Pink een traantje weg bij de sociale-woningbouw-tragedie

Amarens Eggeraat
Hele inboedel mee, en verhuizen maar. Foto: Joost van den Broek/HH

Het tragische falen van sociale woningbouw. (Denk daar maar aan, als je wéér bij je ouders intrekt.)

Een paar jaar geleden tekende ik mijn eerste huurcontract voor een woning in Amsterdam. Het was een campuscontract, dus kreeg ik niet alleen een vrolijke pen en een meetlint met daarop het logo van de wooncorporatie, maar ook een stevige waarschuwing mee: ‘We raden je ten zeerste aan om je in te schrijven op woningnet.nl, in verband met het vinden van woonruimte na het beëindigen van je studie’.

Inmiddels is het zover en ben ik afgestudeerd, dus ik moet mijn fijne sociale huurwoning leegruimen, de boorgaatjes plamuren en mijn opbollende laminaat van de vloer trekken om plaats te maken voor de volgende student. Dat is wel zo eerlijk natuurlijk, maar ook best belabberd. Ik verdien nog lang niet genoeg om nu naar een huis in de vrije sector te verhuizen, maar om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning moet ik nog minstens tien jaar wachten (met mijn inschrijftijd kom ik zelfs voor een garagebox in Wormerveer niet in aanmerking). Het is een probleem waar heel veel mensen in Amsterdam mee te maken hebben: als je liever niet je hele salaris besteedt aan de huur voor een opgeleukt washok in een appartement met vier anderen, dan moet je de stad uit.

Als je liever niet je hele salaris besteed aan de huur voor een opgeleukt washok in een appartement met vier anderen, dan moet je de stad uit.

Sociale woningbouw is een prachtig idee, maar de uitvoering lijkt, zeker in Amsterdam, nooit vlekkeloos te verlopen. Niet ver van waar ik woon staan de Dubbeltjespanden, één van de eerste sociale woningbouwprojecten in Nederland. De huisjes, liggend aan een beeldschoon hofje, werden tussen 1872 en 1885 gebouwd door de Bouwmaatschappij ter Verkrijging van Eigen Woningen, een woningbouwvereniging van welwillende burgers die de arbeider uit zijn armzalige krotje wilden helpen. Het idee was dat de bewoners per week een dubbeltje aan contributie zouden betalen, en dan na twintig jaar hun eigen pandje konden kopen. Zover kwam het nooit.

In Londen (een andere stad waar wonen niet vanzelfsprekend gaat) verrees rond dezelfde tijd het Boundary Estate, een initiatief om de jammerlijk korte levens van Londense krottenbewoners te verbeteren. Maar voor de bouw van nieuwe, degelijke woningen kon beginnen, moest de dichtbevolkte slum eerst worden gesloopt. De krottenbewoners, voor wie het hele project bedoeld was, raakten dakloos of verhuisden naar een andere erbarmelijke bouwval in de omgeving. De huur van het Boundary Estate was voor hen te hoog. Uiteindelijk hebben er door de jaren heen talloze mensen met een bescheiden inkomen prettig gewoond, maar de mensen die het hardst hulp nodig hadden zijn er alleen maar ellendiger door geworden (en inmiddels wordt het grootste deel bewoond door rijken die zich graag vergapen aan ‘real people’ en slecht geïsoleerde muren lekker ‘authentic’ vinden).

Zo gaan verhalen over sociale woningprojecten vaak over dromen en desillusies. Hele council estates, bedacht en ontworpen als betonnen utopieën vol frisse lucht en harmonie, veranderen binnen de kortste keren in grimmige wijken waar achter elk vernield bankje een minderjarig bendelid op de loer ligt en het altijd te hard waait. Veel sociale woningprojecten zijn niet goed doordacht, ze zijn onderhevig aan de grillen van een veranderend politiek klimaat, het zijn bakstenen manifestaties van de fantasieën van idealistische beleidsmakers met weinig realiteitszin, of
er zijn er gewoonweg te weinig van.

Leven in een vochtige sociale huurwoning of in een ongezellige projectflat is vaak te verkiezen boven uitgebuit worden door een huisjesmelker met woedeproblemen.

Zo is het makkelijk om te vergeten dat het alternatief voor sociale woningbouw, een woningmarkt zonder ingrepen van de staat of filantropische bouwverenigingen, nog veel slechter is. Leven in een vochtige sociale huurwoning of in een ongezellige projectflat is vaak te verkiezen boven uitgebuit worden door een huisjesmelker met woedeproblemen, of tot ver na je dertigste het lichaamshaar van zes huisgenoten uit het doucheputje te moeten plukken. Een eigen woning  – een ommuurd plekje waar je veilig en geborgen bent – is noodzakelijk voor een goed leven. En iedereen heeft daar recht op, ook als dat leven zich afspeelt in een wijk waar de vierkante meters binnen tien jaar twintig keer zoveel waard zijn geworden. Dat we in Nederland relatief veel sociale huurwoningen hebben, lijkt mij niets meer dan een teken van beschaving.

Sociale woningbouw is een concept dat vaak tekortschiet en faalt, maar we moeten dat falen nooit gebruiken als argument om het idee van sociale woningbouw in z’n algemeenheid af te vallen. Want al worden veel sociale bouwprojecten nooit de utopie die ze moesten worden, het is van ongekend veel waarde dat men blijft proberen een degelijke woning voor iedereen te realiseren.

Dat is een gedachte waar ik me aan kan vasthouden, als ik op de zolder van mijn ouders woon.

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.