Het moet rond 2001 geweest zijn toen Kees van Kooten een ontdekking deed. In de New Yorker las hij een gedicht van Billy Collins: ‘Advice to writers’. Hij was direct verkocht. ‘Het begint heel gewoon – over dat je eerst je werkkamer moet opruimen voor je begint met schrijven – maar eindigt totaal onverwacht.’

Kies uit het kleine, stralend blauwe vaasje
een geel potlood, het scherpste van het boeketje
en vul nu velden vol met kleine zinnetjes
als lange rijen toegewijde mieren
die jou vanuit het woud gevolgd zijn.

‘Heb jij ook je pennen en potloden in een glas op je bureau staan? En heb je daar ooit een boeketje in gezien? Nee toch? Ik dacht: zo geestig heeft nog nooit iemand geschreven.’

Van Kooten besloot de poëzie van Collins te vertalen. Hij was er meer dan een jaar mee bezig. Nu ligt Zo wordt u gelukkig in de winkel: zesentwintig gedichten van Billy Collins, prachtig in het Nederlands vertaald en becommentarieerd door Kees van Kooten. Een vorm van literair zendingswerk. Want van zoiets moois moeten ook anderen kennis nemen, vindt hij: ‘De humor van Collins is even subliem als verfijnd.’

Lijkt die humor op de humor van Van Kooten & De Bie?
‘Van Wim en mij? Oh nee. Het verschil is het engagement dat er bij Collins totaal niet is. Gelukkig maar, anders zou die sprookjeswereld van hem worden aangetast. Hij heeft niet de behoefte om iets te zéggen. Ik vind dat verfrissend, in een tijd waarin oneindig veel columnisten almaar achter datzelfde ene onderwerp aanhollen. Dit is autonoom en daardoor veel knapper.’

In Nederland kent hij eigenlijk geen dichters die aan Collins doen denken. ‘Er zijn wel dichters die humoristische gedichten schrijven: Deelder, Chabot. En Remco Campert natuurlijk. Remco ontroert me van iedereen het meest. Ook omdat ik hem ken, omdat we onze levens voor een groot deel samen geleefd hebben. Remco is van alle dichters de subtielste, ook in z’n humor. En over humor gesproken…’ Van Kooten wijst naar de boekenkast achter in de kamer. Zie ik ze staan, die vier delen van het Verzameld Werk van Karel van ’t Reve? ‘Wat is die Gerard Reve eigenlijk een ontzettend eenzijdige schrijver. Wat zijn de grappen van Karel oneindig veel subtieler en erudieter. Gerard had het vaak over “mijn geleerde broer”. Kom op! Karel schrijft zoveel beter. Ik heb net Nacht op de kale berg gelezen. Zo geestig, zo spannend. Iemand die een geheel eigen wereld weet te scheppen. Bijna Collins.’

Wanneer hij vertelt, staat Van Kooten vaker dan hij zit. Hij loopt voortdurend van kamer naar kamer, van boekenkast naar boekenkast, om steeds opnieuw terug te komen met boeken, bundels of tijdschriften die zijn woorden onderbouwen. ‘Hier, kijk nou ‘ns,’ zegt hij dan, glunderend, als een jongen die de mooiste kiezelsteen uit zijn verzameling laat zien. ‘Ken je dit?’

Mappenman

Ze delen veel, Van Kooten en Collins, heeft de vertaler blijmoedig geconstateerd. ‘We zijn allebei in 1941 geboren, we hebben dezelfde wereldgeschiedenis meegemaakt. Dezelfde dictators, dezelfde presidenten, we hebben ons over dezelfde oorlogen drukgemaakt. Daar komt nog iets anders bij: ik ben zo ontzettend blij dat er uit Amerika nog zulke mooie geluiden komen. Iets anders dan al die afgrijselijke troep, die verschrikkelijke highschool comedies. Laatst ben ik met Rijk de Gooijer in Pathé naar een film geweest die in Het Parool vier sterren kreeg. Een verhaal over vier vrijgezellen die een vrijgezellenavond hadden in Las Vegas. Zó verschrikkelijk. En die zaal maar bulderen. Dan wordt meteen weer zo pijnlijk bevestigd dat het met de goede smaak bergafwaarts gaat. Je schaamt je dood voor je mede-vaderlanders. Nu een half uur zei Rijk alleen maar, keihard: “Nóú…” Door dat soort ervaringen denk je dat Amerikanen eigenlijk niks moois meer maken. En dan opeens is er zo’n Collins. Dat is een grote troost.’

De goede smaak is onmiskenbaar aan het wegebben, moet Van Kooten tot zijn spijt constateren. Dat het nieuwe kabinet 200 miljoen op cultuur wil bezuinigen, vervult hem met een mengeling van afgrijzen en woede. ‘Het Radio Filharmonisch Orkest wordt ontmanteld, net als het Metropole, het Kamerorkest en het Omroepkoor. Wat er dán aan goede smaak verdwijnt… Je amputeert al die mensen die daarheen gaan, die in die zaterdagmatinee nog wat verzoening met het bestaan trachten te vinden. Muziek blijft toch de inhoudsmaat van de mens. In Amerika bestaat er zoiets als het mecenaat; mensen verdringen elkaar bijna om aan goede doelen te kunnen geven. Ik heb laatst eens opgeteld hoeveel de mensen uit de Quote 500 bezitten. Ik kwam uit op 528 miljard. Wat horen we van die mensen? Joop van den Ende doet iets, met z’n Foundation. John de Mol heeft 14 miljard, maar daar horen we niets van. Wat zou het voor zijn imago niet prachtig zijn als hij zou zeggen: “Die 200 miljoen neem ik voor mijn rekening.” Dan is John de Mol eindelijk ook deel geworden van onze cultuur. En niet alleen van die anticultuur waar hij al jaren aan verdient.’

Hij staat op, verdwijnt weer naar zijn werkkamer en komt terug met een nummer van Hollands Diep. Met een stuk dat hij schreef over de Belgische houtsnijder Frans Masereel. ‘Ik wil graag dat mensen daar kennis van nemen. Zoals Gerrit Komrij ooit de rubriek Verzonken boeken had. Ik denk zo vaak: hier moet ik wat over schrijven, deze man mag niet vergeten worden.’ Hup, daar komt een nieuwe map op tafel – ‘Jaha, ik ben een mappenman’ – nu met werk van beeldend kunstenaar Gras Heyen, over wie hij net een stuk geschreven heeft. ‘Moet je zien,’ zegt Van Kooten, terwijl hij een ansichtkaart van Heyen laat zien. ‘De koningin is een lul’ staat er op. ‘En de prinsesjes is ook een lul.’ ‘Dit vind ik zo onbedaarlijk grappig. Een belediging waar je niet kwaad om kunt worden.’

Schwung

Voor dat soort ontdekkingen heeft hij alle tijd, sinds hij in 1998 met Van Kooten & De Bie stopte. Hij kan zich onbelemmerd toeleggen op alles wat hij mooi en bijzonder vindt, zonder opgejaagd te worden door deadlines. Bizar hoeveel er in die twaalf jaar na die laatste uitzending gebeurd is. Neem alleen al de mensen die sindsdien doodgegaan zijn. ‘Van André Hazes en Herman Brood tot Martin Bril en Pim Fortuyn. Hoe je ook over ze mocht denken: het waren mensen die het bestaan schwung gaven. Smaakmakers. Misschien romantiseer je die doden. Maar het waren stuk voor stuk op hun eigen vlak uitgesproken figuren. Misschien zijn ze er wel voortijdig uitgerukt omdat ze ergens op het centraal administratiekantoor dachten: laten we hun de rest maar besparen.’

Want zo leuk is het allemaal niet meer?
‘Nou ja, je denkt soms toch als je naar je kleinkinderen kijkt: hoe zal het zijn als ze straks twintig, dertig zijn? Hoe moeten ze zich dan teweer stellen?’

Jeuken uw handen niet nog heel vaak, als voormalig satiricus?
‘Ten eerste kan ik de meeste mensen niet meer nadoen. Iemand van zeventig kan onmogelijk iemand van dertig imiteren. En het idéé dat ik weer zou moeten gaan schrijven. “Kees: “…”, Wim: “…”. Ik moet er niet aan denken. Ik vind het leuker om ter opluchting af en toe een aardig anagram te maken van de naam van een persoon. Bij “Geert Wilders” kwam ik uit op “Gisterwereld”. Dat is zo kernachtig, dat kan je niet eens zéggen in een scène. Dan is voor mij die jeuk alweer gestild. Het anagram van Emiel Roemer is overigens “meer remolie”.’

Is de werkelijkheid te karikaturaal geworden? De teksten van De Tegenpartij zijn in feite dagelijks in de Tweede Kamer te horen.
‘De Tegenpartij hebben wij natuurlijk niet helemaal uit de lucht geplukt. Ik kende die mensen. Ik kom uit een eenvoudig milieu. Op verjaardagen hoorde ik dat soort teksten. De enige twist die Wim en ik eraan gaven, was dat we er een partij van maakten. De werkelijkheid is inmiddels zo gek geworden. Stel dat we Wilders als type hadden bedacht, dan hadden we ‘m echt geen blonde pruik opgezet. Want dan had iedereen gezegd: “Kom op, dit is totaal over de top.” De werkelijkheid is veel gekker dan iemand ooit had kunnen verzinnen.’

Wat zegt dat over deze tijd?
‘Dan moet je gaan vergelijken met vroeger. Toen was er nog een tussentijd; je spaarde voor iets. Je verheugde je op een single van de Stones die binnenkort uit zou komen. Kinderen hadden drie stripfiguurtjes – Donald Duck, Mickey Mouse en Ketelbinkie – in plaats van achtentachtig. Mensen hoorden en zagen vroeger allemaal hetzelfde. Er was één Nederland-België waar we met z’n allen naar luisterden. Nu is alles versplinterd. Noem mij één speler uit het huidige Ajax. We zijn versplinterd, onthecht, verweesd. De vaderfiguren zijn weg. Wim Kok die zo verstandig omging met Máxima leek een vaderfiguur. Mijn hemel, wat is er met die man gebeurd? Alle ideologische veren zijn afgeschud. Je schaamt je echt dood. Nu komt onder Rutte de cultuur aan de beurt. Als je het toneel de keel afknijpt, waar moeten we dan nog ontroerd door raken? Door een mars van een nieuwe Uruzgan-eenheid? Door de muziek in het voetbalstadion, door de Gayparade? Het is toch te gek dat de btw op kunstgenot wordt verdrievoudigd?’

Maakt u zich zorgen over de toekomst?
‘Ik ga niet “Vluchten kan niet meer” aanhalen, maar ik ben erg gelukkig dat mijn vrouw en ik vaak naar ons huisje in Frankrijk gaan. Dat ligt in de Cevennen, in een dorpje waar honderd mensen wonen. Waar nog wellevendheid en behulpzaamheid heersen. Daar komt bij het dorpsfeest nog de accordeon uit het foedraal. En ze zijn allemaal ook waanzinnig begaafd. Iedereen kan brood bakken, slachten, tuinieren, timmeren. Het idéé dat je een metselaar uit een ander dorp zou halen… Terwijl wij hier niet eens meer een Ikea-bouwpakket in elkaar krijgen.’

Dat dorpje dat u schetst, is net zo goed ‘gisterwereld’. Hetzelfde verlangen naar de jaren vijftig dat Fortuyn had.
‘Dat is waar. Die behulpzaamheid en wellevendheid zie je ook nog wel in Nederland. En ik zit daar natuurlijk ook vanwege de zon en het feit dat ik daar met mijn zoon en schoonzoon zo lekker kan fietsen.’

Hebt u geen behoefte om een statement te maken, om uw stem te verheffen?
‘Ik heb niet meer zo de behoefte om pal te staan. Dat mogen anderen doen.’

Sentimenteel

Negenenzestig is Van Kooten nu. Net zo oud als zijn vader geworden is. Volgend jaar zal hij hem in jaren voorbijgaan. Gekke gedachte. ‘Dit jaar zou hij honderd geworden zijn. Hij is voor mij nog zo levend. Ik maak steeds vaker mee dat dierbaren doodgaan. De eerste dagen na een sterfgeval ben je in shock. De periode daarna denk je er maar liever niet aan, omdat het te veel pijn doet. Dan zijn ze een tijdje verschrikkelijk dood. Maar daarna doemen ze weer op uit die levensnevel en doen ze weer volop mee. Mijn vader is pas echt dood als hij 107 is. Want dat zou hij nooit geworden zijn.’ Hij denkt heel lang na, zegt dan: ‘Gek, hè, eigenlijk houdt niets op. M’n vader, m’n moeder, Jop Pannekoek, Roel Bazen (hun geluidsman die in 1994 overleed, CV)… ze zijn niet weg. Dat klinkt sentimenteel, maar zo voel ik het. Ik kan hun gezichten nog voor me halen.’ Met gesloten ogen: ‘Nu zie ik het gezicht van Roel. Zo tevreden. Dan denk ik: Roel, hou vooral die tevreden lach. En wees maar blij dat je niet hoeft mee te maken hoe geluidsmensen en cameramannen tegenwoordig worden uitgeknepen. Ik ben blij dat ik z’n gezicht nog voor me kan zien. Die dingen verdwijnen niet.’

Is het een raar besef, bijna zeventig zijn?
‘Het is opwindend en ook geruststellend. Collins heeft het veel over herinneringen, over spijt. Dat herken ik. Ook ik heb fouten gemaakt, die niet uit te poetsen zijn.’

Noemt u er eens één?
‘Eentje maar? Ik heb in mijn boze onnozelheid wel eens tegen Barbara geroepen: “Dan donder je maar op.” En dat dééd ze dus ook. Met medeneming van de poes. Tien minuten later stond ze gelukkig weer voor de deur. Dat is iets wat me nu te binnenschiet.’

Hebt u bereikt wat u wilde?
‘Zeker. Ik heb in een land geleefd en bij een omroep gewerkt waar ik alle vrijheid had om te doen en te zeggen wat ik wilde. Dus op dat vlak heb ik geen spijt. In de jaren die ik nog heb, wil ik zoveel mogelijk mooie dingen doen. Ik wil mensen wijzen op muziek, poëzie, geschreven humor of beeldende kunst die ik de moeite waard vind. Daar gun ik mezelf ook veel meer tijd voor. In onze televisietijd mocht ik van mezelf niet twee uur achtereen lezen. Ik moest twee uur achtereen schríjven. Inmiddels snap ik dat de grootste creatieve factor de tijd zelf is. Een week rustig kijken, luisteren en nadenken levert veel meer op dan wanneer ik als een gek ga zitten pennen.’

Tien jaar geleden zei u in Vrij Nederland: ‘Het wordt tijd dat ik ga opruimen. Anders moeten m’n kinderen dat straks allemaal doen.’
‘Ik heb bij de laatste verhuizing toch erg veel weggegooid. Voor m’n oude boeken heb ik een mooi systeem bedacht. Ik breng ze niet meer naar het Waterlooplein, ik neem ze mee als ik ergens ga voorlezen. Als ik na de voorstelling door slaperig Beusichem of Nieuwegein rijd, gooi ik door elke brievenbus een willekeurig boek. Het idéé dat die mensen ’s morgens opstaan. “Hé ma, er ligt een boek op de mat!” Dan denken ze vast: dit is een teken, een signaal. Ze zullen het openslaan en toch even iets gaan lezen. Zo ruim ik het liefst op.’

Zou de jongen die u was trots zijn op de man die u geworden bent?
‘Hij zou zich die man met die vrouw, die kinderen en kleinkinderen, die welstand en dat succes niet hebben kunnen voorstellen. Toen ik een jongetje was, waren er nog geen mannen als ik. Mijn vader was een heel lieve brave man; honderden keren bloed gegeven, op zijn vrije zaterdag altijd op pad met invalide zeeverkenners. Eigenlijk had ik die man moeten willen worden. En toch had ik meer bewondering voor mijn oom. Een losbol, die voor Philips de wereld over reisde. Ik verwarde wellevendheid met burgerlijkheid. Nu begrijp ik dat burgerlijkheid het enige is dat ons kan redden. Kijk naar de roerige wereld waarin we leven. Angela Merkel heeft net gezegd dat de multiculturele samenleving volkomen mislukt is.’

Vindt u dat ook?
‘Ik ben bang van wel. Het is toch een diversité des humeurs. Die jochies die opeens voor je op de grond spugen, daar schrik je van. Dat kun je niet plaatsen. En Nederlanders zijn op hun beurt weer enorm agressief. Wat me opviel, was dat een dag na Merkels uitspraak de Turkse premier Gúl de Turken in Duitsland opriep volledig te integreren en de Duitse taal te leren spreken. Dat zie ik toch als een eerste toenadering. Ik heb een tijdje dat Turkje Pamuk gedaan. Dat zou niet meer kunnen. Of neem Onze God is de beste, van de Positivo’s. Daar kwamen destijds Kamervragen over. Dat zou je niet meer kunnen doen zonder verontschuldigende glimlach. Ik ben ontzettend blij met de stukken van Hafid Bouazza. Tegelijkertijd betrap ik mezelf erop dat ik denk: zie je wel, er zijn ook goeien. Dat is heel erg om bij jezelf te constateren. Ingewikkeld en verwarrend.’

Deelt u de angst voor de islam?
‘Alleen als de extreme kant zou doorzetten. Rushdie zei al: “Als ik vanwege de sharia geen broodje ham meer mag eten, niet meer naar muziek mag luisteren, niets meer mag doen wat ik fijn vind… dat zou onverdraaglijk zijn.” Van de taliban mag je vast niet eens luchtgitaar spelen. Ik probeer me er geen zorgen over te maken. In elk geval probeer ik in elke één-op-één-ontmoeting een grap te maken. Een Marokkaan die langs de weg staat omdat-ie pech heeft met z’n scooter, spreek ik aan. En dan komt het altijd goed. Met een groepje doe ik het niet. In de steeg naast De Kleine Komedie stonden steevast drie jongens. Altijd spuugden ze vlak voor mijn zeer goed opgevoede hond op de grond. Elke keer keek ik ze met een komisch verbaasd hoofd aan. Maar ik ben nooit in gesprek gegaan.’

Blijft opnieuw de vraag: heeft Kees van Kooten in deze verwarrende tijden dan niet juist een taak?
‘Alles wat ik leuk en mooi vind, zal ik onder de aandacht blijven brengen. Verder zou ik het niet weten.’

Hoe brengt u uw kleinkinderen die wellevendheid bij?
‘Door een fiets die op straat ligt overeind te zetten in plaats van eromheen te lopen. Dat doe ik consequent. De hele dag loop ik fietsen op te tillen. En ik doe ook achterlichten uit die nog branden.’

Is ouder worden prettig of eerder een straf?
‘Het is stompzinnig om te zeggen: “Het is verschrikkelijk.” Dan heb je toch al die jaren te weinig gelezen. Wij zijn inmiddels zover dat Barbara en Deborah (De echtgenotes van Van Kooten en Campert, CV) een plekje voor ons vieren hebben uitgezocht op Zorgvlied. Dat graf is al gekocht. Remco zei: “Echt iets om me op te verheugen.”‘

Is de nalatenschap van Van Kooten en De Bie inmiddels op orde?
‘Er komt een laatste box uit met themaschijven. Daarmee is het wel afgerond. Ik heb ook geen zin om er langer mee door te gaan. Het is mooi zo.’

Arrogantie en verharding

Van Kooten ziet zichzelf niet meer op televisie verschijnen. Hij heeft geen zin in een regionale omroep of in Omroep Max. ‘En ik gun ook de netmanager niet dat-ie kan zeggen: “Dat hebben we gehad, dat doen we maar niet.” Het rare is: vroeger keek je naar een omroep en wist je wat voor kwaliteit je kreeg. Nu zie ik tot mijn verbijstering dat de VPRO een zesdelige serie uitzendt over het zaalvoetbalteam van Hugo Borst. Een verbijsterend inkijkje in de onwellevendheid, de arrogantie en de verharding. Als je ziet hoe die mannen daar in zo’n volkomen leeg zaaltje staan te schreeuwen: “Godverdomme, Jezus Christus… scheids! Klootzak!” Gékken. Ik schrik daar echt van. Ik snap dat je tijdens het voetballen emoties hebt. Maar dat je dat serieus gaat monteren: “Nee prima, is goed zo.” Onbegrijpelijk. Krankzinnig dat die netmanager dat niet heeft afgekeurd.’

Ziet u mensen die in jullie traditie werken?
‘Koefnoen natuurlijk.’

Hun types zien er goed uit, maar hebben inhoudelijk weinig te melden.
‘Daar zeg ik niks over. Ik weet hoe moeilijk het is om goede satire te schrijven. Ik ben erg gecharmeerd van Micha Wertheim, vooral van wat hij in Vrij Nederland doet. Dat zijn onvoorspelbare stukken. Dat vind ik wel van de nieuwe mensen. Ze kunnen zoveel: dansen, zingen, imiteren, graffiti maken. In mijn tijd zat er één jongen in de klas die een beetje kon tekenen. De technische vermogens zijn enorm toegenomen. Vraag het docenten op het conservatorium. Vroeger had je er één die na een jaar een Charlie Parker-solo kon nablazen. Nu zijn er dertig die dat kunnen. Technisch verbetert de mens zich voortdurend. Ik hoop alleen dat ook de ideeën zullen blijven volgen.’

‘Zo wordt u gelukkig. Kees van Kooten over de poëzie van Billy Collins’, De Harmonie, 160 p., € 17,90