De vertrekkers 3 / Farah Karimi (GroenLinks)
‘Acht jaar geleden ben ik in de Tweede Kamer gekomen omdat ik nieuwsgierig was naar de werking van de democratie. In het Iran dat ik ontvluchtte, kenden we geen democratie. Nu, acht jaar later, krijg ik steeds meer het gevoel dat mijn inspiratie aan het verdwijnen is. Ik heb niet meer het idee dat ik in de Kamer nog iets kan bijdragen aan mijn grote thema’s, zoals de oorlog in Irak. De argumenten die ik tegen de Nederlandse deelname aan die oorlog heb aangevoerd, zijn elke keer achteraf bewaarheid geworden. Er waren in Irak geen massavernietigingswapens. Er was geen link tussen Saddam Hoessein en Osama bin Laden. De bezetting is een voedingsbodem voor terrorisme gebleken. Het probleem is dat mijn argumenten er niets toe gedaan hebben. Ik hoor geen tegenargumenten. Ik hoor niets. De meerderheid zet het gewoon door. Dat is me in mijn acht Kamerjaren het meest tegengevallen. Dat argumenten in de Tweede Kamer nooit doorslaggevend zijn.’
Nee, zegt Farah Karimi. Ze kijkt niet teleurgesteld terug op de jaren waarin ze de Nederlandse democratie van dichtbij heeft mogen meemaken. Als ze, wat vaak voorkwam, in het buitenland verbleef, dan was ze ontzettend trots op haar Kamerlidmaatschap. Dan vertelde ze aan wie het horen wilde dat ze nog geen tien jaar in Nederland was, of ze mocht al volwaardig in het parlement aan de politiek deelnemen! Maar als ze er nu, aan het einde van die jaren, op terugkijkt, dan zegt ze ook: ‘Dat heb ik het meest verbazingwekkende gevonden. Dat ik in al die acht jaren nooit, maar dan ook echt nooit, iemand in het parlement tegen iemand anders heb horen zeggen: ‘Ik dacht er zo over. Nu denk ik er anders over. U heeft mij overtuigd.’
Het heeft, denkt ze, met de druk van de media te maken: ‘In Nederland heet van mening veranderen al gauw draaien.’
In de tweede kamer heeft Farah Karimi vaker dan haar lief is gezien dat de daar gepraktiseerde vorm van democratie kan ontaarden in een vorm van schijndemocratie. Dan worden er debatten gehouden terwijl de beslissing feitelijk al is genomen. Of dan doen in het debat argumenten niet ter zake.
Ze vindt dat de Tweede Kamer in essentiële kwesties veel vaker als één vasthoudende controleur van de regering op zou moeten treden. Maar ze ziet dat het tegendeel doorgaans het geval is. Dan gaan de regeringsfracties dwars voor hun eigen ministers liggen. De PvdA tijdens Kok II nóg sterker dan de VVD en het CDA nu onder Balkenende III. ‘In Nederland houden regeringscoalities weinig rekening met de oppositie.’
Farah Karimi: ‘De grootste blamage voor de democratie vond ik de weigering van de regering, gesteund door de regeringsfracties, om zelfs maar te willen spreken over de motieven op grond waarvan Nederland politieke steun verleende aan de oorlog in Irak. Onze inlichtingendiensten, kregen we te horen, bevestigden wat de inlichtingendiensten van de Verenigde Staten en van het Verenigd Koninkrijk aan het licht gebracht hadden. Die inlichtingen zijn totaal onjuist gebleken. Dan is het of het een of het ander. Of onze inlichtingendiensten hebben het ook verkeerd gezien. Of ze hebben die conclusie nooit opgeschreven. Daar moet een Kamer over geïnformeerd worden. Het gaat hier niet om niks, het gaat om oorlog of vrede. Tot de dag van vandaag heb ik met al mijn vragen daarover nul op het rekest gekregen.’
Ze ziet een uitweg: ‘In de Tweede Kamer zouden ook minderheden het recht moeten krijgen om een enquête of een feitenonderzoek te entameren. Dat zou heel goed zijn voor de werking van het parlement’.
Ze gebruikt het woord tot drie maal toe maal toe: ‘Schandalig.’
Ik vroeg haar of ze zich voldoende ondersteund gevoeld heeft om haar parlementaire controlewerk naar behoren te kunnen uitoefenen. ‘Ik vind het schandalig hoe weinig ondersteuning Kamerleden hebben. Ongelofelijk. Ik zit bij een kleine partij, ik moet drie ministers controleren. Daar heb ik anderhalve medewerker voor.’
Farah Karimi komt amper uit boven de torens aan dossiers die haar werkkamer het aanzien geven van een pakhuis in bedrukt papier. ‘Dat heeft me’, zegt ze, ‘ontzettend verbaasd. Dat de Tweede Kamer het centrum is van de democratie, de kern van de politieke legitimiteit. En dat het voor een Kamerlid godsonmogelijk is, niet te geloven zo onmogelijk, om drie departementen grondig te controleren. Ik heb ook Ontwikkelingssamenwerking in mijn portefeuille. Daar gaat per jaar vier miljard in om. Kan ik dat controleren? Vergeet het maar. Ik vind de controle op de bestedingen van Ontwikke-lingssamenwerking een flutcontrole. Stelt helemaal niks voor.’
Het allermerkwaardigste wat Farah Karimi in haar acht Kamerjaren over het functioneren van de politiek in Nederland geleerd zegt te hebben, is het feit dat de Kamer pas echt tot controle op de regering overgaat als de kwestie waar het om gaat is gedepolitiseerd. Als het bij uitzondering zover komt, dan stelt de Kamer een onderzoekscommissie in of een enquêtecommissie die het probleem niet in partijpolitieke maar in algemene termen onder woorden brengt. En dan blijkt dat Kamerleden van alle richtingen elkaar juist wel als gezamenlijke controleurs kunnen vinden. Farah Karimi: ‘Het kan heel lang duren voor het zover is. Bij Srebrenica heeft het jaren geduurd voor er een enquêtecommissie kwam. Maar zodra zo’n onderzoekscommissie aan het werk gaat, stappen Kamerleden uit hun dagelijkse partijrol. Dan werken ze plotseling wél gezamenlijk aan een opdracht. Dan wordt er wél naar elkaars argumenten geluisterd.’ Zelf heeft ze deel uitgemaakt van de werkgroep die de Herculesramp onderzocht. ‘Pas in die commissie leerde ik mijn collega’s kennen als gewone mensen.’ Met twee of drie andersdenkenden is ze sindsdien bevriend geraakt. Onder hen ten minste één VVD’er.
Als ieder nieuw Kamerlid heeft Farah Karimi er veel tijd voor nodig gehad om in de gaten te krijgen hoe het spel in de Tweede Kamer gespeeld wordt. Zo heeft ze moeten ontdekken dat in de Kamer de ogenschijnlijk eenvoudige proceduredebatjes in wezen vaak bepalend zijn voor de politieke inbreng. Ze herinnert zich zulke debatjes waar de VVD of het CDA plotseling met zeven of met acht mensen op afkwam, alleen om te verhinderen dat zij een van hun ministers zou gaan interpelleren. Ze refereert aan de kwestie van de ambtsberichten op grond waarvan vreemdelingen al dan niet uitgezet worden naar hun land van herkomst. Die worden opgesteld door Buitenlandse Zaken. Maar de conclusies voor het asielbeleid – kunnen we mensen terugsturen? – worden getrokken door minister Verdonk. Ook als het ambtsbericht vernietigend is over de veiligheid in een land, dan nog zegt minister Verdonk (en zeiden in vorige kabinetten dienstdoende staatssecretarissen) dat het veilig is. Farah Karimi wilde de minister van Buitenlandse Zaken over die conclusies bevragen. ‘Bij die gelegenheid kwam de VVD met twintig man in de commissie opdagen, alleen maar om te verhinderen dat de conclusie van minister Verdonk in twijfel getrokken moest worden door minister Bot.
Ze geeft nog een voorbeeld.
Kort na het jongste zomerreces wilde de regering de Nederlandse soldaten in Afghanistan ook buiten Uruzgan laten optreden. Farah Karimi wilde daarover een spoeddebat met minister Kamp. Nu wil niemand de boeken in als degene die een debat over Uruzgan heeft tegengehouden en dus zeiden de aanwezige Kamerleden van een coalitiepartij dat ‘het spoedkarakter hun ontging’. Ze vroegen zich af of er niet eerst ‘een brief van de minister’ kon komen. Om kort te gaan: twee dagen lang heeft Farah Karimi er procedureel voor moeten knokken om met minister Kamp in de Kamercommissie een debat over een toch echt niet onbeduidende kwestie te mogen voeren.
Ja, zegt ze. Dat heeft haar wel verrast. De mate waarin Nederlandse politici woorden gebruiken om hun zin door te drukken en tegelijk hun werkelijke bedoelingen te verhullen. Farah Karimi: ‘Wij zijn naar Afghanistan gegaan om de mensen daar te helpen. Dat hoor je te zeggen, dat zeggen de Kamerleden dus ook. Niemand zegt waar het op neerkomt. Dat we erheen zijn gegaan omdat Amerika in Irak in de problemen zit.’
Hypocrisie? Farah Karimi vraag het zich af. ‘Kan het er anders, eerlijker, opener aan toe gaan als je de macht hebt?’ Ze weet het niet. Ze twijfelt. En soms verbaast ze zich. ‘Dan doe ik de deur van mijn werkkamer dicht en dan zit ik hier met collega’s of met oud-ministers, met wie dan ook onder vier ogen, en dan zijn ze het met mijn argumenten eens. Dan vinden ze ook dat de manier waarop Israël met de Palestijnen omgaat niet juist is, en dat Israël de extremisten in de kaart speelt. Maar doe je de deur dan weer open en staat er buiten op de gang een camera te wachten, dan wordt hun verhaal ineens heel anders’.
Als lid van een oppositiefractie, zegt Farah Karimi, heb je sowieso een enorme, welhaast onoverbrugbare informatieachterstand op je collega’s van een regeringsfractie. Ze heeft, vertelt ze, voor haar boek over Afghanistan Jozias van Aartsen geïnterviewd. Hij verklapte haar dat hij rond mei 2005 al op de hoogte was van plannen om Nederlandse militairen naar het zuiden van Afghanistan te sturen. ‘Over Uruzgan hoorde ik eind augustus pas van, bij toeval, toen ik in Afghanistan op bezoek was.’
‘Het zou,’ zegt ze, ‘niet eerlijk en niet juist zijn om te zeggen dat het bij GroenLinks totaal anders werkt.’ Ook in haar partij en ook in haar fractie ben je weg als er zelden of nooit citaten van je in een krant staan. De scoringsdrift is onder Kamerleden, al was het maar uit lijfsbehoud, ongelofelijk hoog. ‘Ik denk wel dat er bij GroenLinks wat zachtere omgangsvormen heersen. Die competitiegeest die er in andere fracties heerst, verschrikkelijk. Ik had het geen acht jaar in de Kamer volgehouden, vrees ik, als ik niet in de fractie van GroenLinks had gezeten.’
Ze komt er zelf op terug. Eén keer, zegt ze, zichzelf corrigerend. Eén keer heeft een politicus het tegen haar gezegd. Maarten van Traa, helaas overleden. Wat een verademing was dat! ‘Mevrouw Karimi,’ zei van Traa. ‘U heeft mij kunnen overtuigen.’ Dat vermogen, zegt Farah Karimi, dat is uit de politiek aan het verdwijnen. ‘En dat is niet goed voor een vitale democratie.’
Farah Karimi wil allesbehalve overkomen als een onheilsprofeet. ‘Als ik naar mezelf kijk’, zegt ze, ‘vind ik het soms echt ongelofelijk. Ik kwam in Nederland zonder ervaring en met een enorme achterstand in historische kennis over dit land. Ik kende de democratie niet uit eigen ervaring. Ik keek er enorm tegen op. En nu besef ik dat ik de kans gekregen heb om mijn eigen plek behoorlijk te veroveren.’ Ze lacht er opgewekt bij. ‘Ik zou die acht jaar echt niet hebben willen missen. Bij al mijn kritiek, de democratie in Nederland is het waard om voor te knokken.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.