De Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran vond dat uit het werk van Albert Camus een ‘schoolmeesterscultuur’ sprak. Om het effect van die opmerking te kunnen beoordelen moet je weten wat dat is. In een hedendaagse context zou je het kunnen vergelijken met de neiging van een bepaald soort mannen om vrouwen als een schoolmeester uit te leggen hoe iets zit, wat men ook wel ‘mansplaining’ is gaan noemen. De man heeft dan het gevoel dat hij een hele prestatie heeft geleverd. Camus zou met Sisyphus de brave hardnekkigheid hebben geïllustreerd waarmee mensen geloven dat er nog iets van het leven te maken is, als je je maar niet laat kisten en het rotsblok elke keer maar weer naar boven probeert te krijgen. Dat is een van de vele illusies waar mensen zich volgens de luchtig cynische Cioran mee tooien.

Die opdringerige hulpverlenersfilosofie van Camus vond Cioran ‘mediocre’, tweederangs. Nadat hij een manuscript van Cioran gelezen had zei Camus hem dat hij moest proberen zijn ideeën onderdeel te laten worden van ‘la circulation des idées’. ‘Alsof ik een provinciale debutant was!’, reageerde Cioran beledigd. Dat zijn ideeën gewoon een onderdeel zouden zijn van de filosofie, daar stond Cioran boven. Daar onttrok zijn werk zich aan. Hij moest er ook niet aan denken dat zijn boeken net zulke bestsellers zouden zijn als die van Camus (‘die haalde oplagen van tweehonderdduizend met L’Homme révolté’).

Vandaar dat Peter Sloterdijk in zijn inleiding voor de Nederlandse vertaling van Ciorans laatste boek Bekentenissen & banvloeken (1987) iets moest verzinnen om om te gaan met deze absurde, maar ook wel begrijpelijke hoogmoed van Cioran. Hij maakt van Cioran een buitencategorie in de filosofie. Het existentialisme (zoals dat van Camus), de kritische theorie (zoals die van Adorno) en het poststructuralisme (zoals van Derrida) behoren tot de te imiteren filosofie: die kun je je na veel studie en hoofdbrekens eigen maken. Maar Cioran, die noemt Sloterdijk ‘onnavolgbaar’ en ‘idiosyncratisch’, die wist navolgers op de drempel van een poging al te ontmoedigen. Men kan nog zo pessimistisch, melancholisch, vertwijfeld, sceptisch, neurotisch en radicaal willen zijn als Cioran, het blijft imitatie.

Cioran heeft van zichzelf een ‘volmaakt idiosyncratische balling’ gemaakt, misplaatst rondlopend in de echte wereld.

wraak!

In Bekentenissen & banvloeken gaat Cioran in de vorm van korte of langere aforismen voort met alles in negatief licht te zien. Cioran heeft last of is behept met luciditeit. Normaal is dat een helderheid van geest met het vermogen om iets snel te doorzien. Bij Cioran leidt dat niet tot inzicht of begrip, maar tot een soort afbraak van de werkelijkheid: alles van (eventuele) waarde verschrompelt voor zijn neus. Mocht hij op een bepaald moment iets willen, dan ontneemt hij aan dat willen de glans door (desnoods) in de vorm van een cliché te verklaren dat ‘ieder leven een verhaal is van een teloorgang’. De aardigheid van dat willen is er al af voor het is begonnen.

Naar aanleiding van Geboren zijn is ongemak, het eerste boek van Cioran dat in 1984 in vertaling verscheen, schreef Jaap Goedegebuure in de Haagse Post dat Cioran, ondanks alle bitterheden die hij over het bestaan uitstortte, een fel bestrijder was van iedere vorm van berusting. Ondanks die onvermijdelijke teloorgang moesten we het leven bij gebrek aan beter maar aanvaarden, ’zijn verwoede levensontkenning ten spijt’. ‘Tegendraads vitalisme’ noemde Goedegebuure dat.

Wanneer Cioran oproept tot wraak, dan moet dat wel gebeuren in de taal van de literatuur, in de noten van de muziek, in de expressie van welke kunstvorm dan ook.

Cioran is na al die jaren in Bekentenissen & banvloeken zeker milder geworden en heeft concessies gedaan zodat hij het leven minder onleefbaar vindt, maar denken blijft voor hem ‘zich wreken’. ‘Wreken’, daar staat die vitaliteit voor. ‘Wreken’ noemt hij ‘de heftigste en diepste behoefte’. Cioran zegt het er niet bij, maar we moeten dat wreken wel ‘als bij wijze van spreken’ opvatten, aangezien we ons Cioran nog niet met het gereedschap van de wraak (knots, pistool of karwats) voor ons zien. ‘Wraak’ is hier een middel om lucht te geven aan al het ongenoegen en onbehagen dat het leven veroorzaakt. ‘Wraak’ is hier puur literatuur. Cioran heeft niets anders dan de taal. Wanneer hij schrijft dat ‘wij [in haat] moeten kunnen uitbarsten’, dan moet dat wel gebeuren in de taal van de literatuur, in de noten van de muziek, in de vormen van de sculpturen, in de expressie van welke kunstvorm dan ook.

‘Wraak’ is hoe dan ook een groot woord en een precair middel. Het kan zich in de werkelijkheid makkelijk vermengen met rancune, wraak kan wrok worden, en dan bevinden we ons in het domein van de onredelijke haat en vergelding. Grote, met bluf gebruikte woorden, worden (ook door Cioran) met een zekere wellust gebruikt voor het effect, maar hebben de neiging te transformeren in echte handelingen, reëel te worden en, inderdaad, te gaan ‘uitbarsten’.

verstikkende waarheden

Wie zoals Cioran zo consequent radicaal filosofeert in ‘verstikkende waarheden’ over het leven (‘de mens is niet tevreden mens te zijn’), drijft de lezer in de hoek. Lezers van Cioran zouden geen kant meer op kunnen als er niet een moment zou komen waarop ze zijn verstikkende waarheden gaan zien als groteske overdrijvingen die moeten worden opgevat als exempels van hoe erg het kan zijn, maar nog niet is. Zoveel ellendige inzichten werken geneeskrachtig, therapeutisch: de werkelijkheid is nog niet zo erg, ik leef nog.

Cioran zoekt regelmatig zelf aan die verstikkende waarheden te ontkomen door oefeningen in ‘onthechting’ te doen, door in de ‘charmante’ mystiek van Meister Eckhart te lezen of een verdwaalde zin van de Boeddha (‘alles is vergankelijk’) te prevelen. Of hij probeert stoïcijns ‘onverstoorbaarheid’ na te streven. Wraak gecombineerd met onthechting en mystiek, dat gaat aardig in de richting van een contradictie.

Jammer dat Cioran nog steeds denkt dat het nodig is dat mensen weet hebben van de erfzonde (‘Ik heb weinig op met eenieder die het zonder de erfzonde kan stellen’). Bij Cioran betekent dit dat we ons bewust moeten zijn van de volstrekte linkshandigheid, onafheid, zwakte, morele inferioriteit en illusionistische neigingen van mensen. Waarom dat ‘erfzonde’ moet heten is mij niet duidelijk, wellicht omdat Cioran graag wereldhistorisch terug-naar-de-bron denkt, naar de boom van goed en kwaad, waar het mis zou zijn gegaan.

De druk van de erfzonde vormt een contrast met de ‘levenshonger’ waar Cioran zich ondertussen aan vastklampt als iets dat hem nog ‘aan de dingen bindt’. ‘Levenshonger’ is typerend voor Cioran omdat het weer zo’n biologische noodzaak is waar hij zich wel vaker op beroept. Hij staat zelf buiten die honger, die zit gewoon biologisch in hem, daar is hij zelf niet verantwoordelijk voor. Al denk ik wel dat hij blij is dat die honger, waar hij dus zelf niet schuldig aan is, bestaat. Hij hoeft niet te verantwoorden dat hij, ondanks alle ontnuchteringen waarvoor zijn boeken zorgen, toch gretig leeft. Hij leeft als een hongerige, en wast zijn handen in onschuld.

Bekentenissen & banvloeken door Emil Cioran is, met een inleiding van Peter Sloterdijk, vertaald door Peter Huijzer & Jan Sietsma en uitgegeven door Noordboek Filosofie.