De schrijfster Willy Corsari, ‘de Hollandsche Agatha Christie’, maakte van haar hart geen moordkuil toen ze in 1932 de roman Het taaie ongerief van Theo Thijssen besprak in het tijdschrift De Hollandsche Revue. Ook als het boek drastisch bekort zou worden (‘waarbij het slechts kan winnen’) zou ze er geen sympathie voor kunnen opbrengen. Dat het een burgerlijk milieu beschrijft is het ergste niet voor Corsari, wat haar afstoot is de mentaliteit van de auteur zelf ‘die nog het burgerlijkst van alles is’.
In zijn jeugd schaamt de hoofdpersoon zich al voor de verkeerde kleren die hij moet dragen, maar als volwassene raakt hij helemaal in de knoop met zichzelf over de broeken, hoeden en hemden die hij aan moet. Hij kan zich financieel niets beters veroorloven en schaamt zich dood. Daardoor hoort hij er steeds ‘net niet bij’. Corsari: hoe weinig verheft Thijssen ‘zich boven de kleinburgerlijke, benepen angst-voor-wat-de-mensen-zeggen, die het leven van ál zijn figuren tot een bekrompen helletje maken?’
Het zou wel gek zijn als Willy Corsari gelijk zou hebben met Theo Thijssen, de man die bijna zijn hele leven wekelijks anti-burgerlijke en satirische stukken en stukjes schreef in kranten en in tijdschriften, bedoeld voor de wereld van het onderwijs. Toen Thijssen rond 1900 in het onderwijs actief werd viel dat samen met de opkomst van de ‘jongeren’ die zich voor het eerst organiseerden zonder volwassenen. De vorming van ‘hoofd, hand en hart’ van die jongeren had niets burgerlijks in handen van de vrijzinnige Thijssen. Hij kon behoorlijk kritisch en sarcastisch uit de hoek komen, zoals over de burgerlijke ‘opvoederige edele mens’: ‘Die edele mens heeft om zich heen een kliek van edele mensen verzameld, die omkomen van ethica. Voor de kinderen van die edele mensen schrijft de edele mens een ethica van vertellingen. Dat worden dan “goede” kinderboeken.’
Thijssen was allergisch voor ‘papieren pedagogiek’ en voor ‘bovenmeesters’, de hoofden der school die niets anders omhanden hadden dan de hele dag de klassenonderwijzers controleren of zij wel volgens het boekje te werk gingen.
Maar helemaal uit de lucht gegrepen was dat burgerlijke van Corsari ook weer niet. Thijssen wist nauwkeurig welke mensen waar in Amsterdam woonden, in welke wijken de rijken, waar de leraren, waar de brandweermannen, waar de echt armen, waar de betere winkels en de sappelende neringen. Ook het gebruik van bepaalde woorden in bepaalde milieus ontging hem niet. Hij was zich scherp bewust waar hij vandaan kwam: uit de Jordaan als zoon van een schoenmaker. Dus van iemand die een serieus vak geleerd had, geen ongeschoolde arbeider. Het contact met mensen uit een ander milieu verliep niet zonder zenuwen en standsbesef.
‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, ben ik in Peter-Paul de Baars degelijke biografie van Theo Thijssen niet tegengekomen, maar dat had heel goed gekund. Thijssen moest op het burgerlijke af niet veel hebben van ‘moderne zotheden’, zoals naar het abstracte neigende nieuwe ‘methodieken’ in het onderwijs. Thijssen was een grote nuchtere geharnaste figuur van 1,92 meter die zich op een hardhandige manier sarcastisch vrolijk kon maken. Zoals over de omhoog strevende en laag kruipende Barend Wels, de beginnende onderwijzer van zijn gelijknamige eerste roman (1908). Op ‘pedagogisch-critisch gebied’ noemde Israël Querido hem ‘een hoogst gezellig knauwer van reputatietjes en wegblazer van literaire schijn-distinctie’. Daarnaast bevond zich dan de sensitieve man van de bevrijdende fantasie van Kees de jongen, zijn ‘zielstudie van een jongen’, zoals hij het zelf noemde.
betweterige beeldenstormer
Thijssen ontwikkelde in de loop van zijn leven een keur van interessante eigenschappen. De Baar noemt hem een ‘provocateur’ en een ‘betweterige beeldenstormer’ wanneer hij als kweekschoolleerling in Haarlem het schoolblad Baknieuws onveilig maakte met stukken tegen zeurderige schrijvers van moralistische kinderboeken. Die moesten niet uitgelachen maar ‘doodgelachen’ worden, tot ze ‘barsten van ergernis’. Hij had feilloos door wanneer pedagogen met een wolk van woorden ‘nieuw’ wilde doen. Dat kwam al snel neer op ‘mooidoenerij, opvoederij en dergelijk kruidenierswerk’.
Thijssen was Multatuliaans allergisch voor ‘papieren pedagogiek’ en voor ‘bovenmeesters’, de hoofden der school die niets anders omhanden hadden dan de hele dag de klassenonderwijzers controleren of zij wel volgens het boekje te werk gingen. Thijssen was voor de zelfstandige leerkracht die op zijn eigen verstand en inzicht vertrouwde en zodoende een band met de klas ontwikkelde. Hij was een voorstander van het geïndividualiseerde leren en van het ‘zelfdenkend wezen’ dat daaruit voort kon komen.
Als lid van het bestuur van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers en als intensief schrijver in het bondsblad streed Thijssen zijn leven lang tegen de ‘Instructie’ voor het onderwijzend personeel die het ministerie van Onderwijs had uitgevaardigd. Dat was Thijssens zaak-Lebak, zou je kunnen zeggen, zo principieel was het. In die ‘Instructie’ werd de wettelijke machtspositie van de schoolhoofden tot in de pietluttigheden uitgewerkt. De onderwijzer kon niets naar eigen inzicht doen, moest alles vooraf ‘overleggen’ met de Hoofd. Ze mochten bijvoorbeeld geen rechtstreeks contact zoeken met de ouders. Dit soort ‘Instructies’ heeft ervoor gezorgd dat de onderwijzer een ‘schoolmeester’ kon worden, een brave, gezagsgetrouwe, zich aan de letter houdende sul die elk moment van de dag bezoek in de klas kon verwachten van de controlerende Bovenmeester. Er werd dan ook vele jaren krachtig tegen geprotesteerd.
Onderwijstechnisch had Thijssen een opmerkelijke hekel aan huiswerk. Het is een van de ‘twéé kerels’ waar hij een ‘gloeiende haat’ tegen koesterde en die hij ‘met genoegen eigenhandig zou ophangen’: ‘de ene is de uitvinder van de herenboord met bijbehorende knoopjes, en de ander is de uitvinder van het kinderhuiswerk’. Is het al niet erg genoeg ‘dat de school beslag legt op al je mooie jongensdagen – neemt het ook nog eens de vrije uren, die je eerlijk toekomen’. Dit maakt begrijpelijk dat Thijssen in zijn boek met herinneringen aan zijn jeugd In de avond van het leven 24 pagina’s besteedt aan het uitleggen van de kinderspelletjes die hij in zijn jeugd speelde.
doen, doen, doen
De onderwijspolitiek en later het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor de sociaal-democraten, neemt heel wat van Thijssens tijd in beslag. De Baar doet daar onbekrompen verslag van, tot in de finesses van het bondswerk, redactiewerk, vergaderingen en congressen in binnen- en buitenland die Thijssen bezocht. Thijssen had de tegenwoordigheid van geest om daar geen al te dorre boel van te maken en dat is ook bevorderlijk voor de leesbaarheid van de biografie. Never a dull moment. Thijssen redigeerde zowel het bondsblad De Bode als De Nieuwe School, het eigen tijdschrift dat hij met zijn kompaan en ‘allesweter’ Piet Bol had. Toen naar aanleiding van de geboorte van prinses Juliana in 1909 de scholen de instructie kregen ‘loyaal’ deel te nemen aan massale zanghuldes, viel die verplichting verkeerd en maakten Thijssen en Bol een Speciaal Loyalitisch Nummer met quasi-patriottische gedichten en een parodistisch vraag-en antwoordrubriek.
Thijssen was afkerig van sentimentaliteit (‘voelen, veel voelen’), revolutieretoriek, communisme, antisemitisme en carrièrisme.
Thijssen zorgde ervoor dat ook zijn literaire aanvechtingen een uitweg vonden. Al kon dat soms heel wat tijd in beslag nemen, zoals met Kees de jongen, waarvan de eerste aanzetten al in 1905 werden geschreven, verschillende keren werd hernomen, maar pas in 1923 in boekvorm verscheen met illustraties van Jan Sluyters. Tussen alles door bemoeide Thijssen zich met de rechten van vrouwen, met de Spelling, de vraag of die van Marchant of die van Kollewijn gebruikt moest worden. Hij en de Bond van Onderwijzers kregen te maken met bezuinigingen op het onderwijs, wat inhield dat het aantal kinderen in de klas van 42 naar 48 ging. Hij moest met de Bond voorkomen dat het neutrale, niet-godsdienstige Openbaar Onderwijs door de regering tot een zuil werd gebombardeerd, want dan was het slechts één van de soorten onderwijs, terwijl het Openbaar Onderwijs het belangrijkste was.
Dit alles in combinatie met het schrijven van romans als Kees de jongen, De gelukkige klas, Het grijze kind, Barend Wels en zijn polemische en provocatieve instelling, maken van Theo Thijssen een kleine Multatuli, een kleurrijk vrijzinnig karakter dat ook zijn grenzen had. Hij was afkerig van sentimentaliteit (‘voelen, veel voelen’), revolutieretoriek, communisme, antisemitisme en carrièrisme. Hiervoor, en ook niet voor geheelonthouders, spiritisten, Rein Leven of iets anders mensenredderigs, moest je volgens Peter-Paul de Baar ‘niet bij Thijssen zijn’. Wél voor ‘het grote didaktische gebod’: kinderen zelfstandig dingen laten ‘doen, doen, doen’.
Theo Thijssen (1879-1943). Schrijver, schoolmeester, socialist door Peter-Paul de Baar is uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.