Vóór het jaar 1955 bestond Renate Rubinstein ook al. Het is dat haar biograaf to be Hans Goedkoop inmiddels een paar fragmenten uit die vroege tijd heeft gepubliceerd, anders zou je denken dat Renate Rubinstein in 1955 met een parachute in Amsterdam was gedropt. 1955 was het jaar dat ze redacteur van het studentenweekblad Propria Cures werd en daarna bekend werd als columniste voor Vrij Nederland. Van vóór 1955 was nog nauwelijks iets in boekvorm over haar bekend. In een paar columns, zoals ‘Heimwee’ in Niets te verliezen en toch bang, en het verhaal ‘Niet de woorden maar de stem’, weten we iets over haar vader en moeder, broer en zus, maar dat was mager, al wisten we daardoor wel dat ze veel van haar vader hield en een moeizame verhouding had met haar moeder.
Foto’s van het gezin kenden we niet. Het is dan ook een verrassing ze aan te treffen in Vaderskind, het boek dat Hans Goedkoop nu heeft geschreven over Renate Rubinstein vanaf haar geboorte in 1929 tot het eind van de oorlog, 1945. We zien nu eindelijk die geliefde vader die door de Duitsers werd opgehaald op 10 juli 1940 en niet meer terugkwam: een ouderwets smal gezicht met een montuurloos brilletje. We zien hem terwijl hij in zwembroek de kleine Renate op zijn schouders heeft, of in hemdsmouwen aan het strand aan het nepboksen is met een andere man. Of in een uniform met een serieuze pet van een hulporganisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Dat Renate Rubinstein in Berlijn is geboren en er heeft gewoond tot 1936 was een vaag bekend feit, maar nu zie je haar daar op heel aardige foto’s als peuter en kleuter, in een lagere schoolklas, spelend op de grond, op schoot bij haar moeder. Daarnaast familiekiekjes aan het strand, in een plezierrijtuig, tijdens een feest. En het geboortekaartje waarop haar vader baby Renate in de armen van haar moeder een kus geeft. Bijna te lief voor Renates doen.
Haar vader was een goed gehumeurde ‘confectionair’ in damesjassen in het duurdere segment en wist in de jaren twintig binnen luttele jaren een eigen modeatelier op te zetten. Hij kon er na verloop van tijd een Mercedes met chauffeur in uniform van op na houden.
Dat luxe modeatelier, dat is eigenlijk niet goed te rijmen met de latere scherpzinnige Renate, je denkt bij haar eerder aan een laboratorium, een advocatenkantoor of de spreekkamer van een fijne huisdokter. Dat modeatelier hoorde bij ‘het Berlijn van dames met een bontje en een hondje’, schrijft Goedkoop. Haar ouders gingen ‘graag’ uit, liepen warm voor een ‘avondje amusement dat je de wereld doet vergeten’. Bijvoorbeeld voor de Komische Opera en voor ‘rozevingerige operettes’ van Franz Léhar.
de kleine renate
Dat vage oude beeld verdwijnt gauw genoeg wanneer de kleine Renate te voorschijn komt. Die wordt door haar kinderjuf een ‘zigeunerinnetje’ genoemd, die is ‘onbedwingbaar’ en die lacht, huilt en danst. Alles is veel en fel bij haar, terwijl ‘alles meteen moet zoals zij het wil’: ‘Ze rent alle trappen op en af en stoort zich aan de slome grote mensen die dan in de weg staan’. De volwassenen willen haar intomen, maar het is haar vader die daar een stokje voor steekt: wanneer volwassenen zeggen dat ze niet zo druk moet doen zegt hij ‘lass sie’, laat haar. ‘Hij vond dat ze mij met rust moesten laten’. Hoe druk ze ook kon zijn, ze is ook een meisje dat ‘uren voor het raam kan zitten wachten tot haar vader thuiskomt’. Haar beschermen, dat is voor Renate wat haar vader doet. Hij waakt over het geluk van het gezin, van ‘ons’, de fotoalbums getuigen ervan: ‘Daar zit Renate in een vlekkeloos wit zomerjurkje op haar vaders schoot, even verlegen als verrukt’.
Er werd tegen de kinderen gezegd: ‘der Vati kommt bald wieder’, maar dat gebeurde niet.
Deze laatste zin laat zien dat Hans Goedkoop Vaderskind op een speciale manier heeft geschreven. Hij heeft afgezien van de ietwat afstandelijke biografentoon, en heeft gekozen voor inleving, voor een empathische manier van omgaan met wat hij uit archieven te weten is gekomen: ‘Daar zit Renate’ is een verhalende manier van vertellen, geen reproductie van biografische feiten. Goedkoop probeert zich te verplaatsen in wat Renate als kind onderging en wist. Dat is niet veel. Van haar vijfde tot haar vijftiende werd haar niets rechtstreeks verteld. Waarom haar vader vanaf 1933 probeerde uit Duitsland weg te komen wist ze niet. ‘Van antisemitisme hadden we nog nooit gehoord (…). We wisten tot de oorlog niet eens dat we joden waren’, schreef ze later. In 1936 lukte die verhuizing naar Nederland (na een intermezzo in Londen), maar dat was aanvankelijk illegaal. Er moest met deviezen gerommeld en geld verstopt worden in te verhuizen meubels. Die financiën waren ook de reden waarom de vader in juli 1940 opgepakt werd, niet meteen omdat hij jood was. Er werd toen tegen de kinderen gezegd: ‘der Vati kommt bald wieder’, maar dat gebeurde niet. Na de oorlog hoorden ze dat hij door ‘uitputting, ziekte of vergassing’ om het leven was gekomen.
Wat Renate als kind ‘wist’ in de tweede helft van de jaren dertig en in de oorlog, wonend aan de rand van Amsterdam-Zuid, terwijl haar vader in de gevangenis aan de Weteringschans zat. Dat houdt Goedkoop danig bezig. Renate herinnerde zich vreemd genoeg weinig. In haar brieven, dagboeken of columns is er nauwelijks iets over te vinden. De immigratie naar Nederland zorgde bij haar niet voor een trauma, of ze had alles succesvol verdrongen. In Nederland was het belangrijkste dat ze van ‘dat Duitse’ afkwamen. Ze werden er zelfs lid van de Hervormde Kerk voor en gingen voor de vorm naar de kerk. En het accent moest eraf. Haar broertje Günter ging gewoon ‘Jan’ heten. De bakker bracht het (tot hun ontroering) meteen in de praktijk: ‘Wat mag het wezen, Jan?’
een soort bedrog
Ongeschreven regel was dat de kinderen Renate, Gerda en Jan niets moesten merken van de immigratie- en financiële perikelen waar hun (niet-joodse) moeder bij afwezigheid van de vader mee te maken kreeg. Het bedrijf dat de vader in Amsterdam was begonnen werd op een dag overgenomen door een ‘Verwalter’ met een NSB-insigne. Toch hebben de kinderen daar niet veel van gemerkt. Na de oorlog bagatelliseerden ze hun oorlogsjaren alle drie: ‘Wat hadden wij nou meegemaakt?’, zei Gerda letterlijk. Daar zat veel in, aangezien de kinderen gewoon naar school gingen, ook al was die school in het geval van Renate, het Vossius Gymnasium, half vol en waren de joodse leraren, onder wie Jacques Presser, ontslagen. Op school was Renate in alles actief, onder meer schrijvend in het schoolblad. En in de AVC, de Anti Vervelings Campagne die onder haar leiding in de vakantie, midden in de oorlog, wandel-en fietstochten organiseerde naar Lage Vuursche, Oud Valkeveen, Spanderswoud, kanoën in Abcoude, met de boot naar Harderwijk.
Getuige de vele noten in Vaderskind heeft Hans Goedkoop hemel en aarde bewogen om betrouwbare gegevens en documenten te achterhalen over het gezin Rubinstein over de jaren 1920-1945. Hij noemt het desondanks ‘een verhaal van open plekken’. Dat valt wel mee. Renate ‘wist’ in die jonge jaren niets van de grote wereld in de jaren dertig en de oorlogsjaren, die speelden zich buiten haar om af, maar ze vermoedde van alles. Er veranderde te veel om haar heen. Het maakte een gemankeerde Cassandra van haar: iemand die zonder hulp langzaam ging vermoeden dat veel niet deugde en niet verteld werd. Dat er een soort bedrog in het spel was. Ze kon het alleen nog niet plaatsen. Wat had het ook voor zin om alles aan kinderen te vertellen, wat konden die ermee?, vraagt Goedkoop zich af, zich verplaatsend in Renates moeder. Goedkoop leeft zich in, daardoor lukt het hem met behulp van de feiten op een prachtige manier dicht in de buurt van Renates leven in die tijd te komen.
Vaderskind. De oorlog van Renate Rubinstein is uitgegeven door Uitgeverij Augustus Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.