Elk jaar steekt dezelfde discussie de kop op: hoe verder met 4 en 5 mei? Wie moeten we herdenken, wie mogen daarbij zijn en wat doen we met hedendaags leed? In 1995, tijdens de ‘vijftigste mei’ maakte Vrij Nederland een uitgebreide analyse van het debat. 21 jaar later blijkt: verhoudingen veranderen, de discussie blijft.

We vieren al koninginnedag. Herdenken een halve eeuw de slachtoffers en gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog op 4 mei. Elk jaar vieren we dat op 5 mei 1945 de Duitsers werden verslagen. Hoe lang moeten we nog met dit alles doorgaan? Alleen al het stellen van die vraag ontstemt veel mensen. Dat zijn niet alleen nabestaanden of mannen en vrouwen uit het voormalig verzet. Toch is er al jarenlang een lobby om weer ‘normaal’ met de Duitsers om te gaan en de gedenk- en feestdagen te koppelen. Een dossier over de kansen van ‘nationale vrijheidsdag’: de ‘acties’ van premiers en ministers, en bovenal die van het Koninklijk Huis. In het voorjaar van 1987 kreeg het kabinet-Lubbers een advies overhandigd. Afzender was de Werkgroep Nationale Herdenking en Viering, die door de regering zelf was ingesteld. De werkgroep werd voorgezeten door mr. A.J. André Wiltens, een topambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken die in de oorlog nog in het studentenverzet had gezeten. Secretaris en notulist was mr. drs. R.K. Visser, raadadviseur van de premier. Aan status en invloed ontbrak het de commissie dus niet.

Lubbers had om het advies gevraagd omdat de Kamer een paar jaar eerder een motie van het PvdA-lid Wim Meijer had aangenomen. Daarin werd 5 mei tot nationale feestdag uitgeroepen, die elk jaar zou worden gevierd. Dat besluit was een reactie op de hernieuwde aandacht voor de Tweede Wereldoorlog die in de jaren zeventig uit affaires als de drie van Breda, Aantjes en Menten was gebleken. Niet iedereen reageerde even enthousiast. Het voormalig verzet natuurlijk wel: eindelijk kwam de dag waarop het Duitse leger had gecapituleerd, de eer toe die haar lang was ontzegd (meteen na de bevrijding was 5 mei ook een nationale feestdag geweest, maar het tweede kabinet-Drees had daar uit bezuinigingsoverwegingen een eind aan gemaakt. Voortaan mochten alleen de lustra worden gevierd). Anderen koesterden bedenkingen. De werkgeversorganisaties betwijfelden of een vrije dag voor iedereen betaalbaar was. De militairen vreesden dat hún dodenherdenking (op 4 mei) in het gedrang zou komen. Het staatshoofd – ook toen Beatrix – vroeg zich af of háár koninginnedag niet te veel concurrentie werd aangedaan. Twee feestdagen zo vlak na elkaar – was dat niet wat veel? Ook werd betwijfeld of de jongeren, die de oorlog zelf niet hadden meegemaakt, op den duur wel warm zouden blijven lopen voor zo’n nationale bevrijdingsdag. Bovendien opperde het ministerie van Buitenlandse Zaken nog een ander bezwaar: de Duitsers – onze Europese bondgenoten – stelden het vast niet op prijs dat ze door Nederland op zo’n nadrukkelijke manier aan hun akelige rol tijdens de oorlog werden herinnerd. Alles bij elkaar betrof het een uiterst gecompliceerd dossier, zoals ze dat in Den Haag zo fraai uitdrukken. Vandaar die adviesaanvraag.

De Werkgroep Nationale Herdenking en Viering kweet zich – vanuit de coulissen gesouffleeerd door Beatrix en Lubbers – met verve van haar taak. Er werd een radicaal voorstel gedaan. Als de nationale feestdag op 5 mei er kwam, moest de herdenking op 4 mei worden afgeslankt. Tot dan toe hadden de koningin en de legertop om vier uur ’s middags een krans op de Dam gelegd, waarna een bijeenkomst in de Nieuwe Kerk plaatsvond, waarna om acht uur ’s avonds twee minuten stilte viel. De kranslegging kon ook wel naar de avonduren worden verplaatst – vond de commissie. Dat was een stuk efficiënter (en scheelde de werkgevers geld: die hoefden hun personeel op de middag van de vierde mei dan in elk geval geen vrij te geven). Het werd ook overdreven geacht dat er twee verschillende organisaties bestonden waarvan de ene de vierde en de andere de vijfde mei voorbereidde. Die konden net zo goed worden samengevoegd tot één nationaal comité. Om de jeugd te trekken zou de viering van de bevrijding een toekomstgericht karakter krijgen. Met discussies over actuele thema’s als discriminatie nu’, met popmuziek en een tv-show.

Advertentie

Advertentie

In de late jaren negentig zou misschien alleen met die vijfde mei kunnen worden volstaan, suggereerde de commissie. Dan legden de militairen op die datum hun krans maar. Om het eigentijdse karakter te onderstrepen werd voorgesteld de nadruk minder op ‘1940-1945’ te leggen. Het ging niet meer om de bevrijding, maar om vrijheid in het algemeen. Daar zouden de Duitsers (hoewel dat niet met zoveel woorden op papier werd gezet) ook geen aanstoot aan kunnen nemen. In mei 1995 zou het einde van de Tweede Wereldoorlog voor de laatste keer grootscheeps worden herdacht. Met Canadese veteranen die over de Berlagebrug trokken. Met legertrucks en tanks die door de straten rolden. Daarna zouden we nog alleen de nationale vrijheidsdag kennen.

Het advies van de commissie-Wiltens bracht bij de direct betrokkenen grote consternatie teweeg. De legertop stond op zijn achterste benen. Het 4 mei-comité van mevrouw mr. L.A. Barendsen-Cleveringa (dochter van de Leidse hoogleraar die zijn studenten tot verzet opriep) wilde zich niet zonder slag of stoot opheffen. De ouderen wilden niet voor de jongeren wijken. De emoties liepen hoog op (‘Er vielen harde woorden. Zo in de trant van: wij laten ons door jullie onze oorlog niet afnemen’, herinnert een lid van de commissie-Wiltens zich als de dag van gisteren: ‘Sommigen stonden de tranen in de ogen’). Daarom werd, zoals dat in Nederland gebruikelijk is, uiteindelijk een compromis gesloten. De afslanking van de vierde mei werd doorgevoerd. De twee organisaties fuseerden. Verder durfden het staatshoofd en haar premier voorlopig niet te gaan. Over de omtovering van de bevrijdingsdag in een nationale vrijheidsdag moest onder een volgend kabinet maar een besluit worden genomen.

De angst dat de jongeren het niet meer zouden begrijpen, bleek op niets gegrond.

Les in democratie

Inmiddels zijn we bijna een decennium verder. De ‘vijftigste mei’ is allerwegen herdacht en gevierd. De Canadezen wáren er – met hun rollend materieel. De angst dat de jongeren het niet meer zouden begrijpen, bleek op niets gegrond. Ook zij feestten massaal mee – al was dat misschien vooral aan het aantrekkelijke programma (2 Unlimited, De Dijk!) te danken. Ook in menig ander opzicht was de herdenking aan de eisen van de moderne tijd aangepast. Het bedrijfsleven bood zich als sponsor aan. De luchtmachtoefening boven het Scheveningse strand heette de Nationale-Nederlanden Airshow. Boven de Amstel waren laserstralen te zien. De koningin legde veel eer in met haar redevoering waarin ze de boodschap van de vierde en vijfde mei probeerde te actualiseren. Zo waarschuwde ze tegen discriminatie van minderheden in het hedendaagse Nederland. ‘Een appel om waakzaam te zijn,’ vond Enneüs Heerma (CDA). ‘Een les in democratie,’ meende Jacques Wallage (PvdA). Het dagblad Trouw riep Hare Majesteit zelfs tot ‘het geweten van de natie’ uit. Er mocht van een overdonderend succes worden gesproken.

Maar één vraag was intussen nog steeds niet opgelost: hoe moest er na het jubileumjaar met de vierde en de vijfde mei worden omgesprongen? Moesten de beide dagen dan ook nog gehandhaafd blijven? Of waren ze alsnog aan een opknapbeurt toe? Kon de Tweede Wereldoorlog in een tijd dat het grootste deel van de bevolking die zelf niet meer had meegemaakt nog wel het leitmotiv zijn? Of moesten voortaan voormalig Joegoslavië, Rwanda en Tsjetsjenië centraal staan? Hoe moest Nederland reageren op het dringende verzoek van de Duitsers om vanaf nu zulke plechtigheden ook bij te mogen wonen? Om ons samen op de situatie in de wereld te bezinnen?

In zijn nadagen als premier sneed Ruud Lubbers die zaak opnieuw aan. Op 7 februari 1994 verzocht hij het Nationale Comité 4 en 5 mei (dat als uitvloeisel van het rapport-Wiltens werd ingesteld) ‘na te denken’ over de vraag hoe het na dit jubileumjaar verder moest. Het comité hoopt zijn advies de komende herfst uit te brengen. Het eerste concept-stuk moet nog worden geschreven. Lubbers’ opvolger Wim Kok liep in een interview met het Duitse weekblad Die Zeit wel vast vooruit op de – zonder twijfel moeizame – conclusies ‘Mehr als die Befreiung sollte uns die Freiheit interessieren,’ verklaarde de minister-president daar. Wat erop wijst dat ook hij denkt aan de nationale vrijheidsdag die de commissie-Wiltens al voor ogen stond. Maar, zoals gezegd, een definitief besluit daarover zal dit najaar pas vallen.

Duitsers erbij of niet?

Tot nu toe ligt vooral het onderwerp: ‘Mogen de Duitsers er in de toekomst bij zijn?’ in regeringskring uiterst gevoelig. Lubbers durfde er zijn vingers niet aan te branden. Daarvoor waren de reacties van het voormalig verzet te afwijzend. Kok trof het netelige vraagstuk in zijn overdrachtdossier aan. Hij ontdekte al snel dat de invalshoeken van de verschillende ministeries ver uit elkaar lagen. Aan de ene kant stond het departement van Buitenlandse Zaken, dat nu eenmaal het meest geneigd is zich de klachten en verlangens van bevriende mogendheden aan te trekken. Bij BZ vonden ze dan ook dat Nederland niet moest doen alsof de Duitsers het kwaad belichaamden. Moest dat zo lang na de oorlog niet eens worden gerelativeerd? De collega’s van Economische Zaken – bezorgd om onze stagnerende kaas- en tomatenexport – ondersteunden dat betoog. De tegenargumenten werden aangevoerd door het ministerie van VWS, dat namens de regering de contacten met de organisaties van oorlogsslachtoffers onderhoudt. Daar waren ze bang dat deze groep zich gekwetst zou voelen wanneer vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek de plechtigheden in de meimaand met hun aanwezigheid luister kwamen bijzetten.

Ook de partijen die het kabinet steunden, verschilden van mening. Van de coalitiepartners was D66 het meest geporteerd voor een viering van de bevrijding waaraan ook de Duitsers deelnamen. PvdA en VVD toonden veel meer koudwatervrees. Tenslotte moest de nieuwe premier ook rekening houden met de stellige standpunten die de koningin en haar gemaal, prins Claus, gaandeweg hadden ontwikkeld. Zij vonden dat de tijd was gekomen om het moderne Duitsland de hand te reiken. Claus was al in 1985 diep onder de indruk geraakt van de moedige redevoering die de toenmalige bondspresident Richard von Weizsäcker hield bij de veertigste herdenking van de val van Berlijn. Hitlers nederlaag moest voortaan ook door de Duitsers als een bevrijding worden gezien, merkte Von Weizsäcker op.

Een bevrijdingsdag die alleen uit zaklopen, koekhappen en een tv-show in Carré bestond, vond Beatrix ordinair.

De prins, die sinds jaar en dag met het oorlogsverleden van zijn ex-landgenoten worstelt (tijdens hun verloving praatten Beatrix en hij over bijna niets anders, vertrouwde hij ooit het Nieuw Israelietisch Weekblad toe), werd door dat appel zo diep getroffen, dat hij zelfs hoogstpersoonlijk de inleiding bij de Nederlandse vertaling van Von Weizsäckers rede schreef. De koningin vestigde daar in haar toespraak in de Ridderzaal op 5 mei nog eens de aandacht op. Beatrix zelf was vastbesloten het herdenkingsjaar 1995 te gebruiken om naar alle kanten toe bruggen te slaan. In haar kerstrede van jongstleden december sprak ze de plechtige woorden: ‘Op onderdrukking volgt bevrijding, maar op bevrijding volgt verzoening.’ Ze stemde de oorlogsslachtoffers dankbaar door bij de Auschwitz-herdenking in Polen aanwezig te zijn. Ze bracht – voor het eerst in haar hoedanigheid van koningin – een bezoek aan Israël en stak tijdens haar redevoering in de Knesset de hand in eigen boezem. De Nederlanders hadden tijdens de oorlog te weinig gedaan om de deportatie van de joden te verhinderen. Dat gebeurde mede op instigatie van prins Claus (zie VN van 8 april 1995). De koningin koos er zelf voor om op vijf mei een speech in de Ridderzaal te houden (een bevrijdingsdag die alleen uit zaklopen, koekhappen en een tv-show in Carré bestond, vond ze ordinair). Beatrix herhaalde dat ze zich ‘schaamde’ voor het grote aantal Nederlanders dat zich tijdens de bezetting lijdzaam had gedragen – of zelfs met de nazi’s had gecollaboreerd.

Eind augustus volgt nog het staatsbezoek aan het voormalige gebiedsdeel Indonesië. Hoewel in Den Haag voortdurend wordt herhaald dat ze dan geen excuses voor de politionele acties zal aanbieden, is duidelijk dat ze met die reis probeert rekenschap af te leggen voor het koloniale verleden van Nederland. Achter al die opmerkelijke stappen lijkt bijna een masterplan schuil te gaan: het koninklijk paar stelt zich kwetsbaar op. Het probeert de Nederlanders ervan te doordringen dat ook zij geen brandschone handen hebben. Dat maakt het mogelijk vijandbeelden te doorbreken. Het is niet langer: wij zijn de good guys en jullie de bad guys. Nederland vraagt om vergiffenis, maar schenkt het ook aan anderen.

Gebroken pijlers

Het is geen volstrekt originele visie: historici als prof.dr. Hans Blom van de Universiteit van Amsterdam, prof.dr. Friso Wielenga van de Rijksuniversiteit Groningen en prof.dr. Jac Bosmans van de Katholieke Universiteit Nijmegen gingen het koningspaar voor. Journalisten als W.L. Brugsma, ex-gevangene in Dachau, en hoofdredacteur dr. Ben Knapen van NRC, ex-correspondent in Duitsland, beiden drager van het Bundesverdienstkreuz, eveneens. Maar Beatrix en Claus zijn ertoe overgegaan dat denken actief te propageren. ‘Op gebroken pijlers kunnen we geen bruggen bouwen,’ om de kersttoespraak van de koningin nog een keer te citeren.

Dat was het krachtenveld waarin Kok bij het aanvaarden van het premiersambt terechtkwam. Bovendien moest hij de lastige erfenis beheren die zijn voorganger Lubbers had achtergelaten: een gespannen verhouding met bondskanselier Helmut Kohl. Officieel waren de banden tussen Nederland en Duitsland sinds de val van de Berlijnse Muur in 1989 alleen maar aangehaald. Minister van Buitenlandse Zaken prof.dr. Peter Kooijmans gold als de architect van wat op Buitenlandse Zaken (BZ) het ‘bilaterale beleid’ werd gedoopt: nu de Sovjetunie niet meer bestond en Amerika zich gedeeltelijk uit Europa had teruggetrokken, was de traditionele Atlantische oriëntatie van Nederland niet langer houdbaar.

Erkenning van de Duits-Franse bijzonderheden en een actieve rol ter beïnvloeding van de richting waarheen dat duo koerst, is een Nederlands belang.

Nederland moest zich meer op het Europese continent gaan richten. Op Frankrijk, op België, maar niet te vergeten ook op Duitsland. Kooijmans in de Volkskrant van 19 oktober 1993: ‘Het ligt voor de hand dat we de positie van ons belangrijkste buurland, Duitsland, niet buiten beschouwing laten.’ Het diplomatieke establishment en de wetenschappelijke adviseurs, die om het ministerie van BZ heen cirkelen, vielen Kooijmans van harte bij. Pal na zijn aantreden (hij volgde rond de jaarwisseling van 1992, 1993 Hans van den Broek op) belegde het Instituut Clingendael in het Haagse Provinciehuis een conferentie over ‘de toekomst van de Nederlandse buitenlandse politiek’. De verhouding met ons belangrijkste buurland was daar een van de drukst besproken onderwerpen. In een bijzonder nummer van de Internationale Spectator, dat ter gelegenheid van het symposium verscheen, schreef Knapen: ‘Erkenning van de Duits-Franse bijzonderheden en een actieve rol ter beïnvloeding van de richting waarheen dat duo koerst, is een Nederlands belang.’ Prof.dr.ir. Joris Voorhoeve (toen directeur van Clingendael, nu minister van Defensie) viel hem bij: op militair gebied moest er nauw met de Duitsers worden samengewerkt. Vooral de landmacht leende zich daartoe. Prof.dr. Alfred van Staden (opvolger van Voorhoeve op Clingendael), hoogleraar internationale betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Leiden en voorzitter van de invloedrijke Adviesraad Vrede en Veiligheid, dacht er niet fundamenteel anders over: ‘Over het algemeen zou een sterkere oriëntatie op de positie van Duitsland verstandig zijn.’

De bijeenkomst kon niet meer mislukken toen de minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek dr. Klaus Kinkel aanbood het slotwoord te spreken. De Clingendael-conferentie werd overigens financieel mogelijk gemaakt door Mercedes-Benz Nederland BV en de Westdeutsche Landesbank (Europa) AG. Maar dat kan ook toeval zijn geweest.

Kooijmans vroeg later dat jaar Van Stadens Adviesraad Vrede en Veiligheid om een rapport over de relatie met onze oosterburen. De aanbeveling luidde zoals verwacht: we kunnen niet langer om de Duitsers heen.

Verstoorde verhoudingen

Dat was het beleid dat naar buiten werd verkondigd. Maar achter de schermen liepen de spanningen tussen het Bundeskanzleramt (Helmut Kohl) en het Torentje (Ruud Lubbers) ondertussen hoog op. De goede verhoudingen werden verstoord door ruzies over de vestigingsplaats van de Europese centrale bank (Nederland maakte bezwaar tegen Frankfurt) en meningsverschillen over de Duitse hereniging (Lubbers had dat proces tijdens een redevoering in Tilburg van kritische kanttekeningen voorzien).

Duitsers hadden de brandstichting in Solingen zelf toch ook al veroordeeld? Waarom werd dat in Nederland niet beseft? Was de tekst ‘Ik ben óók woedend’ niet gepaster geweest?

Een rapport van het overigens zo diplomatiek opererende Instituut Clingendael gooide nog meer olie op het vuur. In het voorjaar van 1993 liet de denktank onderzoeken hoe Nederlandse jongeren over de Duitsers dachten. De conclusies waren niet mals. De ondervraagden meenden dat onze nieuwe Europese partners overheersend, arrogant en oorlogszuchtig waren. Heel anders dan de Nederlanders wier gezelligheid, verdraagzaamheid en gevoel voor humor werden geprezen. De conclusies kwamen ten oosten van Zevenaar hard aan: wat hielden de Nederlandse docenten hun leerlingen eigenlijk voor? Die zomer volgde nog de briefkaartenactie ‘Ik ben woedend’, door Radio 3-discjockeys Peter van Bruggen en Jeanne Kooijmans georganiseerd naar aanleiding van de racistische moordaanslag op een Turkse familie in Solingen. Een miljoen Nederlanders tekende. Tot grote irritatie van de Duitse autoriteiten die zich zwart gemaakt voelden: ze hadden de brandstichting in Solingen zelf toch ook al veroordeeld? Waarom werd dat in Nederland niet beseft? Was de tekst ‘Ik ben óók woedend’ niet gepaster geweest? Een weinig bekend, maar uiterst pikant detail is dat zich onder de afzenders van de briefkaarten ook een minister uit het kabinet-Lubbers bevond: Ernst Hirsch Ballin. Op het departement van Buitenlandse Zaken werd hem dat niet in dank afgenomen. Maar Hirsch Ballin was écht woedend over de rechts-extremistische aanslagen in Duitsland.

Tussen Bonn en Den Haag ontstond langzamerhand een paranoïde sfeer. Kohl leek te denken dat Lubbers achter de stemmingmakerij tegen zijn landgenoten zat. Als in Der Spiegel of de Süddeutsche Zeitung artikelen over de hypocrisie van de zogenaamd verdraagzame en vrijzinnige Hollanders verschenen, ontwaarde Lubbers daar de hand van Kohl in. Het eindigde allemaal met de showdown op Korfoe (juni 1994): de Nederlandse premier mocht van de bondskanselier geen voorzitter van de Europese Commissie meer worden. Welke plechtige verklaringen over ‘de noodzaak van grotere onderlinge samenwerking’ ook werden afgelegd: de moffen en de kaaskoppen stonden weer eens recht tegen over elkaar.

Ernst Hirsch Ballin heeft er overigens nooit spijt van gehad dat hij de protestactie tegen Solingen destijds heeft gesteund. Toen we hem het afgelopen weekend belden, kwam hij net terug uit Duitsland. De herdenkingsweek had hij in Berlijn doorgebracht. Daar moest hij zijn voor een conferentie van de Konrad Adenauer Stiftung, die gelieerd is aan Helmut Kohls CDU. Maar hij bracht met zijn vrouw en kinderen ook een bezoek aan het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen (‘Ik heb bij de Konrad Adenauer Stiftung gezegd dat ik wat eerder weg moest omdat ik dat kamp nog wilde zien. Daar bestond begrip voor. Ze zeiden: dat moet je zeker doen’).

De oud-minister van Justitie bezocht in Berlijn ook de kapel waar de herinnering aan de – binnenkort zalig verklaarde – pater Bernhard Lichtenberg levend wordt gehouden. Die protesteerde vanaf de preekstoel tegen de jodenvervolgingen en werd naar Dachau gedeporteerd. Onderweg kwam de geestelijke om (Hirsch Ballin: ‘Zulke priesters waren er in de nazi-tijd óók. Hoewel het er natuurlijk te weinig waren’). De oud-minister van Justitie herinnert zich nog goed waar en wanneer hij de briefkaart van Radio 3 ondertekend heeft: ‘Het was op een congres van het CDJA, onze jongerenorganisatie. Iemand liep het podium op en vroeg mij adhesie te betuigen. Ik zag geen reden om dat niet te doen. Ik heb het nooit beschouwd als een protest tegen de Duitse regering. Ik vond het juist een steun in de rug van mijn Duitse collega die zich ook verontwaardigd had uitgelaten over de aanslag in Solingen. Binnen de ministerraad is het me toen ook niet kwalijk genomen. Pas naderhand is die actie als anti-Duits geïnterpreteerd. Toen is wel eens geopperd dat de kansen van Ruud Lubbers op het voorzitterschap van de Europese Commissie er door waren geschaad. Maar dat is van die wijsheid achteraf. Ik heb me toen écht opgewonden. Er was brandstichting gepleegd. Er waren mensen om het leven gekomen. Als je dan als minister niet tekent, geef je het verkeerde signaal. Ik ben voor een goede verstandhouding met Duitsland. Maar je moet ook weer niet zeggen: omwille van de goede relaties moet je overal maar het zwijgen toe doen. Dat heeft mij toen tot het ondersteunen van die briefkaartenactie gemotiveerd.’

Persoonlijke guerilla

Tegen het voorjaar van 1994 begon het ministerie van Buitenlandse Zaken zich de grootste zorgen te maken over de manier waarop de Duits-Nederlandse verhoudingen uit de hand liepen. De persoonlijke guerrilla tussen Lubbers en Kohl viel samen met een andere gebeurtenis: de herdenking van D-day – de Amerikaanse invasie in Normandië. Kohl had daar graag bij aanwezig willen zijn, maar de voormalige geallieerden stelden dat niet op prijs. Ook de Nederlandse regering vond dat de bondskanselier daar niets te zoeken had. Later gaf de Franse president Mitterrand Duitse soldaten wel toestemming deel te nemen aan de militaire parade op de Champs-Élysées ter gelegenheid van de quatorze juillet. Ondertussen drong zich de vraag op wat wij zelf met het jubileumjaar 1995 moesten doen: als de Duitsers dan een krans wilden leggen of een toespraak wilden houden waarin ze hun welgemeende excuses aanboden, wat dan?

We moeten ons er rekenschap van geven dat er relatief meer joden uit Nederland zijn weggevoerd dan uit andere door Duitsland bezette landen.

In maart ging de Nederlandse ambassadeur in Duitsland mr. A.P. van Walsum over tot het initiatief. Op een bilaterale bijeenkomst in Bremen brak hij er een lans om de Duitse autoriteiten bij de vijftigste herdenking van de Tweede Wereldoorlog te betrekken. Hij sprak à titre personnel. Maar Van Walsum was niet de eerste de beste. Hij was directeur-generaal politieke zaken op het ministerie geweest en stond op de Bezuidenhoutseweg in hoog aanzien. Het kabinet had zijn toespraak niet van tevoren goedgekeurd. Maar de ambassadeur wist dat hij op de stilzwijgende instemming van zijn minister Peter Kooijmans kon rekenen. Van Walsum volgde ongeveer dezelfde redenering die koningin Beatrix later ook tot de hare zou maken. Het zwart-witdenken moest worden doorbroken. De Nederlanders hadden zich tijdens de oorlog ook lang niet allemaal even dapper gedragen (de diplomaat een paar maanden later in een artikel in de Volkskrant: ‘We moeten ons er rekenschap van geven dat er relatief meer joden uit Nederland zijn weggevoerd dan uit andere door Duitsland bezette landen en dat er relatief meer Nederlanders dienst hebben genomen in de Waffen-SS dan inwoners van andere door Duitsland bezette landen’). De Duitsers belichaamden niet het kwaad, de Nederlanders niet het goede. De dodenherdenking in mei moest van ‘iedere vorm van nationalistische legendevorming’ worden ontdaan. Van Walsum vermoedde dat de geesten nog niet rijp waren om vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek voor de plechtigheden op 4 en 5 mei 1995 te inviteren. Maar misschien was er een gezamenlijke bezinningsdag op 8 mei denkbaar. Op die datum werd in Duitsland de capitulatie herdacht.

De politieke reacties in Den Haag moeten Van Walsum aanvankelijk tevreden hebben gestemd. De kamerleden De Hoop Scheffer (CDA), Van Traa (PvdA) en Weisglas (VVD) noemden zijn suggesties ‘de moeite van het bespreken waard’. De Hoop Scheffer plaatste daar de kanttekening bij dat de organisaties van het voormalig verzet zich dan ook wel in dat plan moesten kunnen vinden. Dat bleek niet het geval.

Toen Lubbers de meningen peilde, bleken de meeste organisaties niet warm te lopen voor de verbroedering waartoe Van Walsum had opgeroepen. Alleen de Anne Frank Stichting juichte een modernisering van de herdenking expliciet toe. De Stichting Samenwerkend Verzet merkte daarentegen bij monde van haar secretaris P. Coumou op dat ‘de heer Van Walsum weinig affiniteit heeft en toont met het verzet’. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei – dat onder leiding staat van de CDA’er Willemien van Montfrans – had zich al eerder uitgesproken voor een nationaal karakter van de viering van 4 en 5 mei. Daarom leek het de minister-president raadzaam nog maar even geen besluit te nemen. Maar achter de schermen woedde de discussie onverminderd voort.

Doorzettingvermogen

Eind augustus nam Wim Kok de fakkel van Ruud Lubbers over. De tijd drong. Mei 1995 naderde met rasse schreden. De herdenking van de slag om Arnhem en van de bevrijding van het zuiden hadden al tot problemen aanleiding gegeven. In Arnhem wilde burgemeester mr. P. Scholten de Duitse oud-president Von Weizsäcker uitnodigen een speech te houden. Na protesten uit de gemeenteraad zag hij daarvan af. Zijn collega’s mr. E. d’Hondt (Nijmegen) en mr. P. Houben (Maastricht) durfden het op het laatste moment ook niet aan.

De kinderen en kleinkinderen van de Duitsers die in de ban raakten van Hitler en zijn trawanten, hebben er recht op te worden beoordeeld op hun eigen daden.

Tijdens de plechtigheden in Limburg pleitte minister van staat Max van der Stoel er wel voor in 1995 meer doorzettingsvermogen te tonen. Zelfs voor de herdenking van de opstand in het getto van Warschau had de Duitse president – Roman Herzog – een uitnodiging gekregen, zei hij. Waarom kon dat dan hier niet? Van der Stoel beriep zich met zoveel woorden op koningin Beatrix, die had opgemerkt dat we niet de gevangenen van het verleden mochten worden. Van der Stoel – geheel in de geest van de koningin: ‘De kinderen en kleinkinderen van de Duitsers die in de ban raakten van Hitler en zijn trawanten, hebben er recht op te worden beoordeeld op hun eigen daden en op hun eigen instelling, en niet op die van hun ouders en grootouders.’

Belangrijker nog was dat de vader van de koningin, prins Bernhard, zich in het debat mengde. Half september gaf hij een interview aan Trouw. Als de Duitsers in mei kwamen, kon hij daarmee leven – aldus de prins (die via oude getrouwen als mr. Gerard Peijnenburg en Wim Tensen nog steeds nauw contact met de organisatoren van de herdenking van de capitulatie in Wageningen onderhoudt). Zijdelings drongen ook Helmut Kohl, Klaus Kinkel en de Duitse ambassadeur in Den Haag Wilhelm Haas op een beslissing aan. Ze gedroegen zich niet overmatig assertief – vertellen ambtenaren van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Algemene Zaken die zich met het dossier bezighielden. Hun redeneertrant had veel meer iets van: de Nederlanders moeten hier zelf over besluiten. Maar mochten we welkom zijn, dan graag. Het is maar dat jullie weten dat het niet aan ons heeft gelegen als het misloopt. En, tja: ze hadden in Bonn overvolle agenda’s. Enige haast was dus geboden.

Onze belangrijke buren gedroegen zich als schooljongetjes die vast voorzichtig informeerden wat voor cadeautje ze mee moesten nemen naar een partijtje waar ze nog niet eens voor waren uitgenodigd. De prille paarse coalitie had het er moeilijk mee. Kok, die er persoonlijk voor was de Duitsers de hand te reiken, werd daarin enthousiast gesteund door Hans van Mierlo. De minister van Buitenlandse Zaken was altijd al een warm voorstander van het bilaterale beleid van zijn voorganger Kooijmans geweest. Dat kwam mede door de vele gesprekken die hij met vrienden als de schrijvers Harry Mulisch en Cees Nooteboom (groot kenner van Berlijn, pionier van de Duits-Nederlandse toenadering en ook nog de trotse drager van het Bundesverdienstkreuz) over de materie had gevoerd. Als fractievoorzitter in de Tweede Kamer had Van Mierlo zich er al voor uitgesproken Kohl te inviteren voor de ‘vijftigste meiviering’. De D66-voorman in de NRC van 16 april 1994: ‘Ik hoop niet dat (…) het krankzinnige idee een rol gaat spelen dat het Duitse volk van nu iets te maken heeft met het regime van toen. Dat is niet alleen onbarmhartig en onrechtvaardig, maar ook levensgevaarlijk (…). De Duitsers zijn in 1945 toch ook bevrijd?’

We kunnen niet eindeloos met de rug naar het verleden blijven staan.

Van Mierlo zou dat standpunt later nog met klem herhalen. Na een ontmoeting met Kinkel begin oktober parafraseerde hij de uitspraak van de koningin: ‘We kunnen niet eindeloos met de rug naar het verleden blijven staan.’ In een toespraak in de Haagse Nieuwe Kerk (op 5 april 1995) toonde hij zich bezorgd over de anti-Duitse stemming onder de Nederlandse jongeren. Die moesten volgens hem ontdekken ‘dat Duitsland niet in de eerste plaats een achterland is met een vaag boosaardig verleden, maar een land van nu’. Van Mierlo pleitte voor een gezamenlijke beleving van de bevrijding. De herinnering aan de Duitse bezetting noemde hij tijd- en plaatsgebonden. Van blijvende waarde was de overwinning op het nationaal-socialisme, maar van dat systeem waren ook Duitsers het slachtoffer geweest.

Van Mierlo in Den Haag: ‘Daarom zou het goed zijn als na vijftig jaar het accent in de herdenking meer en meer komt te liggen op de bevrijding van het gezamenlijk doorstane kwaad. Dat doet recht aan de geschiedenis, raakt de zaak in het hart en schept ruimte voor de toekomst.’ En – vervolgde de minister: ‘Duitsland moet door ons gezien worden als een normaal land, dat wil zeggen met dezelfde hebbelijkheden en onhebbelijkheden als andere landen, zonder dat daar iets speciaals bij wordt gedacht.’

Dat soort betogen hield hij ook in de ministerraad. Vooral zijn partijgenoot Els Borst van VWS (haar overleden echtgenoot heeft in het verzet gezeten), kwam daartegen in het geweer. Het kabinet slaagde er niet in een gezamenlijk standpunt te formuleren. Tijdens de persconferentie ter toelichting van de Troonrede liet Wim Kok een proefballon op. De premier maakte onderscheid tussen de dodenherdenking op de vierde mei (waar de Nederlanders onder elkaar wilden zijn) en de viering van de bevrijding op de vijfde mei (die op de toekomst gericht moest zijn en waarbij wat hem betreft ook de Duitsers welkom waren).

Koks Aleingang

De veteranenorganisaties en het voormalig verzet schoten het probeersel meteen af: 4 en 5 mei waren onafscheidelijk met elkaar verbonden. Ook het bevrijdingsfeest moest een nationaal karakter dragen. Met sommigen – zoals met Willemien van Montfrans van het Comité 4 en 5 mei en met voorzitter Bill Minco van de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet – viel wel te praten over een extra bijeenkomst op 8 mei. Dan kon bijvoorbeeld een wetenschappelijk symposium worden gehouden waar ook Duitsers bij aanwezig waren. Daar zou dan over vijandbeelden kunnen worden gesproken.

Kok raadpleegde ook de fractievoorzitters van de paarse partijen in de Tweede Kamer. Ook die waren niet unaniem. Gerrit Jan Wolffensperger (zoon van de gefusilleerde verzetsman Gerrit van der Veen) had van hen drie de minste moeite met een verzoenend gebaar. Jacques Wallage stribbelde wel tegen. Frits Bolkestein ook. De VVD-leider keerde zich tegen het standpunt dat zijn fractiewoordvoerder Weisglas in het voorjaar nog had ingenomen. Bolkestein vond dat de ‘vijftigste mei’ nog zonder de Duitsers erbij moest worden herdacht en gevierd. Pas vanaf 1996 was een andere opzet met hem bespreekbaar.

Tijdens dat onderonsje bleek dat Kohl al lang niet meer op een invitatie voor 4 of 5 mei rekende. Ook op de achtste mei was hij bezet.

Kok wist nog steeds niet zeker waar hij op aan moest sturen, toen zich een plotselinge gelegenheid voordeed de zaak met Helmut Kohl zelf te bespreken. Na de overwinning van de bondskanselier bij de Duitse verkiezingen – half oktober – spoorden ambtenaren de premier (die soms wat stroef functioneert) aan de telefoon te grijpen en met Bonn te bellen. Kok feliciteerde Kohl van harte (hoewel hij daar wel aan toevoegde dat hij als sociaal-democraat liever had gezien dat de SPD’er Rudolf Scharping had gezegevierd).

Kohl reageerde uiterst amicaal: kon de Nederlandse minister-president niet meteen bij het Bundeskanzleramt langskomen voor een gesprek onder vier ogen? Tijdens dat onderonsje bleek dat Kohl al lang niet meer op een invitatie voor 4 of 5 mei rekende. Ook op de achtste mei was hij bezet. Spontaan werd de afspraak gemaakt dat Kohl later die maand wel een bezoek aan Nederland zou brengen. Bondspresident Herzog volgde dan in het najaar.

Tot zijn grote opluchting was Kok eruit. Op dat moment droeg hij overigens nog steeds geen mandaat van het kabinet op zak. De ministerraad zou zijn Aleingang pas begin november goedkeuren.

Vijftigste mei

Zo verliepen de herdenking en viering van de ‘vijftigste mei’ zonder verdere strubbelingen. Op 4 mei werd stilgestaan bij de doden die zijn gevallen. Helemaal onder elkaar waren we daar als Nederlanders overigens niet. Ook de militaire attachés van de geallieerde landen gaven dit keer acte de présence.

Ook daar lag een ingenieus compromis binnen het kabinet aan ten grondslag: als de ambassadeurs waren uitgenodigd, kon moeilijk aan de Duitse Botschafter worden voorbijgegaan. Daarom werd met de militaire attachés volstaan.

Ook 5 mei vierden we in eigen kring. Afgezien dan van de Canadese veteranen die – steunend op hun wandelstokken – opnieuw onze harten veroverden. In Wageningen en ’s avonds in Carré waren ook de ambassadeurs uitgenodigd, maar alleen van de geallieerde mogendheden.

Wat betreft het omgaan met het verleden kunnen we van de Duitsers nog veel leren.

De joodse gemeenschap hield op 7 mei haar eigen herdenkingsdienst. Twistappel daar was niet of de Duitsers, maar of de liberale joden mee mochten doen.

Op 8 mei maakten de wetenschapsmensen hun opwachting in de Ridderzaal. De koningin en prins Claus lieten ook deze bijzondere gelegenheid niet aan zich voorbijgaan. Oud-minister Kooijmans zat de discussie over ‘vijftig jaar vrijheid’ voor. Onder de sprekers konden oude bekenden worden aangetroffen als minister van staat mr. Max van der Stoel, voorzitter prof.dr. Alfred van Staden van de Adviesraad voor Vrede en Veiligheid, prof.dr. Friso (‘Wat betreft het omgaan met het verleden kunnen we van de Duitsers nog veel leren’) Wielenga van de Rijksuniversiteit Groningen en Dr. Ben Knapen. Alleen bij deze bijeenkomst waren ook de Duitse en de Japanse ambassadeurs welkom.

Op het World Liberty Concert in Arnhem (gesponsord door de landmacht en Apple Computers) schitterde René Froger naast Art Garfunkel en Joe Cocker.

Op 22 mei zal bondskanselier Kohl een krans leggen bij het Zadkine-monument in Rotterdam. Hij had dat ook wel bij het Nationaal Monument op de Dam willen doen, maar dat was voor de Nederlandse regering te controversieel. Verzoening vergt nu eenmaal compromissen.

Ondertussen is op bescheiden schaal geëxperimenteerd met de aanwezigheid van Duitsers bij lokale herdenkingen. Op het Vrijthof in Maastricht mochten onze oosterburen – in tegenstelling tot vorig jaar – op 5 mei meedoen. De volgende dag vond een verbroederingsfeest in Kerkrade plaats. Burgemeester Thijs Wöltgens had het initiatief daartoe genomen. Van Mierlo en Kinkel keken vergenoegd toe en slechtten een muurtje.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken bereidt een publiciteitscampagne voor om het wij-gevoel tussen de twee buurlanden te stimuleren. De voorbereiding is in handen gelegd van een Stuurgroep Nederland-Duitsland waarvan de oud-ambassadeur bij de EU mr. M. Rutten voorzitter is. Dit najaar vindt een eerste Nederlands-Duitse conferentie plaats. Prins Claus heeft het beschermheerschap op zich genomen.

Tegen die tijd moet het Nationaal Comité 4 en 5 mei de regering hebben meegedeeld hoe de dodenherdenking en de viering van de bevrijding kunnen worden geactualiseerd. Het breed samengestelde comité – waarin onder meer brigadegeneraal der fuseliers b.d. Rudi Boekholt, Trouw-redacteur Willem Breedveld, chef-defensiestaf generaal der mariniers Henk van den Breemen, CDA-veteraan en voorzitter van de Anne Frank Stichting Til Gardeniers, de Haagse en Brusselse public affairs-adviseur René Glaser, de Wageningse burgemeester Michel Jager, voorzitter van het Joods Historisch Museum Ted Musaph, procureur-generaal in Amsterdam Rutger graaf van Randwijck, Ed. van Thijns vroegere voorlichter Noortje van Oostveen, vertrouweling van prins Bernhard Wim Tensen, chef-staf van de inspecteur-generaal der Krijgsmacht Louis Timmermans, raadsadviseur op het ministerie van Algemene Zaken Rob Visser en oud-CPN-bestuurslid Catrien Wolff vertegenwoordigd zijn – zal daar nog een stevige dobber aan hebben. Binnen het comité bestaat begrip voor de behoefte aan een nieuwe opzet die bij de koningin en bij het kabinet bestaat. Zoveel jaar na dato moet de verhouding met de Duitsers op de een of de andere manier worden genormaliseerd. Anderzijds kan er – zolang er nog slachtoffers van de oorlog in leven zijn – niet zonder meer een streep onder het verleden worden gezet. Dat zou als een affront worden beschouwd. Dat maakt een eenduidig advies over de nationale vrijheidsdag, waarvoor Kok zich nu heeft uitgesproken, tot een ingewikkelde aangelegenheid.

Bevrijdingsfeest

Het Comité 4 en 5 mei zit bovendien nog met een ander probleem. De dodenherdenking wordt de laatste jaren weer druk bezocht. Het bevrijdingsfeest, dat erop volgt, geeft meer reden tot zorg. Afgezien van uitschieters als de ‘vijftigste mei’ is het feest nooit goed uit de verf gekomen. Het heeft geen eigen identiteit gekregen.

Dat komt voor een deel door de terughoudende opstelling van de werkgevers: nog steeds heeft niet heel Nederland vrij op 5 mei. Maar het is ook een gevolg van de ongelukkige omstandigheid dat die datum vlak na koninginnedag valt. En verzin dan nog maar iets nieuws. Het comité probeert wel het nationale feest een eigen accent te geven (dit jaar reed er een vrijheidstrein rond, die de aandacht moest vestigen op artikel 1 van de Grondwet). Maar vooralsnog domineren op beide dagen de popconcerten en braderieën. Dat wordt te pover gevonden.

Toen kroonprins Willem-Alexander eerder dit jaar in een bijeenkomst met buitenlandse journalisten opmerkte dat hij niet wist of de vijfde mei de volgende eeuw zou overleven, sprak hij niet alleen namens zichzelf. De kroonprins moet ook thuis wat hebben opgevangen.

Alles bij elkaar brengt dat sommigen binnen het comité tot de conclusie dat 30 april, 4 en 5 mei in de toekomst misschien beter kunnen worden gefuseerd. Nederland zou dan één dag van rouw, bezinning en aanhankelijkheid aan het koningshuis krijgen. ’s Ochtend worden de kransen gelegd. ’s Middags en ’s avonds is het feest. Zoals de Fransen dat ook doen op Quatorze juillet. Maar dat is nog toekomstmuziek. Voorlopig overheersen problemen als hoe kunnen we de vijfde mei optuigen en hoe betrekken we de Duitsers erbij?

Zoals gezegd: dat ligt gevoelig.

Brigadegeneraal b.d. Rudi Boekholt is de exponent van de Indische gemeenschap binnen het Comité 4 en 5 mei. Hij juicht het toe dat dit jubileumjaar wordt gebruikt om de dialoog met de Duitsers te beginnen en – in augustus – de Indonesiërs de hand te reiken. Hij benadrukt dat vooral de koningin daar veel belang aan hecht (en Boekholt kan het weten, want hij is ook nog adjudant i.b.d. van Hare Majesteit). In zijn huis in Arnhem vallen termen als verzoening en toekomstgericht leren denken. Maar dat moet de grenzen ook niet te buiten gaan.

Ik voel wel voor een dag van de vrijheid die ook over Bosnië en andere brandhaarden in de wereld gaat.

Boekholt vond al in 1987 dat de dodenherdenking op 4 mei niet mocht worden opgedoekt. Dat vindt hij nog steeds. Bovendien wil hij daar onze vroegere vijanden die nu onze partners zijn onder geen beding zien: ‘De Duitsers horen daar geen krans te leggen. Nu niet, en wat mij betreft over tien jaar ook niet. Mensen als Van Mierlo mogen in theorie gelijk hebben, maar we mogen de gevoelens van de oorlogsslachtoffers niet kwetsen.’

Over vernieuwing van de vijfde mei valt met Boekholt wel te praten. De vlam moet aan de jeugd worden doorgegeven, en dat stelt nu eenmaal zijn eisen: ‘De jongeren zien nu alleen oude mannen op tanks aan zich voorbijtrekken. Dat is wel spannend, maar het zegt niet meer genoeg. Ik voel wel voor een dag van de vrijheid die ook over Bosnië en andere brandhaarden in de wereld gaat.’

Op den duur ligt volgens hem een fusie tussen 5 mei en koninginnedag in het verschiet: ‘Voorlopig kan dat niet, want koningin Beatrix heeft 30 april gehandhaafd als geste aan haar moeder. Maar als Willem-Alexander de troon bestijgt, komt dat anders te liggen. Voor het koningshuis is het nu veel te zwaar: 30 april, 4 en 5 mei binnen één week!’

Behoefte aan een ritueel

René Glaser representeert in het comité de naoorlogse joodse generatie. De voormalige topambtenaar bij de Europese Commissie en het ministerie van Economische Zaken drijft nu zijn eigen public affairs-bureau. Hij ziet op 5 mei in de toekomst in elk geval de herdenking van de capitulatie in Wageningen sneuvelen: ‘Wageningen is nauw verbonden met de persoon van prins Bernhard. Het is een echte reünie. De veteranen uit de Tweede Wereldoorlog paraderen daar langs hun commandant. Ik zie Willem-Alexander of Pieter van Vollenhoven dat nog niet overnemen.’

De dodenherdenking op de vierde mei blijft – denkt hij. Maar de vijfde mei zal van karakter veranderen. Dat wordt naar zijn mening een nationale vrijheidsdag, waaraan ook de Duitsers kunnen deelnemen. Glaser zou daar – ondanks zijn joodse achtergrond – zelf geen problemen mee hebben: ‘Ik kan het niet meer uitleggen dat we het nog steeds buiten de Duitsers om doen. We hebben ze politiek en economisch veel te hard nodig.’

Hij kan zich voorstellen dat anderen nog wel steeds een psychologische barrière moeten overwinnen. Als 5 mei te moeilijk ligt, kunnen de Duitsers ook op 8 mei worden uitgenodigd – zoals dit jaar voor het eerst is gebeurd. Of op 9 mei. Dan wordt de Dag van Europa gevierd. Op den duur ziet ook Glaser de mogelijkheid van een fusie tussen koninginnedag en het bevrijdingsfeest: ‘Oranje-vrijheidsdag, waarom niet?’

Er heerst in Nederland een enorme angst om een faux pas te begaan. Je mag vooral niets doen wat mensen kwetst.

Hans Westra, directeur van de Anne Frank Stichting, zit zelf niet in het comité. Zijn voorzitter Til Gardeniers neemt daar de honneurs waar. De Anne Frank Stichting reageerde vorig jaar al gematigd positief op de suggesties van ambassadeur Van Walsum (een Europese vrijheidsdag op 8 mei). Daar staat Westra ook nu nog altijd achter. 4 mei moet van hem worden gehandhaafd: ‘Een samenleving als de Nederlandse heeft behoefte aan zo’n ritueel. Ik hoor niet bij de stroming die zegt: het kan wel wat minder.’ Maar 5 mei kan wel een nieuwe, interessante, frisse aanpak gebruiken. Westra is bang dat de meidagen anders op een icoon gaan lijken. Zelf heeft hij niet de minste moeite met contacten met Duitsers: ‘Ik vind dat een non-discussie. Wij trekken al jaren met tentoonstellingen door Duitsland. Die worden geopend door hoogwaardigheidsbekleders. Ze worden bezocht door schoolklassen. Er worden activiteiten omheen georganiseerd. We werken écht heel goed samen. Ik merk ook nooit dat de Duitsers hun verleden willen wegpoetsen. Het vooroordeel dat hier bestaat dat ze alleen nog maar willen vergeten en vergeven, is op niets gebaseerd. Ik zou bijna zeggen: integendeel!’

De directeur van de Anne Frank Stichting wil uiteraard rekening houden met de gevoelens van de slachtoffers en overlevenden. Maar niet tot in het oneindige: ‘Er heerst in Nederland een enorme angst om een faux pas te begaan. Je mag vooral niets doen wat mensen kwetst. Daar houden wij ons als Anne Frank Stichting ook aan. We willen niet dat de oorlogsslachtoffers van slag raken. Maar dat schiet ook wel eens te ver door. Dat is te lang de enige leidraad geweest.’

Dag van de democratie?

Rony Naftaniel maakt zelf ook geen deel uit van het comité. Als directeur van het Centrum Informatie en Documentatie over Israël (het Cidi) volgt hij de discussies wel op de voet. Vorig jaar hield hij in het NRC een pleidooi om de Duitsers bij de 5-meiviering te betrekken (‘De toekomst van een vreedzaam Europa vereist dat we het huidige Duitsland accepteren als een volwaardige en strijdbare democratie’). Zijn gedachten gingen overigens vooral uit naar ontmoetingen met Duitse jongeren en ‘zeker niet met oorlogsveteranen’.

Het artikel werd hem in joodse kring niet in dank afgenomen. Het Nieuw Israelietisch Weekblad gaf hem er ongenadig van langs. De kerkgenootschappen schreven een brief aan premier Kok waarin ze zich van zijn voorstel distantieerden (‘Emotioneel ligt het uitnodigen van Duitsers bij herdenkingen heel zwaar in joods Nederland’). De orthodoxe rabbijn Lody van de Kamp voegde daar aan toe, dat hij ook helemaal niet begreep waarom de Duitsers per se de herdenking van de oorlogsslachtoffers wilden bijwonen (‘Als ik een Duitser was, zou ik denken: ik hoor daar niet bij’). Toch neemt Naftaniel niets van zijn woorden terug. Hij ziet weinig in de pogingen die de regering nu doet om 8 mei in Nederland tot leven te brengen: ‘De discussie komt me bekend voor. In heel Europa wordt gezegd: moeten we geen gezamenlijke dag van de democratie hebben? Dat idee is door het kabinet omhelsd. Maar ik vind dat de nadruk op 4 en 5 mei moet blijven liggen. Als je 5 mei naar de achtergrond schuift, komt 4 mei ook in het luchtledige te hangen.’

Het is goed om nuanceringen aan te brengen. Maar het kwaad van toen kan natuurlijk niet worden vergeten.

Naftaniel zou het veel logischer vinden zijn jonge, democratische Duitsers op 5 mei zelf te inviteren (‘Dat is onze bevrijdingsdag’). Nee, van Berührungsangst heeft hij geen last: ‘Je moet realistisch zijn. Economisch zijn we volstrekt van Duitsland afhankelijk. Als de Duitsers kouvatten, hebben wij meteen een longontsteking. De gedachte dat de Nederlanders per definitie goed waren en de Duitsers per definitie fout, koester ik ook niet meer.’ Maar hij neemt wel waar dat de regering nu naar het andere uiterste doorslaat: ‘De boodschap van de koningin kan ook verkeerd worden begrepen. Het is goed om nuanceringen aan te brengen. Maar het kwaad van toen kan natuurlijk niet worden vergeten. De regering wil een eind maken aan haatgevoelens en vooroordelen. Daar is niets tegen. Maar het nazi-verleden van Duitsland mag niet worden weggepoetst.’ De Cidi-directeur: ‘Ik ben geschrokken van de speech die Van Mierlo dit voorjaar in Den Haag hield. Hij had het daar over Duitsland als een land met een vaag boosaardig verleden. Hoezo vaag? Hij noemde Duitsland ook een normaal land. Voor mij blijft het een land met een abnormale geschiedenis. Als je dat allemaal moet gaan verzwijgen, zeg ik: daar doe ik niet aan mee.’

Naftaniel stoort zich aan ‘de sfeer die je proeft. Iedereen heeft het er opeens over dat de verhouding met Duitsland moet worden genormaliseerd. Elke politicus die je spreekt, begint erover.’

De Duitsers zijn wat hem betreft voortaan op 5 mei welkom, maar ‘het verleden mag niet worden verdoezeld’.

De nationale vrijheidsdag (op 5 mei, 8 mei, 9 mei of anders op de verjaardag van prins Willem-Alexander, 27 april) mag dus een grote verzoendag worden.

Het verleden mag niet worden weggemoffeld.

Verwerpelijk gedachtengoed

Maar of het daar toch niet op uit zal draaien?

Het gaat om de bestrijding van een gedachtengoed dat verwerpelijk is. Maar dat komt niet alleen daar voor.

Willemien van Montfrans is voorzitter van het Comité 4 en 5 mei. In de jaren tachtig was ze partijbestuurslid van het CDA. Ze was ook burgemeester van Veere en Katwijk. Binnenkort vestigt ze zich als zelfstandig organisatieadviseur. Van Montfrans is goed op de hoogte van de meningsvorming binnen het kabinet en het koningshuis. Ze praat veel met Beatrix en is het vaak met haar eens. Medecomitéleden van haar maken daar wel eens grappen over. Zo in de trant van: ‘Willemien heeft weer last van majesteitsknieën.’ In de loop van dit jaar geeft ze haar voorzitterschap overigens op. Als mogelijke opvolgers worden Wim Meijer (oud-staatssecretaris, nu voorzitter van de Raad van Beheer van de Rabobank Nederland), Henk Vonhoff (commissaris van de Koningin in Groningen) en Jan Terlouw (zijn collega in Gelderland) genoemd. De naam van Elco Brinkman viel ook. Maar de verwachting luidt dat de koningin – die binnen het Comité 4 en 5 mei veel in de melk te brokken heeft – tegen hem bezwaar zal aantekenen.

Wat Van Montfrans betreft, hoeft niet alles overhoop te worden gehaald. Zo gelooft zij niet dat de belangstelling van jongeren voor de herdenkingen tanende is. Van Montfrans op haar kantoor aan de Amsterdamse Rapenburgerstraat: ‘We hebben dat laten onderzoeken. De belangstelling onder jongeren neemt juist toe.’ Meer aandacht voor actuele problemen als voormalig Joegoslavië en Somalië lijkt haar wel gepast: ‘Er zal een ander referentiekader komen dan de Tweede Wereldoorlog.’ Over de toekomst van de vijfde mei wil zij ‘nog geen uitspraak doen’. Maar – voegt ze daaraan toe: ‘We moeten in elk geval niet zo vlug meer het vermanende vingertje in de richting van anderen wijzen. Daar zijn we in Nederland veel te goed in.’ Het gaat haar niet om de boosaardige inslag van Duitsland: ‘Het gaat om de bestrijding van een gedachtengoed dat verwerpelijk is. Maar dat komt niet alleen daar voor.’

Ze voelt zich uitermate aangesproken door de verzoenende boodschap die het staatshoofd tegenwoordig uitdraagt. Er moeten bruggen worden gebouwd – zoals koningin Beatrix met kerst zei: ‘Ik vond dat een prachtige speech.’

Ik vind het ook iets hypocriets hebben om voortdurend Nie wieder te roepen als je ondertussen wel toestaat dat ze elkaar in Rwanda de hersens inslaan.

Hypocrisie

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk staat bekend als een vechtersbaas, de linksbuiten van het paarse kabinet, de laatste geestelijke erfgenaam van Joop den Uyl. Maar ook hij is inmiddels aangestoken door het verzoeningsvirus dat door Den Haag waart. Pronk, ’s avonds laat op zijn ministerskamer aan de Bezuidenhoutseweg: ‘De Duitsers zijn de tegenstander van toen. Maar ze zijn nu degenen met wie we samenwerken in Europa.’ De bewindsman maakt voor zijn doen een bescheiden indruk. Pronk wil niet suggereren dat hij de hoofdrol heeft gespeeld in de discussies die binnen het kabinet zijn gevoerd over het grote verzoeningsoffensief van koningin Beatrix: haar reizen naar Auschwitz, Israël en Indonesië. Het zware stempel dat ze op de viering van de ‘vijftigste mei’ heeft gedrukt. De minister, grijnzend: ‘Ik ben niet altijd haantje de voorste, ook al denken sommigen dat van mij.’ Hij is wel bereid om toe te lichten waarom Nederland ook volgens hem voormalige vijanden en vroegere tegenstanders de hand moet reiken. ‘De ministerraad heeft uitgebreid over de viering van de “vijftigste mei” gepraat. Dat is ruim van tevoren in het kabinet gebracht. De minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken hebben daarbij speciaal de nadruk gelegd op onze relatie met Duitsland. Hans van Mierlo hecht zeer aan de relatie met Duitsland. Dat past in zijn buurstatenbeleid. Ik vind dat ook belangrijk. Wim Kok ook. Daar zit geen licht tussen. Er zijn ook wel ministers die er anders naar kijken. De minister van VWS heeft gewezen op de gevoelens bij het voormalig verzet. Dat is ook logisch.’

Pronk kan er begrip voor opbrengen dat er binnen het kabinet en het Comité 4 en 5 mei over een andere opzet van de meidagen wordt gepraat. Over de invoering van een algemene mensenrechtendag, die de plaats moet innemen van de bevrijdingsdag bijvoorbeeld. ‘Het is nu natuurlijk wel vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog. Er vindt nu een generatiewisseling plaats. De intensiteit, waarmee 4 en 5 mei worden beleefd, neemt af. Na dit jaar zal elke volgende herdenking een andere lading hebben. Het zal niet meer alleen om 1940-1945 kunnen gaan. Als we de meidagen nu geen nieuw karakter geven, wordt het over tien jaar echt moeilijk om ze in stand te houden. Dan zal de herdenking zichzelf marginaliseren. Ik ben nog net voor de oorlog geboren. Ik heb de hongerwinter nog meegemaakt. Ik ga elk jaar, als het even kan, naar de Waalsdorpervlakte. Dat zal ik ook nog heel lang blijven doen. Maar als je na de oorlog bent geboren, kan ik me voorstellen dat je denkt: dit is toch meer iets voor de vorige generatie. Als het alleen maar stoelt op de ervaringen van toen zonder dat de lijnen naar nu worden doorgetrokken, zal het letterlijk uitsterven. We kunnen dat alleen keren door het accent meer op Joegoslavië, Cambodja, Rwanda te leggen. Ik vind het ook iets hypocriets hebben om voortdurend Nie wieder te roepen als je ondertussen wel toestaat dat ze elkaar in Rwanda de hersens inslaan. De holocaust wás niet uniek. Het lijkt op elkaar. Er wordt nog steeds genocide gepleegd.’ Somber: ‘Ik herken in de jaren negentig heel veel van de jaren dertig.’

Voor de achtste mei, dit jaar voor het eerst bij wijze van experiment door het kabinet geïntroduceerd, ziet hij geen grote toekomst weggelegd. ‘Ik weet niet of alle landen hun doden op dezelfde dag moeten herdenken. 8 mei leeft niet in Nederland. Dat leeft elders. In Duitsland. Ik vind het raar om na vijftig jaar 8 mei opeens uit te roepen tot het moment van bezinning. Zo homogeen is Europa nog lang niet.’

Pronk heeft een radicaal standpunt als het om de aanwezigheid van Duitsers bij 4 en 5 mei gaat. Hij is daar zonder omwegen vóór. Ook bij de kranslegging op de Dam zijn ze wat hem betreft welkom. ‘Ik kan me voorstellen dat je daar een gezamenlijke herdenking van maakt. Ik vind dat dat na vijftig jaar moet kunnen. Natuurlijk zijn er mensen bang dat de Duitsers dan de verkeerde woorden kiezen. Maar dat hoeft absoluut niet het geval te zijn. Ik heb Willy Brandt gekend. Gustav Heinemann. Ik heb Richard von Weizsäcker meegemaakt. Die wisten wat ze bij zulke gelegenheden moesten zeggen. Ik zou er niet tegen zijn als de vierde mei zich tot een moment van gezamenlijke bezinning ontwikkelt.’

Het is waar: er zijn hier nog geen asielzoekerscentra in vlammen opgegaan. Maar Duitsland heeft wel veel meer allochtonen opgenomen dan wij.

Kan de PvdA-politicus zich niet voorstellen dat veel Nederlanders de oosterburen nog steeds als te luidruchtig en te dominant beschouwen? Om over hun xenofobie tegenover immigranten nog maar te zwijgen?

Wegwerpend gebaar: ‘Dat vind ik domme praat. Dat vind ik een infantiele reactie. Ik was het in 1993 ook volstrekt oneens met die Wij zijn woedend-actie. Vanuit Nederland werd veel te veel gedaan alsof wij wel schone handen hebben. Alsof wij de asielzoekers wel goed behandelen. Het is waar: er zijn hier nog geen asielzoekerscentra in vlammen opgegaan. Maar Duitsland heeft wel veel meer allochtonen opgenomen dan wij. Dan vind ik het goedkoop om te roepen: we zijn woedend op de Duitsers. We moeten zulke domme beelden bestrijden.’

Pronk bepleit als minister van Ontwikkelingssamenwerking vooral ook een verzoeningspolitiek tegenover Indonesië. ‘Het is van mij bekend dat ik er voorstander van was dat de koningin op 17 augustus, de Indonesische onafhankelijkheidsdag, naar Jakarta was gegaan. Ook daar is in de ministerraad uitgebreid over gediscussieerd. Anderen waren het niet met me eens. Het zij zo. Maar ik had dat beter gevonden. In elk geval gaat ze dit jaar. De Indonesiërs stellen dat bijzonder op prijs. Het wordt een symbolisch bezoek. We sluiten daarmee een periode in onze geschiedenis af.’ Hij koestert wel enig wantrouwen tegen het enthousiasme waarmee de reis van de koningin naar de oost door de bankwereld en het bedrijfsleven is begroet. ‘Hun gaat het om handel, niet om échte verzoening. Niet alle voorstanders van die reis worden door een idealistisch visioen geïnspireerd.’

We komen nog even terug op de meidagen. Pronk: ‘Voor mij hadden de Duitsers al dit jaar bij 4 en 5 mei mogen worden uitgenodigd. Het kabinet heeft uiteindelijk besloten dat dat te gevoelig lag bij het voormalig verzet. Daarom is 8 mei als compromis uit de bus gekomen. Maar ik hoop dat dat vanaf de “eenenvijftigste mei” anders zal worden.’

Het opmerkelijkst aan dit jubileumjaar is de rol van de koningin. Ze was overal. Ze sprak waar ze kon. Was dat niet een beetje te veel van het goede? Nee, vindt Jan Pronk. Als een echte fan: ‘Ik ben een groot bewonderaar van Hare Majesteit. Ik vind haar wijze woorden spreken. Ze is grensverleggend bezig. Ze is het geestelijke en intellectuele landschap van Nederland aan het omploegen. Ze slaagt er ook in een maatschappelijk draagvlak voor haar opvattingen te creëren. De koningin spreidt écht leiderschap tentoon. Verstandig en wijs leiderschap. Zoals Willy Brandt en Nelson Mandela hebben gedaan. Daarmee stel ik haar op één lijn.’