Alweer dubieuze deskundigen

Tomas Vanheste
Net nu Bleker ons in slaap probeert te zoemen over pesticiden en bijensterfte, luidt in Amerika de noodklok.
Een onderzoeken in Amerika bekijkt zijn korven: toptijdschrift <i>Science</i> legde daar onlangs een link tussen bijensterfte en pesticiden. Foto: Michael Maloney/San Francisco Chronicle/CorbisEen onderzoeken in Amerika bekijkt zijn korven: toptijdschrift Science legde daar onlangs een link tussen bijensterfte en pesticiden. Foto: Michael Maloney/San Francisco Chronicle/Corbis

Het zit Henk Bleker ook niet mee. Vorige week dacht hij het verlossende woord te spreken in een verhit debat over de oorzaak van het grote uitsterven van bijenvolken. Wetenschappers, milieuactivisten, imkers en politici vliegen elkaar in de haren over de vraag of dat mysterie soms iets te maken heeft met het grootschalige gebruik van een nieuw type landbouwgif, de neonicotinoïden. Dat bijenvolkeren massaal het loodje leggen moet ook de staatssecretaris van Landbouw grote zorgen baren, want zonder de bijtjes geen bestuiving van voedselgewassen als wortel en bloemkool. Bleker gaf een team wetenschappers de opdracht de zaak tot de bodem uit te zoeken.

Afgelopen woensdag bracht hij de Kamer de blijde boodschap. Zijn wetenschappelijke raadslieden hadden alle literatuur uitgeplozen en daarin geen bewijs gevonden voor een verband tussen de massale sterfte van bijenvolken en neonicotinoïden. Er was dus ook geen reden het gebruik ervan in te dammen. Bleker blij, de boeren blij.

Maar de inkt van zijn brief was nog niet droog of het wetenschappelijke toptijdschrift Science publiceerde twee studies waaruit blijkt dat de gewraakte pesticiden bijenvolken wél ernstige schade toebrengen. De ene studie volgde met een chip honingbijen die een realistische dosis kregen van het door multinational Syngenta ontwikkelde gewasbeschermingsmiddel Cruiser. Ze bleken de weg naar de korf beduidend moeilijker te kunnen vinden en overleden daardoor vaker. De andere studie diende hommels de stof Imidacloprid toe die Bayer in zijn pesticiden gebruikt. Het aantal nieuwe koninginnen nam af met maar liefst vijfentachtig procent.

Kwamen de Science-publicaties soms als een donderslag bij heldere hemel en konden Blekers adviseurs niet beter weten? Wie zijn eigenlijk de wijzen waarop de staatssecretaris zich verlaat? De eerste auteur van het rapport waarop Bleker zijn boodschap baseert is Tjeerd Blacquière van het Wageningse Plant Research International (PRI). Een gewaagde keuze van de staatssecretaris. Blacquière speelde immers geen glansrol in de documentaire ‘Moord op de honingbij’, die Zembla in maart 2011 uitzond. Daarin gaf de man, die als de bijenexpert van Wageningen geldt, toe zelf nog niet in peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften over bijensterfte te hebben gepubliceerd. ‘Wij doen ontzettend praktisch onderzoek,’ luidde zijn verklaring. PRI noemde hij ‘een onderzoeksbedrijf’ dat ‘losvast aan de universiteit’ zit en zijn inkomsten haalt uit opdrachten. Onderzoeksbureau Profundo legde voor Zembla bloot dat Blacquières instituut verscheidene keren projecten met Syngenta en Bayer had gedaan.

Ook de tweede auteur, de Gentse professor Guy Smagghe, heeft banden met Bayer. Zijn groep in Gent werkt samen met het grootste onderzoekscentrum van Bayer in België dat op dezelfde campus zit. Smagghe heeft ook een artikel op zijn naam staan dat hij schreef met een wetenschapper in dienst van Bayer.

In een reactie zegt Blacquière: ‘Ik heb zelf nog nooit onderzoek gedaan voor Bayer. We hebben een overheid die zegt dat de universiteiten samen moeten werken met de industrie. Burgers worden ook boos als onderzoekers zich op kosten van de belastingbetaler hun hele leven wijden aan een thema waar de gemeenschap niets aan heeft. Maar zodra wij iets doen met Bayer of Syngenta, zegt men: zie je wel, ze zijn niet onafhankelijk.’

In 2011 had Blacquière nog geen enkele publicatie over bijensterfte die peer reviewed was. Met het in opdracht van Bleker geschreven overzichtsartikel dat in februari is gepubliceerd in tijdschrift Ecotoxicology – de wetenschappelijke versie van het rapport dat de staatssecretaris de Kamer zond – maakte hij zijn debuut in het veld. Maar dat stuk is niet overal met gejuich onthaald. Toxicoloog Henk Tennekes, die vroeger een groot Zwitsers bureau runde dat research deed voor de industrie en nu zelfstandig onderzoeker is, vindt zelfs dat het een schending is van de wetenschappelijke integriteit omdat het essentiële literatuur zou negeren waaruit wél een schadelijk effect zou blijken. Hij diende een klacht in tegen Blacquière. De Raad van Bestuur van de Universiteit Wageningen verklaarde de klacht vorige week ongegrond, na onderzoek door twee professoren. Ze oordelen dat de artikelen die de auteurs volgens Tennekes hebben gemist óf niet essentieel zijn óf niet voldoen aan de eis peer reviewed.

Een vreemde redenering, vindt Tennekes. Een van de publicaties die ze naar zijn idee wél hadden moeten behandelen is het rapport van het Comité Scientifique et Technique uit 2003 dat voor de Franse overheid de basis vormde Imidacloprid te verbieden. ‘Zijn de rapporten van de Gezondheidsraad soms peer reviewed? Hoeven we die ook niet serieus te nemen omdat ze dat niet zijn?’ Ook snapt hij er niets van dat artikelen van hem en de Australische onderzoeker Francisco Sanchez-Bayo met kritiek op de normaliter gebruikte toxicologische modellen niet zijn meegenomen. Tennekes en Sanchez-Bayo komen tot de conclusie dat de neonicotinoïden al bij veel lagere dosis bij langdurige opname zeer schadelijk kunnen zijn. ‘Voor deze stoffen bestaat er eigenlijk geen veilige dosis,’ zegt Tennekes. ‘Maar ze zitten al overal in het milieu. In de bollenstreek wordt de norm duizenden malen overschreden. Dit is niet alleen een probleem van de bijen, maar van de insecten en ongewervelde dieren in zijn algemeen. Zij staan aan het begin van de voedselketen. Die breek je af, een mileuramp in de maak.’

Tennekes schreef met Sanchez-Bayo een overzichtsartikel dat niet in de literatuurlijst van Blacquière cum suis voorkomt. De Australische toxicoloog wees de auteurs ook op een pijnlijke fout in hun stuk. Er staat dat neonicotinoïden zogeheten antagonisten zijn, stoffen die zich aan de neuronale receptoren hechten maar die niet activeren, terwijl het juist agonisten zijn, die de receptoren wél activeren, precies wat ze gevaarlijk maakt. ‘A slip of the pen,’ schreef Blacquière terug.

Niets aan de hand, oordeelt de Universiteit Wageningen dus. Maar ongelukkig lijkt het wel dat haar vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit Herman Eijsackers – tevens een van de professoren die de klacht van Tennekes beoordeelde – zeven artikelen publiceerde met een van de co-auteurs van het gewraakte artikel, waarvan de laatste in 2008. Een negatief oordeel over de integriteit van Blacquière was dus meteen een vonnis geweest over de goede trouw van iemand met wie hij vaak samenwerkte. Dat was voor de vertrouwenspersoon geen reden om te overwegen voor de opdracht te bedanken. ‘Nee, want op het moment dat je dat gaat zeggen, wordt het in Nederland in elk geval in het vakgebied waarin ik zit heel lastig, omdat je voortdurend mensen tegenkomt die je al dan niet van tien of twintig jaar geleden kent,’ zegt Eijsackers desgevraagd.

Bleker probeert zijn gelijk te halen met hulp van twee omstreden wetenschappers. Foto: Pierre Crom/ANPBleker probeert zijn gelijk te halen met hulp van twee omstreden wetenschappers. Foto: Pierre Crom/ANP

Jeroen van der Sluijs, universitair docent Nieuwe Risico’s in Utrecht en gasthoogleraar in Versailles, laat zich geen uitspraak ontlokken over de wetenschappelijke integriteit van Blacquière en zijn co-auteurs. ‘Ik heb het liever over de inhoud van de studie,’ zegt hij. Maar hij is het wel met Tennekes eens dat zij cruciale studies zijn vergeten of er geen recht aan doen. Dat schreef hij al afgelopen najaar aan Bleker, met een cc aan de Tweede Kamer, toen hij het eindconcept onder ogen kreeg. De studie bevat, schreef hij, ‘een reeks omissies’ en ‘voldoet niet aan algemene basiseisen van good scientific practice‘.

De definitieve versie die de staatssecretaris nu naar de Kamer stuurt, heeft hem allerminst van gedachten doen veranderen. ‘Mijn belangrijkste punt van kritiek is dat ze de risico’s hoofdzakelijk beoordelen door naar acute, dodelijke giftigheid te kijken,’ zegt Van der Sluijs. ‘Maar iedereen is het er eigenlijk wel over eens dat massale acute sterfte vooral optreedt tijdens het in de lente zaaien van maïs door de giftige stofdeeltjes die dan vrijkomen, zoals vorig jaar april weer in Slovenië waar honderd miljoen bijen stierven aan neonicotinevergiftiging. De hoge wintersterfte is een heel ander verhaal. Daar spelen de effecten van een langdurige blootstelling aan een dosis die niet meteen dodelijk is maar de bijen wel vatbaarder maakt voor ziekten.’

De auteurs kijken op een compleet achterhaalde manier naar risico’s, vindt de Utrechtse risicowetenschapper. ‘Hoe het wel moet, is eenvoudig: je vergelijkt de laagste dosis in het lab waarbij een schadelijk effect waarneembaar is, met de dosis die je in het veld aantreft. Als die hoger is, is de stof niet veilig.’

Uit de gegevens die de auteurs nota bene zelf presenteren, blijkt dat in ernstige mate het geval te zijn. Maar vervolgens poetsen ze de labresultaten op een wonderlijke manier weg. In hun artikel erkennen ze volmondig dat in ‘vele laboratoriumstudies’ schadelijke effecten op het foerageergedrag en de leer- en geheugencapaciteit van bijen zijn aangetoond. Maar ze voegen eraan toe dat die niet zijn teruggevonden in veldstudies, en nemen die als de maat der dingen.

De paar veldstudies waar ze vervolgens mee op de proppen komen, zijn ‘totaal verkeerd opgezet’, oordeelt Van der Sluijs. Neem de veldproef uit 2007 van de Canadese onderzoekers Christopher Cutler en Cynthia Scott-Dupree. Daarin lagen de twee proefvelden met koolzaad, waarvan er één met pesticide was behandeld, nog geen driehonderd meter uit elkaar. Geen wonder dat er weinig verschil tussen de groepen uit kwam, want bijenvolken foerageren gerust drie kilometer ver en ze aten dus van elkaars veld.

Blacquière vindt de kritiek overtrokken. ‘Bijen zijn niet gek, ze gaan helemaal niet ver, want ze zijn zuinig met hun energie. Als je ze midden in een koolzaadveld zet, blijven ze daar en komen ze nauwelijks ergens anders.’ Toch beoordeelde de Environmental Protection Agency in de VS de resultaten in november 2010 als ‘ongeldig’. Bovendien is op de website van de Universiteit van Guelph te vinden dat de onderzoekers ruim honderddertigduizend dollar toucheerden van Bayer om deze studie te verrichten. Alleen verzuimden ze dat te vermelden in het artikel waarin ze de gerustellende boodschap brachten dat het spul geen kwaad kan.

Blacquière noemt in zijn rapport de sponsoring en het oordeel van de EPA niet. ‘Wij hebben alleen naar gerefereerde artikelen gekeken,’ legt hij uit. ‘Het oordeel van de Amerikaanse Agency is een mening, het geeft geen data. Wat mij betreft hebben ze zichzelf met die kritiek geblameerd.’ Hij en zijn co-auteurs verwijzen maar liefst veertien keer naar het artikel van Cutler en Scott-Du-pree. ‘Bizar en onverantwoord om je zo sterk te baseren op een zo zwakke en omstreden studie,’ vindt Van der Sluijs.

Zou Blacquière in zijn rapport tot een andere conclusie zijn gekomen als hij de Science-studies had gekend? Nee, zegt hij. ‘Het is wel belangrijk onderzoek, want het slaat de brug tussen het lab en het veld. Maar er blijkt niet uit dat dit een belangrijke oorzaak is van bijensterfte. In de twee weken dat de hommels in het lab werden blootgesteld, konden ze niet uitwijken naar schone bloemen, wat in de natuur wel kan. Het is duidelijk een worstcasescenario. In de andere studie hebben ze een dosering aan de bij gegeven die tien keer zo hoog is als wat in het veld wordt gemeten in het stuifmeel en het nectar.’

Van der Sluijs vindt het volkomen speculatief om dit het slechtst denkbare scenario te noemen. ‘De onderzoekers in de Science-studies werkten juist met lage, realistische concentraties ver beneden de dodelijke dosis. De werkelijke blootstelling van bijenvolken in het veld is onbekend. Bijen worden niet aan één behandeld gewas blootgesteld maar aan meer dan vijftig gewassen waar het middel wordt gebruikt, en het hele jaar rond. De stof blijft zeer lang circuleren in het milieu en wordt door alle planten, ook niet behandelde, actief opgenomen. Bijen krijgen het zenuwgif ook binnen via besmet geraakte wilde planten en oppervlaktewater. Het worstcasescenario ligt naar mijn schatting vele malen hoger.’

Henk Bleker dacht zijn gelijk over de Hedwigepolder te halen door zich op twee professoren te beroepen die geen professoren waren en die, toen Vrij Nederland ze ernaar vroeg, Blekers standpunt niet bleken te steunen. Ditmaal denkt hij de gemoederen tot bedaren te kunnen brengen door te zwaaien met een onder leiding van een commercieel onderzoeker met een bescheiden publicatielijst in elkaar gezet rapport waar veel op af te dingen is. Zou de Napoleon van Vlagtwedde werkelijk denken dat hij zo niet alleen Europa maar ook de wetenschap kan verslaan?

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.