Laten we eerlijk zijn: zonder de NS valt onze maatschappij uit elkaar.

Als je ’s avonds laat op een tochtig stationnetje in de polder staat, waar je enige beschutting tegen de vrieskou een bewegend reclamebord is dat afwisselend vliegvakanties naar Turkije en het laatste boek van Saskia Noort adverteert, en een vriendelijke vrouwenstem over het lege perron schalt om aan te kondigen dat je Sprinter naar huis twintigĀ minuten later vertrekt vanwege een seinstoring.

Als je bent vergeten uit te checken omdat het uitcheckpaaltje buiten werking was, waardoor je nu ineens te weinig saldo hebt voor de terugreis en je de trein hoort wegrijden terwijl je nog krampachtig je pincode aan het intoetsen bent.

Als je veertig minuten vastgeklemd zit in de ochtendadem van vijfendertigĀ vreemden, terwijl er een vouwfiets in je scheenbeen prikt en de bleke tiener naast je naar moombahton luistert door een goedkope koptelefoon. Of als de conducteur, die je in pure paniek om advies vraagt, tergend...