhui het verbouwen van hun graan en het opvoeden van hun kind overlaten aan hun ouders en zelf naar de stad vertrekken. Daar zoeken ze een baan als schoonmaker (de vrouwen), bouwvakker (de mannen) of fabrieksarbeider (vrouwen en mannen). Ze zijn er onderdeel van een almaar groeiende ‘migrantenpopulatie’ van tweederangs burgers die minder geld en minder rechten hebben dan de ‘echte’ stedelingen en die de slechtste huizen bevolken.

Het is deze groep die momenteel het hardst wordt getroffen door de huidige economische malaise. Ruim twintig miljoen van hen hebben hun baan inmiddels verloren, becijferde de Chinese overheid.

Rellen en onlusten

De partijtop in Peking ziet inmiddels ook in dat de inkomensverschillen een sta-in-de-weg zijn voor de zo vurig gewenste ‘harmonieuze samenleving’. Of, zoals een belangrijk adviesorgaan van de partij het formuleerde, de enorme ongelijkheid vormt ‘de wortel van disharmonie’ en kan leiden tot ‘sociale instabiliteit’. In gewoon Nederlands: massale rellen en onlusten, die in China steeds vaker voorkomen. Turfde de Chinese overheid in 1994 nog tienduizend ‘massa-incidenten’, in 2004 was dat aantal opgelopen tot zeventigduizend en in 2006 tot maar liefst negentigduizend. Sindsdien heeft de overheid de cijfers niet meer gepubliceerd – het laat zich raden waarom.

Peking verhoogde de laatste jaren het inkomen van boeren door middel van graansubsidies en belastingkortingen. Een soortgelijke maatregel is de ‘plattelandskorting’ die de laatste maanden in zwang is: boerenfamilies krijgen een fikse overheidsbijdrage bij de aankoop van een ijskast, motorfiets of televisie. Zo hoopt de Chinese overheid de in het slop geraakte economie draaiende te houden. Maar dat zijn allemaal incidentele maatregelen met een eenmalig loonverhogend effect.

In oktober vorig jaar lanceerde de partijtop met veel bombarie een nieuw plan dat ervoor moet zorgen dat het netto inkomen van de boeren voor 2020 structureel is verdubbeld. Het Volksdagblad, spreekbuis van de communistische partij, kwam superlatieven tekort voor deze ‘grote, belangrijke, historische beslissing met verstrekkende gevolgen’.

De maatregelen richten zich op de starre grondpolitiek in China, een overblijfsel uit de communistische planeconomie. Dertig jaar geleden, toen de Chinese leider Deng Xiaopeng de collectieve staatsboerderijen liet ontmantelen, kregen families een eigen stukje grond in bruikleen maar het land bleef eigendom van ‘het collectief’. De boeren kregen gebruikersrecht voor vijftien jaar, wat later werd verlengd met nog eens dertig jaar.

Onder het nieuwe plan blijven de ‘collectieven’ weliswaar eigenaar van de grond, maar mogen de boeren hun gebruikersrecht onderling onderverhuren of verkopen. Zo, redeneert Peking, kunnen de kleine familie-akkertjes aaneen worden gesmeed tot grote velden die in de vaart der volkeren worden klaargestoomd voor moderne, grootschalige en efficiënte landbouw die meer geld en voedsel oplevert.

Megametropolen

In het centrum van de miljoenenstad Hangzhou zit professor Huang Zuhui, hoofd van het Center for Agricultural and Rural Development van de Zhejiang-universiteit, aan zijn bureau achter een enorme stapel dossiers. Hij kijkt quasi-verbaasd. ‘Wat ik vind van de nieuwe grondpolitiek? Welke nieuwe grondpolitiek?’ Nou, dat boeren hun land mogen onderverhuren. ‘Volgens mij is dat niet zo nieuw,’ zegt Huang Zuhui, ‘dat gebeurt nu al. Maar dan informeel. Boeren die in de stad werken als migrantwerker laten hun land beheren door de buurman en vragen daarvoor een vergoeding.’ Verandert er dan niets in de nieuwe wet? ‘Een paar dingen. Maar je kan het moeilijk een nieuwe grondpolitiek noemen.’

Het werkvertrek van de professor is gevuld met honderden boeken over de ontwikkelingen in de Chinese landbouw. In de hoek staat een airconditioner die aangenaam warme lucht de ruimte in blaast. Huang is, benadrukt hij, ook geen voorstander van volledige privatisering waarbij boeren eigenaar worden van hun eigen grond. ‘Dan loop je het gevaar dat boeren massaal hun land verkopen en een groot aantal van hen eindigt met niets. Hoe moeten zij dan overleven?’

Wat in zijn ogen prioriteit heeft, is duidelijkheid scheppen over het eigendomsrecht. ‘In de Chinese wet staat dat de akkers eigendom zijn van het collectief,’ zegt hij. ‘Maar wie of wat is dat? In sommige streken zijn de boeren sterk, maar in andere gebieden wordt het collectief gevormd door alleen de lokale dorpsleider, die de grond beheert alsof hij eigenaar is.’

En dat betekent dat sommige dorpsleiders landbouwgrond naar eigen goeddunken laten onteigenen en inzetten voor persoonlijk gewin, zonder dat de boer in kwestie voldoende gecompenseerd wordt. De directeur van het Onderzoekscentrum naar Sociale Problematiek van de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen schreef begin dit jaar in het gezaghebbende magazine Caijing dat tachtig procent van alle massaprotesten in China inmiddels wordt veroorzaakt door dergelijke disputen.

‘Onder de zogenaamde nieuwe grondpolitiek wordt het lastiger om de bestemming van de grond te wijzigen,’ zegt Huang. ‘Dus lokale autoriteiten kunnen moeilijker land onteigenen om er een industrieterrein te laten bouwen. Dat lijkt boeren een sterkere positie te geven, maar het heeft ook negatieve effecten. Want zonder grond kan een stad geen nieuwe industrie ontwikkelen.’

Een ander punt dat de professor aanstipt, is de duur van de landcontracten. Die is zoals gezegd momenteel dertig jaar. Rond 2023 lopen de meeste contracten af. Geen aanlokkelijk vooruitzicht voor wie nu grote investeringen in de landbouwsector wil doen. ‘De overheid zegt dat boeren zich daarover geen zorgen hoeven te maken en dat de contracten straks worden verlengd,’ zegt Huang. ‘Ik denk dat het goed is het exact te omschrijven. Waarom zeggen we niet: het gebruikersrecht geldt voor zeventig jaar, of misschien zelfs honderd?’

Uiteindelijk, zegt hij, moeten boeren meer mogelijkheden krijgen om zich aan de armoede te onttrekken. Dat betekent: stoppen met het verbouwen van graan en werk zoeken in de stad. Maar dat is lang niet voor iedereen een optie. ‘De huren in Shanghai of Hangzhou zijn voor veel mensen op het platteland te hoog. Ze kunnen die stap niet nemen.’

En werk zoeken in een middelgrote stad in de buurt heeft geen zin, al was het maar omdat er nauwelijks middelgrote steden zijn. De afgelopen dertig jaar heeft de Chinese overheid eenzijdig gekozen voor de ontwikkeling van miljoenensteden, veelal gelegen aan de oost- en zuidkust van China. Als gevolg daarvan zijn samenklonteringen van mega-metropolen ontstaan van een omvang die de meeste Europeanen moeilijk kunnen bevatten. De Beijing-Tianjin-as telt in totaal veertig miljoen zielen, in de Yangtzedelta (Shanghai, Hangzhou, Nanjing) wonen tachtig miljoen mensen en in de zuidelijke Parelrivierdelta (Guangzhou, Shenzhen en Hongkong) zestig miljoen. Op een paar losse miljoenensteden na, bestaat de rest van China min of meer uit platteland.

Protserig

Bij de graanvelden aan de rand van de bebouwing van de provinciestad Sixian staan zes mannen op zondagmiddag druk te overleggen bij een braakliggend stuk grond. Een van hen tekent met een stok een paar lijnen in het modderige zand. Het blijkt een plattegrond van het huis dat hij wil bouwen. ‘We zijn hier omdat we hem daarbij gaan helpen,’ vertelt de meest spraakzame van de zes. ‘We komen allemaal uit deze streek en we kennen elkaar al heel lang. Maar tegenwoordig werken we allemaal in verschillende steden.’

Overal in Anhui zie je dit soort huizen van migrantwerkers. Ze steken nogal protserig af bij de eenvoudige lokale boerderijen. Sommige zijn versierd met Romeinse zuilen en allemaal tellen ze minstens drie etages – wat hier gemakkelijk voor hoogbouw kan doorgaan. Zo tonen de boeren die zijn vertrokken naar de fabrieken elders in China aan de achterblijvers hoe succesvol hun nieuwe stadse leven is.

Even verderop kijkt meneer Wang over de graanvelden naar de zon die weldra achter de horizon zal verdwijnen. Hij heeft een brede lach op zijn gebruinde gezicht. En met reden. ‘De zaken gaan uitstekend,’ roept hij als ik ernaar vraag. De negenenveertigjarige Wang is een van de weinige boeren die een manier hebben gevonden om geld te verdienen zonder naar de stad te trekken. ‘Ik zou niet kunnen werken voor een baas,’ zegt hij droogjes.

Op zijn voormalige erf tussen de graanvelden staat een soort pers waarmee hij stenen maakt, zo’n duizend stuks per dag. Of om precies te zijn: dat láát hij doen. De zaken gaan inmiddels zo goed dat hij twee werknemers in dienst heeft genomen. Ze rijden met kruiwagens vol grintmengsel naar de machine, persen de stenen en dragen ze een voor een naar achteren. Op het erf staan lange rechte rijen stenen te drogen. Verkoopprijs: 1,3 mao (1,3 eurocent) per stuk.

‘Op de rest van mijn land verbouw ik nog steeds graan,’ zegt Wang. ‘Maar dit levert meer op.’

Bewust arm gehouden

Dit soort bedrijvigheid is zeldzaam in Anhui, en in andere delen van het Chinese platteland. Hoe dat komt, weet Yasheng Huang, hoogleraar aan de gerenommeerde Amerikaanse business universiteit MIT en schrijver van het boek Capitalism with Chinese Characteristics. Op een woensdagavond in januari houdt hij een lezing voor de verzamelde pers in het Mexicaanse restaurant Maya te Shanghai. Huang, Pekinees van geboorte, oordeelt snoeihard over het economisch beleid van de Chinese overheid.

Hij formuleert zorgvuldig maar scherp en baseert zijn verhaal op eindeloze reeksen getallen over de inkomensontwikkeling in China. ‘Er is geen twijfel over mogelijk,’ zegt hij, ‘dat China een van de meest indrukwekkende economische succesverhalen kent uit de geschiedenis van de mensheid. Maar dat komt door hervormingen in de jaren tachtig. Daarna, in de jaren negentig, heeft de overheid maatregelen genomen die het land hebben geschaad.’

Zijn stelling: de Chinese overheid heeft de boeren bewust arm gehouden om de steden in het oosten en zuiden te ontwikkelen. Dat hebben ze, kort gezegd, gedaan door alle bedrijvigheid op het platteland vakkundig de nek om te draaien en het overvloedige overheidsgeld alleen te investeren in prestigeprojecten: alweer een nieuwe luchthaven, of nog meer nieuwe wolkenkrabbers in Shanghai of Peking, de paradepaardjes van de overheid. ‘Kapitaalvernietiging,’ noemt Yasheng Huang het. ‘Niemand heeft me ooit kunnen uitleggen dat er efficiënter wordt gewerkt als de overheid in een wolkenkrabber gaat zitten.’

In zijn ogen vormde juist de plattelandsbevolking in de jaren tachtig de motor achter het economische wonder van China. Boeren in het hele land begonnen miljoenen kleine bedrijfjes in andere sectoren dan de landbouw. Maar in de jaren negentig verordonneerde Peking dat de agrarische kredietcoöperaties op het platteland moesten stoppen met het verstrekken van kredieten aan industriële projecten en alleen landbouw mochten stimuleren. Bij gebrek aan financiering stierf daarna elk niet-agrarisch initiatief een voortijdige dood.

Geen wonder dat sinds de jaren negentig dagelijks honderden migrantwerkers uit de provincie stonden opgesteld voor de poorten van fabrieken in Guangzhou om te bedelen om een baan. Tegen lage lonen uiteraard, want hoe hoger het aanbod, des te lager de prijs. En dat is niet alleen slecht voor de arbeiders zelf, het zet ook een rem op de innovatie. Als fabriekseigenaar hoef je over automatisering niet te peinzen als de arbeidskosten zo laag zijn.

Druk op de overheid

De Chinese boeren, ooit de helden van de revolutie, zijn daarmee verworden tot tweederangs burgers. De enige manier voor de overheid om het tij te keren lijkt meer economische liberalisatie, en daarmee persoonlijke vrijheid voor deze groep van achthonderd miljoen. Maar of de communistische partij bereid zal zijn ook het platteland, haar laatste bastion van alomvattende macht, af te staan aan de markt? Het zal erom spannen.

De wereldwijde economische crisis zal de druk op de overheid in elk geval vergroten. Want nu de ene na de andere fabriek in Guangzhou failliet gaat omdat klanten in Europa en Amerika geen plastic hobbelpaarden of breedbeeldtelevisies meer kopen, zijn miljoenen werkloze fabrieksarbeiders weer terug in hun boerendorp. En daar is niets. Geen werk, geen geld en geen vertier. De overheid zal iets moeten doen, want kortingsbonnen voor televisies en ijskasten zijn onvoldoende om deze groep tevreden te stellen.