Politiek / Polarisering in de VS

Amerikaanse verkiezingen vinden wij spannender dan de onze. Daar ginder is de politiek valser, verhitter en ­gepolariseerder dan hier. Met slinkse trucs proberen kandidaten hun tegenstanders dwars te zitten. Maar de spanning en de tegenstellingen in de Ameri­kaanse politiek hebben ook keerzijden. In een fascinerend boek getiteld It’s Even Worse Than It Looks beschrijven de politieke wetenschappers Thomas Mann en Norman Ornstein hoe disfunctioneel de Amerikaanse politiek is geworden. Het politieke proces wordt lamgelegd, zo betogen zij, door vertegenwoordigers die meer bezig zijn met hun eigenbelang dan met het landsbelang. Vooral sinds Obama’s aantreden wordt de besluitvorming getraineerd door Repu­blikeinse Congres­leden. Mann en Ornstein wijten dit misbruik aan het Ameri­kaanse systeem, maar ook aan de toegenomen polarisatie tussen links en rechts.

Van die polarisatie is bij de auteurs van dit boek niets te merken. Mann werkt bij de ‘liberale’ Brookings Institution en Ornstein bij het ‘conservatieve’ American Enterprise Institute. Het feit dat zij samen tot hun alarmerende conclusie komen, maakt dat het verhaal geen typische linkse aanklacht is, maar een serieus te nemen, onpartijdige analyse van twee wetenschappers die al veertig jaar onderzoek doen naar de Amerikaanse landelijke politiek.

Onverzoenbare houding

Het eerste probleem is volgens de auteurs dat Congresleden wetsvoorstellen niet meer op hun merites beoordelen, maar op populariteit bij de achterban. Voor een president zonder meerderheid in het Congres is het hierdoor bijna onmogelijk geworden meerderheden te vinden voor wetsvoorstellen. De auteurs verwijten met name de Republikeinen zo misbruik te maken van hun positie.

Schokkend is de strategie van voormalig voorzitter van het Huis van Afge­vaardigden Newt Gingrich, die het Congres een slechte reputatie wilde bezorgen, zodat de kiezers de volksvertegenwoordiging zouden gaan wantrouwen en daarmee de Democratische partij, die een meerderheid had en ook meer geassocieerd werd met de macht. Gingrich’ plan was een meerjarenproject. Eerst zocht hij geschikte afgevaardigden om het mee uit te voeren. Toen begon hij de integriteit van De­mo­cra­tische Con­gres­leden in twijfel te trekken door ze onder meer te beschuldigen van corruptie. Het resultaat was boven verwachting: het electoraat verloor vertrouwen in het Congres en beloonde Gingrich’ partij met een meerderheid.

Het is een van de vele voorbeelden die Mann en Ornstein geven van de polariserende, niet-constructieve opstelling van veel (voornamelijk Republikeinse) politici. Het verstevigen van hun eigen positie is voor hen belangrijker dan het gezamenlijk oplossen van problemen. Dit blijkt ook uit het traineren van benoemingsprocessen. Republikeinse Congresleden zetten benoemingen van door Obama voorgedragen kandidaten voor belangrijke posities on hold: ze weten de stemmingen zo lang uit te stellen dat de vacature vrij blijft en later kan worden opgevuld door een hun meer welgevallige kandidaat. Hierdoor kon het gebeuren dat midden in de kredietcrisis op het ministerie van Financiën verschillende belangrijke posten onbezet waren.

Het bekendste voorbeeld van de nieuwe politiek is het drama rondom het verhogen van het schuldenplafond in de zomer van 2011. De Republikeinen weigerden elke handreiking van president Obama en stelden steeds nieuwe eisen. Met deze onverzoenlijke houding riskeerden de Republi­keinse Congresleden een shutdown: de overheid zou geen geld meer hebben om bijvoor-beeld ambtenarensalarissen te betalen. Mann en Ornstein noemen de strategie een game of chicken: Republikeinen rekenden erop dat Obama zou toegeven voordat er een daadwerkelijke shutdown zou plaatsvinden.

Het tweede probleem, volgens de auteurs, is de radicalisering van de Republikeinse partij. Tot de jaren tachtig werd de partij gedomineerd door gematigde Republikeinen die bereid waren compromissen te sluiten. Sinds Reagan schoof de partij op naar rechts, maar de echte radicalisering vond pas plaats na de opkomst van de Tea Party. Reagan en Bush senior durfden het nog aan de belastingen te verhogen; zoiets is sinds de opkomst van de Tea Party ondenkbaar. Mann en Ornstein laten zien hoe de radicale rechtervleugel van de Republikeinse partij er in 2011 voor zorgde dat compromissen over het terugdringen van de overheidsschuld onmogelijk waren. De Republikeinse Huis­voor­zitter John Boehner werd door de nieuwe Tea Party-gelieerde Congresleden teruggefloten wanneer hij te veel toegaf aan Obama’s voorwaarden. Volgens Mann en Ornstein is er sprake van ‘asymmetrische polarisatie’: de Republikeinen worden veel rechtser zonder dat de Democra­ten veel linkser worden. Onder Obama probeert de Democratische partij juist een redelijke middenkoers te varen en compromissen te sluiten. Zo was Obama bereid flink te snijden in sociale voorzieningen als Medicare, in ruil voor bescheiden belastingverhogingen. Deze grand bargain werd door de Republikeinen honend van de hand gewezen.

Nog grotere schisma’s

It’s Even Worse Than It Looks is geen zeurderig ‘vroeger was alles beter’-boek. De schrijvers zijn boos, dat is duidelijk. En ze vinden inderdaad dat het vroeger – soms – beter was. Maar hun stelling onderbouwen zij met een indrukwekkende hoeveelheid cijfermateriaal en anekdotes. Bovendien concluderen ze niet dat Amerika onherroepelijk ten onder gaat. Het tweede deel van het boek bestaat uit aanbevelingen ter verbetering van het politieke proces. Die variëren van veranderingen binnen het systeem (uitbreiding van het electoraat door middel van stemplicht en een soepelere kiezersregistratie, afschaffing van midterm elections en beperking van mogelijkheden voor filibusters, om er enkele te noemen) tot veranderingen van buitenaf. Voor dit laatste zijn vooral de media en de kiezers verantwoordelijk. Media moeten door midden van fact checking en een objectieve weergave van de gang van zaken laten zien wat er ‘echt’ gebeurt, in plaats van leugens te legitimeren door beide kanten even lang aan het woord te laten. Kiezers moeten de Republikeinen afstraffen voor hun onverantwoordelijke gedrag en ze moeten zich publiekelijk uitspreken tegen filibusters en andere obstructietactieken.

Uiteindelijk wagen Mann en Ornstein zich aan een toekomstvoorspelling. Als Obama wordt herkozen en zijn meerderheid in het Congres herovert, is er kans op verbetering. Republi­kein­se senatoren kunnen gaan inzien dat hun tactiek niets oplevert en terugkeren naar een pragmatischer opstelling. Maar het zou ook kunnen dat ze vasthouden aan de gewoonte om het politieke proces te traineren – met nog meer legitimiteitsverlies voor het Con­gres als gevolg. Als Obama wordt herkozen zonder een meerderheid in het Congres, zien de auteurs weinig kans op een omkering van de huidige trend. Ook een overwinning van Mitt Romney zal geen einde maken aan de polarisatie. De Republikeinen zullen in dat geval waarschijnlijk grote beleidsveranderingen doorvoeren, zoals belastingverlagingen, een flinke bezuiniging op Medicaid en gedeeltelijke privatisering van Social Security. Meer dan de helft van de Amerikanen is tegenstander van deze maatregelen, hun enthousiasme over de Republi­keinse vrijheidsretoriek ten spijt. Romney’s beleid zal dus zorgen voor nog grotere schisma’s onder de bevolking. Ondanks deze sombere voorspellingen eindigen de auteurs optimistisch. Ze noemen enkele hoopgevende ontwikkelingen, zoals de opkomst van burgerbewegingen, de onvrede onder een aantal invloedrijke conservatieven, en het feit dat er ondanks het politieke klimaat nog steeds veel getalenteerde mensen de politiek ingaan. Maar echte verandering kan pas plaatsvinden als genoeg Amerikanen doordrongen zijn van de noodzaak ervan. Hoopgevend is dat het boek van Mann en Ornstein kort na verschijning al op de bestsellerlijst stond van de New York Times.

Thomas E. Mann en Norman J. Ornstein, ‘It’s Even Worse Than It Looks. How the American Con­sti­tu­tional System Collided with the New Poli­tics of Extremism’, Basic Books, 226 p., € 23,95