Het begrip ‘modern’ is wel verworden tot een nietszeggende aanduiding van alles wat niet van donker eikenhout is gemaakt, maar wie bereid is terug te keren naar de bron weet dat ‘modern’ staat voor helder, strak en fris. Dat komt door de kleuren rood, geel, blauw en wit die hoorden bij de De Stijl, de stroming in de schilderkunst, de vormgeving en de architectuur, die van 1917 tot 1931 in alle poriën van de kunstwereld wist door te dringen. Modern werd alles wat fris en niet meer figuratief was.
Een van de oprichters en door de jaren heen de belangrijkste redacteur van het maandelijkse tijdschrift De Stijl, Theo van Doesburg (1883-1931), bevond zich rond het jaar van de oprichting 1917 in een overgangsfase van figuratief naar abstract. Dat is goed te zien aan het schilderij De kaartspelers waarop de figuren nog niet volledig verdwenen zijn in de abstractie. In die tijd was Van Doesburg bevriend met de uit Hongarije afkomstige Vilmos Huszár. Die kreeg, net als Van Doesburg, via de architect J.J. Oud opdracht tot het maken van glas-in-loodramen voor een aantal particuliere huizen. Huszár had daar al ervaring mee, voor Van Doesburg was het werken in glas-in-lood nieuw.
Naar een voorbeeld van Huszár maakte Van Doesburg als eerste voor zichzelf een portret in glas-in-lood van zijn geliefde Lena Milius, getiteld Vrouwenkop. Het wordt beschouwd als een doorbraak in zijn werk, van figuratief naar modern/abstract. Van Doesburg was zelf ook onder de indruk van zijn in groen, wit, blauw en zwart uitgevoerde bijna abstracte raam. In een brief riep hij: ‘Ik heb een portret van Helena in gekleurd glas ontworpen! Het stelt alle middeleeuwse meesterwerken volledig in de schaduw! Nog uren later sidderde ik van emotie en zelfs nu stromen de tranen over mijn wangen als ik de studie bekijk. Het is het allermooiste wat ooit in gekleurd glas gemaakt is.’
Dat het een subliem klein raam (39 x 26 cm) is, en dat hij een jaar later nog zo iets subliems maakt met een glas-in-loodcompositie voor Villa Allegonda in Katwijk aan Zee, valt moeilijk te ontkennen. Maar wat te denken van die groteske borstklopperij? Wat jammer dat hij het niet kon laten bij een intense tevredenheid, maar zijn triomf ter meerdere glorie van zichzelf moest uitventen – een handelswijze die maar al te vaak als een refrein terugkeert in de biografie van Van Doesburg door Sjoerd van Faassen en Hans Renders.

vervuld van zichzelf
Er is enorm veel geschreven over De Stijl, over de principes, de ideeën, de esthetiek, de cultuurfilosofie en de utopische vergezichten. De naar schatting twintig kunstenaars en architecten die er tussen 1917 en 1931 meer of minder bij betrokken waren zijn niet onbesproken gebleven, van Piet Mondriaan, Vilmos Huszár, J.J. Oud, Gerrit Rietveld, Antony Kok, Bart van der Leck, Cornelis van Eesteren tot Piet Zwart. Het sluitstuk daarvan is de biografie van Theo van Doesburg, de man die bij herhaling heeft gezegd dat hij er met De Stijl ‘helemaal alleen voor stond’, maar dat eigenlijk wel goed vond, dan had hij het ook voor het zeggen, en dat wilde hij. Zo schreef hij aan de architect Oud: ‘De medewerkers van De Stijl blijven vrij te doen en laten wat ze willen. Het medewerken aan De Stijl brengt geen andere verplichting mee, dan die van eenvormigheid in denken en werken.’
Van Doesburg haalde alles als een magneet naar zich toe, betrok alles op zichzelf. Het draaide om wat híj dacht en deed.
De biografie vertelt het verbazingwekkende artistieke en existentiële verhaal van een man die vervuld was van zichzelf en van zijn ideeën over schilderkunst, architectuur, literatuur en de nieuwe mens. Van Doesburg haalde alles als een magneet naar zich toe, betrok alles op zichzelf. Het draaide om wat híj dacht en deed. Wat er in hem omging hield hij niet bepaald voor zichzelf: hij rammelde het ene plan, artikel, overzicht of manifest na het andere uit zijn schrijfmachine, bedacht tijdschriften, tentoonstellingen, congressen en debatten waar hij bij voorkeur zelf de eerste viool kon spelen. Hij had contacten in heel Europa, in Parijs, Barcelona, Rome, Weimar, Brussel en Berlijn en correspondeerde er op los in het Duits, Frans of Engels. Hij lonkte naar succes in Amerika.
De biografie van Van Faassen en Renders is ook een biografie over een chronische verhuizer. Waar heeft Van Doesburg niet gewoond? Die verhuizingen overwoekeren de biografie. Ze gaan gelijk op met de ontelbare door hem ontplooide activiteiten. Het is een biografie over een grenzeloos en woest leven, minder over de inhoud van zijn artistieke erfenis. Het gaat over zijn dagelijks leven, zijn gangen, zijn reizen, zijn verblijven, zijn contacten, zijn (vaak illusoire) plannen, zijn geliefden. Zelden wordt grondig ingegaan op wat hij nu eigenlijk beweert over de moderne schilderkunst en de nieuwe architectuur, terwijl hij daar zoveel over schrijft in een reeks van bladen als, afgezien van De Stijl, de Eenheid, The Little Review, De Beweging, Merz, Binnenhuis, Bouwkundig Weekblad, Het Bouwbedrijf, De Bouwwereld, Het Getij, De Nieuwe Amsterdammer, La Revue de Feu. Alles over en rondom het tijdschrift De Stijl komt ter sprake, maar nauwelijks de inhoud van de maandelijkse nummers, wie er wat in schreef.

op zijn stijls
Van Faassen en Renders hebben er niet voor gekozen om bepaalde cruciale thema’s die in de kunst van de jaren twintig en daarna het verschil hebben gemaakt, naar voren te halen en uit te lichten. Zoals Van Doesburgs gevoelige introductie van de diagonaal in de abstracte schilderkunst. Mondriaan was daar mordicus tegen, die wilde het houden bij verticalen en horizontalen. Van Doesburg wilde met de diagonaal meer leven brengen in de geometrische schilderijen. Het lukte hem in zijn eigen meesterlijke herinrichting van de Aubette, de feestzaal in Straatsburg (1927).
Een ander idee dat steeds alleen maar terloops langskomt: dat de architectuur volgens Van Doesburg onderschikt moest zijn aan de schilderkunst en het werken met kleur. Er moest gebouwd worden met kleurvlakken (wit, geel, rood, blauw), daar moest het ontwerp van een huis op gebaseerd zijn, zoals Rietveld liet zien met het Rietveld/Schröderhuis. Van Doesburg bracht het zelf ook in de praktijk in 1923 samen met Cornelis van Eesteren: in hun geslaagde Maison Particulière, waarvan de maquette zich in het Kunstmuseum Den Haag bevindt. Het is een huis als een villa van Palladio, maar dan op zijn Stijls. Van Doesburg maakte er ook schitterende ‘axonometrieën’ van, tekeningen waarop het gebouw van verschillende kanten van bovenaf wordt gezien.
goed in ruzie
Van Doesburg was goed in het maken van ruzie. Wanneer hij vergat dat hij in de gaten moest houden of men hem wel voldoende waardeerde, of hij niet achtergesteld werd, niet vergeten werd, had Van Doesburg zijn geniale momenten. Maar hij had het te druk met haten. Hij had de pest aan de architect Berlage, had een hekel aan het tijdschrift Wendingen (dat vertegenwoordigde de achterhaalde baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School), was tegen het futurisme, tegen het surrealisme, vond Holland een kneuterland, zag in iedereen een concurrent. Zijn ideeën werden gestolen, Bauhaus was maar een zweverige overschatte school, vrouwen zorgden voor niets oorspronkelijks in de kunsten, het is altijd afgeleid van iets anders. De vermaarde Internationale Revue i10 van Arthur Lehning, die in 1927 ging verschijnen, bevatte alleen maar stukken de hij in de prullenmand had gegooid.
Van Doesburg dacht aan de gerenommeerde hogeschool Bauhaus aan het werk te kunnen als leraar en verwachtte met louter applaus te worden ontvangen. Dat was iets te hoog gegrepen.
Uit angst over het hoofd te worden gezien drong Van Doesburg zijn opvattingen en ideeën zo op dat men bij de gerenommeerde hogeschool Bauhaus in Weimar genoeg van hem kreeg. Hij dacht daar aan het werk te kunnen als leraar en verwachtte met louter applaus te worden ontvangen. Dat was iets te hoog gegrepen, ook al waren er genoeg studenten die hem ‘ein sonderbarer herr’ vonden, zoals Sophie Arp het omschreef. Na het debacle met Bauhaus schreef zijn geliefde Lena hem dat Walter Gropius, de directeur van Bauhaus, gelijk heeft als hij zegt, ‘dat jouw manier om de mensen aan te pakken soms hoogst onaangenaam is en daardoor zien ze het goede in je werk en je Bestrebungen voorbij. Kun je niet een beetje ‘beminnelijk’ zijn?’
wandelende paradox
Van Faassen en Renders geven geen voorbeelden van de stijl waarin Van Doesburg schreef in niet per se kunstzinnige bladen als De Bouwwereld of Het Bouwkundig Weekblad. Dat moet minder hoogdravend zijn geweest dan de taal waarin zijn Manifesten waren gesteld. Zoals het in 1927 in De Stijl gepubliceerde opgewonden Manifest over ‘elementarisme’. Bij het elementarisme hoort een andere ‘realiteitsbeleving’ waarin alle franje, elk décor, elk ornament wordt afgezworen. Alles tot het elementaire teruggebracht. De verticalen en horizontalen in het werk van Mondriaan vult hij daarin nog eens aan met zijn pleidooi voor de diagonaal, voor schuine lijnen en hellende vlakken. Het statische wordt dan doorbroken door dynamiek.
Het elementarisme wil individueel en collectief het ‘levensbesef vernieuwen’, met verzet en révolte. Dat eist ‘heroïsche spontaniteit’ en een nieuw optimistisch levensbesef. Een elementarist is een ‘geestelijke rebel, een onruststoker, die ten koste van eigen rust, de rust van de regelmaat en de herhaling van het burgerlijk leven moedwillig verstoort.’ ‘Het elementarisme predikt de totale vernietiging van het traditionele absolutisme.’ ‘Strenge’ tegenstellingen als ‘man en vrouw, mens en god, goed kwaad’ noemt hij ‘nonsens’. Het is deze van Doesburg die in de biografie niet erg uit de verf komt. Er wordt vaker gezegd dat hij hoogdravende en profetische allures had, maar minder getoond.
Er wordt van Van Doesburg gezegd dat hij een wandelende paradox was. Hij was een individualist die met het individualisme in de kunst brak. Er moest ‘universeel’ gedacht worden. Hij sloot zich aan bij dadaïsten als Kurt Schwitters en Tristan Tzara en ging op dadaïstische veldtocht door Nederland, maar hing ondertussen zijn rationalistische kunst- en architectuuropvatting aan. Van Faassen en Renders hebben als biografen geen enkele moment de aanvechting gevoeld Van Doesburg te verdedigen wanneer zijn haantjesgedrag, eerzucht en roemzucht weer eens te dol werden. Ze lopen niet over van sympathie voor Van Doesburg, maar weten een goed evenwicht te bereiken door in hem wel degelijk de man te zien die bepalend is geweest voor De Stijl.
De biografie heeft iets uitputtends door de veelheid aan activiteiten die al of niet terloops ter sprake komen. De chronologie van het leven wordt nog wel eens verwarrend doorbroken door het al te hebben over gebeurtenissen van later datum. Ik sta helemaal alleen laat zien hoe uit energie, ruzies, geprikkeldheden, vriendschappen, ijdelheden, kunstzin, conflicten, humeuren en geniale flitsen uiteindelijk iets moois en blijvends tevoorschijn komt.
Ik sta helemaal alleen. Theo van Doesburg 1883-1931 door Sjoerd van Faassen en Hans Renders is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.