In de Volkskrant pleiten ouders en BN’ers voor een Down-vriendelijke samenleving, en vragen ze de NIP-test niet standaard aan te bieden. Maar waarom zegt het betaalbaar maken van een keuze iets over het bestaansrecht van hun kinderen, vraagt Aafke Romeijn.

Vanochtend stond er een brief in de Volkskrant, getekend door een aantal BN’ers en een aantal ouders van kinderen met het syndroom van Down. De opstellers zijn bang dat het standaard aanbieden van de NIP-test – die test op een aantal ernstige genetische afwijkingen, waaronder Down – zorgt voor een samenleving waarin mensen met Down niet langer welkom zijn. Het worden ‘mensen die er niet hadden hoeven zijn’, zo wordt er gesteld, terwijl deze groep ‘het leven juist zoveel kleur geeft.’

Laat me eerst een paar nuances aanbrengen. De NIP-test wordt nu al aangeboden, wanneer uit de combinatietest blijkt dat je een verhoogde kans op een kind met een afwijking hebt. De combinatietest en NIP-test vinden vroeg in de zwangerschap plaats, in de periode waarin ook reguliere abortussen nog gepleegd mogen worden. Momenteel kosten beide testen nog geld: wij betaalden 160 euro voor de combinatietest. Wanneer je vervolgens een NIP-test moet laten doen (wanneer uit de bloedtest blijkt dat je een verhoogd risico loopt), dan kunnen die kosten oplopen tot ongeveer 350 euro. Dat komt nu dus voor rekening van de toekomstige ouders. Minister Schippers wil dat de test voor iedereen beschikbaar wordt, en dat ‘ie in het basispakket wordt opgenomen.

Daar zit meteen een eerste probleem: het punt dat de briefschrijvers willen maken gaat over over de keuze om een kind met Down te houden of niet, terwijl we het eigenlijk vooral hebben over een financiële gelijktrekking. Immers: in buurlanden wordt de test al langer vergoed door verzekeringen. In Nederland is de test duur, zeker voor mensen met weinig geld. Willen zij minder graag weten of hun kindje gezond is of niet? Dat lijkt me sterk. Toch wekt de brief in de Volkskrant de suggestie dat het goed is om een financiële drempel in te bouwen, zodat mensen minder geneigd zijn de test te doen. Fout: alleen mensen voor wie 160 of 350 euro veel geld is zullen twijfelen om de test af te laten nemen. Voor andere ouders gelden alleen dezelfde ethische vragen als voor de briefschrijvers: wil je weten of je kind iets heeft? En zo ja: wat doe je met die kennis?

Dat brengt me bij het volgende punt: wat is er mis met kennis over de gezondheid van je baby? We hebben decennia geleden als samenleving besloten dat vrouwen (of: ouders) mogen beslissen of ze hun bevruchte eicellen wel of niet laten uitgroeien tot een baby. Wanneer een vrouw een abortus wil laten plegen, dan hoeft ze zich daar in principe niet voor te verantwoorden. Wat de motivatie ook is (het was een ongelukje, je wil überhaupt geen kinderen, de zwangerschap is het resultaat van ongewenste seks, etc.): het is en blijft een beslissing die bij de ouders ligt. Blijkbaar vinden de briefschrijvers in de Volkskrant dat een zware genetische afwijking geen reden mag zijn om een zwangerschap af te breken. Waarom niet? Waarom zou je geen abortus mogen plegen wanneer je weet dat je een kind krijgt met een handicap die een last zal leggen op zichzelf, zijn of haar omgeving én de samenleving, maar mag je wél abortus plegen wanneer het krijgen van een (gezond) kind je simpelweg even niet uitkomt?

Het kan natuurlijk zijn dat de briefschrijvers tegen abortus als zodanig zijn. De ChristenUnie is één van de initiatiefnemers van de brief, dus zo’n gekke gedachte is dat niet. Echter: dan wordt het een heel andere discussie, eentje die – zoals ik eerder al schreef – decennia geleden al gevoerd is en die niks met de NIP-test te maken heeft. Aan het eind van de brief wordt het aloude eugenetica-argument nog maar eens aangevoerd: wat is de volgende stap na de NIPT? Alleen nog maar kinderen met blauwe ogen? Dit argument wordt bij het vak Nederlands in de brugklas al gebruikt als het schoolvoorbeeld van een ‘slippery slope-argument’: een drogreden die een fictief hellend vlak schetst. Het is inmiddels een dusdanig lachwekkend dystopisch cliché geworden dat het niet eens de moeite is om het inhoudelijk te weerleggen.

Wat overblijft is een zeurend onderbuikgevoel. De BN’ers die programma’s vol gezellige Downies maken, en de ouders die zielsveel van hun Down-kinderen houden, hebben het gevoel dat het betaalbaar maken van de NIP-test iets zegt over het bestaansrecht van hun kinderen/programma-onderwerpen. En dat is natuurlijk niet zo. De test stelt ouders slechts in staat een afgewogen beslissing te nemen die de rest van hun leven (en dat van hun eventuele kind) fundamenteel zal beïnvloeden. Natuurlijk is het verschrikkelijk wanneer iemand je op straat zegt dat je kind er ‘niet had hoeven zijn’, zoals een briefschrijfster vertelt. Net zo vervelend als wanneer iemand je vertelt dat je om de verkeerde redenen voor abortus hebt gekozen. We leven in een land waar we elkaar vrijlaten in de keuzes die we maken, laten we dat vooral zo houden.