Dit essay is het vierde deel* van een serie over slaap. En het gebrek daaraan, want onze nachtrust ondergaat een stille erosie. Daarom onderzoek ik wat ons wakker houdt, en wat dat met ons doet. Wat is slaap eigenlijk? Welke plaats heeft de droom nog in ons leven, en waarom hangt slaap zo sterk met stemming samen? En hoe zou een slaapvriendelijke samenleving eruit zien?
*Lees ook deel 1: Hoe slapen een prestatie werd, deel 2: Goed slapen is een kwestie van geld en deel 3: Slapeloosheid is geen nachtelijk probleem (en heeft een gouden randje).
Vorige maand schreef ik dat het slapeloze brein extreem goed is in opletten: ’s nachts én overdag zijn chronisch slapelozen bovengemiddeld wakker. Als je gelooft in de mantra dat je ‘alles uit je dag moet halen’, klinkt zulke ultra-wakkerheid misschien wel heel aantrekkelijk. Maar behalve ‘opletten’ lijkt de slapeloze nog een ander talent te hebben: somberen. Slechte slaap en slechte stemming horen bij elkaar. ‘Hij heeft niet genoeg geslapen,’ zegt de jonge vader, en houdt het trappelende, vuurspuwende kind op armlengte in de lucht. ‘Met het verkeerde been uit bed gestapt,’ zeggen we over de chagrijnige collega. ‘Slecht geslapen zeker.’
Zelf ken ik het mechanisme van dichtbij, vooral als ik langere tijd onrustig slaap. In periodes van hevige slapeloosheid is alles wat ik zie en denk een beetje grauw. Zoals rokerslongen mettertijd zwart uitslaan, zo lijken ook mijn hersenen vanbinnen met een roetsluier bedekt te raken. Alsof al dat staren naar de omringende duisternis inwendig een stempel drukt en maakt dat ik dag en nacht zwartkijk.
Liever luisteren? Hoofdredacteur Ward Wijndelts leest voor. Abonneer je in Spotify, Apple of Google Podcasts of een andere podcastapp naar keuze om geen enkel voorgelezen verhaal te missen.
Vaak merk ik het verschil pas wanneer ik een paar weken lang wél heb kunnen slapen. Het is een verschil van zomer en winter: niet langer oogt alles kaal, donker, ineengedoken als tegen kou. Niet langer moet ik bij elk voorval direct nagaan wat de slechtst mogelijke uitkomst is, niet langer van ieder mens die ik ontmoet verwachten dat ze me wel niet zullen mogen. Pas na een gebroken nacht of vijf sijpelt het donker weer de dag in.
Deze samenhang tussen slaapproblemen en somberte zie je terug in de statistieken. Depressieve patiënten hebben in de regel óók last van slaapproblemen; driekwart heeft insomnie (de officiële term voor slapeloosheid), een ander deel slaapt juist extreem veel (hypersomnie), en hun slaap is technisch anders opgebouwd dan normaal. Verstoorde slaap is zelfs zo’n belangrijk symptoom dat sommige onderzoekers vinden dat de diagnose ‘depressie’ zonder slaapklachten helemaal niet mag worden gesteld. Maar daar blijft het niet bij. Insomnie is een sterke risicofactor voor suïcide, en slaapproblemen kenmerken alle mentale stoornissen. Er is bijna geen ziektebeeld waarin iemand somber, angstig, verward is of het anderszins mentaal moeilijk heeft, en toch prima slaapt. Het lijkt wel alsof slechte slapers per definitie ook zwartkijkers zijn. Waarom hangen slaap en stemming zo hecht samen?
Het herstel van het brein
Peter Meerlo, neurobioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet al jaren onderzoek naar slaap en stemmingsklachten. Hij bevestigt dat er een sterk verband bestaat tussen slaaptekort en somberte. ‘Uit langlopende studies blijkt dat mensen met slaapklachten later twee tot vier keer vaker depressief worden dan anderen,’ vertelt Meerlo. De slaapklachten gaan aan de depressies vooraf. ‘Slaapklachten zijn lange tijd gezien als symptoom van depressie, maar er zijn nu steeds meer aanwijzingen dat het ook weleens andersom zou kunnen zijn, en dat gestoorde slaap je stemming overhoop kan halen.’
Hoe dat kan? Slaap is waarschijnlijk onder meer nodig voor het herstel van het brein, bijvoorbeeld het opruimen van afvalstoffen en het onderhouden van verbindingen tussen zenuwcellen. Als je brein daar niet aan toekomt, krijgt het langzaam problemen. Experimenten met proefdieren suggereren dat er bij slaapgebrek tenminste drie dingen misgaan wat betreft stemming en emoties: het brein wordt minder gevoelig voor serotonine, de hippocampus krimpt en de amygdala slaat op hol.
Wat ongeremd
Ten eerste: serotonine. ‘Serotonine is een belangrijke signaalstof die in je brein vrijwel overal bij betrokken is, ook bij het regelen van je stemming,’ zegt Meerlo. Ligt iemands stemming overhoop, dan is er mogelijk iets mis met het serotonine-systeem. Gestoorde stemmingsregulatie, heet dat. Zoiets gebeurt mogelijk bij depressieve mensen. En bij mensen die te weinig slapen?
Meerlo: ‘Het menselijk brein is de volgende stap. Tot nu toe heb ik in mijn onderzoek gekeken naar de gevoeligheid van serotoninereceptoren bij ratten. Als je die dieren langdurig wakker houdt, zie je dat hun receptoren geleidelijk minder gevoelig worden voor serotonine, precies zoals je bij depressieve patiënten ook ziet.’ Het slaapgedepriveerde brein lijkt dus op het depressieve brein, wat serotonine betreft.
Het tweede hersengebied dat in de problemen komt bij slaapgebrek, is de hippocampus. Dat zeepaardvormige hersendeeltje staat centraal bij leren en bij geheugenvorming. Maar het speelt ook een rol bij emoties, want geheugen en emotie hebben met elkaar te maken. Ga maar na: heftige dingen onthoud je scherper. Met andere woorden: de belangrijkste geheugensporen die we vormen, zijn gekoppeld aan emoties.
‘De hippocampus communiceert dan ook heel nadrukkelijk met delen van het brein waar emoties worden gegenereerd en verwerkt,’ legt Meerlo uit. ‘Als die hippocampus verstoord raakt, zie je dat er met de regulatie van emoties en het vormen van emotioneel geheugen iets mis gaat.’
Wie chronisch te weinig slaapt, krijgt te maken met een drietrapsraket van geleidelijke veranderingen in het brein, die allemaal op je gemoed werken.
Behalve geheugenproblemen levert een haperende hippocampus daarom ook stemmingsklachten op. Opnieuw lijkt het slaapgedepriveerde brein hierin op het depressieve. Bij depressieve patiënten functioneert de hippocampus vaak minder goed en is hij ook kleiner, alsof hij gekrompen is – hetzelfde geldt mogelijk voor mensen die te weinig slapen.
Meerlo: ‘Net als bij serotonine hebben we gekeken: kan verstoorde slaap leiden tot een kleinere hippocampus? Bij proefdieren waarvan je de slaap chronisch verstoort, krimpt de hippocampus inderdaad.’
Een derde belangrijk emotioneel centrum in het brein dat last heeft van slaapgebrek, is de amygdala, een amandelvormig hersengebiedje dat emoties genereert. Zelfs na één nacht slaaptekort lijkt de amygdala overactief te worden. ‘Je kent dat wel, dat je na een slechte nacht wat ongeremd wordt,’ zegt Meerlo. Je schiet snel uit je slof of barst juist in tranen uit. Dat zou kunnen komen omdat de amygdala niet goed meer onder controle wordt gehouden.
‘Normaal gesproken wordt de amygdala geremd door het regulerende deel van je hersenen, de prefrontale cortex. Die zorgt er doorgaans voor dat de emoties die we voelen en die door de amygdala worden gegenereerd, passen bij de situatie waarin we ons bevinden. Maar de prefrontale cortex is heel gevoelig voor slaaptekort. Al na één slechte nacht wordt hij minder actief. Dat betekent dat de “rem” op de amygdala niet goed werkt, en dan ga je dus overdreven reageren.’
Samengevat: wie chronisch te weinig slaapt, krijgt te maken met een drietrapsraket van geleidelijke veranderingen in het brein, die allemaal op je gemoed werken.
Zandloper
Je vatbaarheid voor somberheid en andere sores hangt niet alleen samen met hoe lang je slaapt, maar ook met hoe je slaapt. Eus van Someren, hoofd van de afdeling Slaap en Cognitie van het Nederlands Herseninstituut en hoogleraar bij Integratieve Neurofysiologie en Psychiatrie aan de VU, onderzoekt al jaren de oorzaken van slapeloosheid. En daarin speelt somberte een onverwachte rol.
Zo’n 10 procent van de bevolking, vertelt Van Someren, heeft last van chronische slaapproblemen. Ze liggen wel lang genoeg in bed, maar slapen toch niet goed. Waarom zij de slaap niet kunnen vatten, is lange tijd een raadsel geweest. ‘Je zou zeggen: als iemand niet goed kan slapen, is er vast iets mis in de systemen die zorgen voor slaap,’ zegt Van Someren.
Die zogenoemde ‘slaapregelsytemen’ zorgen ervoor dat je in slaap valt, en wanneer. De mens heeft er twee: ten eerste de biologische klok, die zorgt dat je ’s nachts slaperig en overdag alert bent; en ten tweede een soort zandloper die bijhoudt hoe lang je al wakker bent en de druk om te slapen navenant opvoert door een stofje (adenosine) los te laten in de hersenen.
Van Someren: ‘Ik heb jarenlang gezocht: wat is er mis met die twee systemen bij slapelozen? Maar eigenlijk was er niets te vinden. Mensen bij wie er iets mis is met de zandloper of de biologische klok hebben wel vaak slaapproblemen, maar je kunt dat niet omdraaien: de meeste slapelozen hebben een prima functionerende klok en zandloper.’
Hij moest dus ergens anders zoeken. In de genen bijvoorbeeld – want het risico op slapeloosheid is voor een deel erfelijk, vertelt hij. Maar ook in ons DNA vond Van Someren niet wat hij verwachtte. ‘We vonden een rijtje genen die te maken hebben met het risico op slapeloosheid. Die hebben we vergeleken met de genen die verantwoordelijk zijn voor andere overerfbare slaapkenmerken – of je een vroege of een late slaper bent, bijvoorbeeld. Opnieuw bleek de overlap verwaarloosbaar. De genen die te maken hebben met slapeloosheid, hebben niets te maken met slaap.’
Ze zetten Van Someren wél op een ander spoor. Want: ‘De genen die iemand vatbaar maken voor slapeloosheid, lijken wél heel erg op de genen die iemand kwetsbaar maken voor stemmingsstoornissen, bijvoorbeeld een angststoornis of een depressie, of voor de karaktereigenschappen die daarbij horen, zoals neuroticisme.’
Langzaam begon Van Someren te zien: we noemen insomnie wel een slaapstoornis, maar het onderliggende probleem lijkt niet in slaapregulatie te zitten. Wat er misgaat, is het verwerken van emoties.

Het eindeloze malen
Als je zelf slecht slaapt, herken je dit misschien: het eindeloze malen. Een vinnige opmerking, verliefdheid, het plannen van een verhuizing – bijna alles kan aanleiding zijn voor nachtelijk gepieker. Niet één nacht, maar keer op keer. In stressvolle tijden stapelen de dingen waar ik ’s nachts aan denk zich op als de afwas in een studentenhuis.
Of je nu een goede of een slechte slaper bent, een neuroot of een zenmeester: sterke indrukken of heftige ervaringen lokken altijd een reactie uit. Die reactie kun je terugzien in het brein. Leg je mensen in een scanner en laat je ze een schokkend filmpje bekijken, dan zie je een gedeelte van hun brein oplichten. Dat is het emotionele of limbische circuit, en het beslaat de hersengebieden die te maken hebben met emoties. Goede slapers kunnen die emoties vervolgens wegwerken. Laat je ze een nacht slapen en leg je ze daarna opnieuw in de scanner, dan reageert hun brein heel anders als ze hetzelfde filmpje terugzien: er is veel minder reactie te zien, en die reactie die er nog wel is, zie je op andere plekken dan eerst.
Laat je ze een nacht slapen en leg je ze daarna opnieuw in de scanner, reageert het brein heel anders: er is veel minder reactie te zien.
‘De vervelende herinnering heeft letterlijk een andere plek in het brein gekregen, waardoor de goede slapers er nu niet meer zo heftig op reageren. De emotie is als het ware van de herinnering af gewassen,’ legt Van Someren uit.
Bij slechte slapers is dat anders. Als je een slechte slaper deze test laat doen, en hem na een nacht slapen opnieuw in een MRI-scanner schuift en hetzelfde filmpje laat zien, reageert het brein er nog even heftig op. En dat effect blijft maar duren. ‘Zelfs als je zo iemand een ingrijpende gebeurtenis van dertig jaar geleden laat ophalen, licht het brein nog altijd op als een kerstboom.’
Kortom: bij slechte slapers gaat er iets mis met het verwerken van emoties. Spanning kan daarom niet goed worden opgeruimd. Angst en somberte ook niet. Die gevoelens blijven maar rondslingeren, en op weg naar de slaap struikel je erover.
Verbindingen in je brein
Hoe werkt dat opruimen dan, normaal gesproken? En wat gaat er bij slechte slapers mis? Van Someren: ‘Slaap is goed in het herorganiseren van verbindingen in je brein. ’s Nachts worden ervaringen verwerkt en krijgen dingen letterlijk een andere plaats. Soms moeten daarvoor ook verbindingen tussen hersencellen worden verbroken. Er is één toestand waarin het brein daar een heel bijzondere gelegenheid voor heeft, en dat is de REM-slaap (droomslaap, BH).’
REM-slaap is bijzonder omdat er alleen tijdens die fase van je slaap een bepaald chemisch stofje ontbreekt in de hersenen. Dat stofje heet noradrenaline. Het versterkt de verbindingen tussen hersencellen; zie het als een soort lijm die verbindingen stevig bij elkaar houdt. Als er géén noradrenaline is, kunnen verbindingen makkelijker worden losgemaakt en andere routes voor informatie door het brein een kans krijgen.
Dat is wat er tijdens REM-slaap gebeurt: omdat er geen noradrenaline wordt aangemaakt, kunnen verbindingen makkelijker worden losgemaakt en krijgen andere routes voor informatie door het brein een kans. Zo krijgen bijvoorbeeld heftige ervaringen ‘een plekje’: ze worden verwerkt, opgeruimd, staan niet meer zo in de weg.
Maar dat kan ook misgaan. Van Someren: ‘We denken dat er bij slapelozen iets misgaat met noradrenaline. De kern die noradrenaline aanmaakt, de locus cerulaeus, blijft bij hen mogelijk zelfs tijdens REM-slaap een beetje actief.’ Dan blijft er ook tijdens REM-slaap noradrenaline door de hersenen stromen.
De aanwezigheid van noradrenaline tijdens een toestand waarin dat niet hoort, maakt het heel moeilijk om verbindingen tussen hersencellen te verbreken. En dat betekent dat het nachtelijke opruimen van emoties misloopt: alles blijft maar kleven. Probeer maar eens iets op te ruimen met secondelijm aan je vingers. ‘Mogelijk worden de verbindingen die eigenlijk zouden moeten worden gemaakt, juist extra versterkt. In plaats van emoties los te maken, houdt het brein ze extra stevig vast.’
Bij slechte slapers lijkt hun rusteloze REM-slaap juist niet te helpen bij het opruimen van spanning of emoties, maar precies het omgekeerde te doen. ‘Hoe meer rusteloze REM-slaap ze hebben gehad, hoe sterker hun emotionele brein de volgende dag nog geactiveerd wordt. Er is iets in hun REM-slaap dat averechts werkt.’
Insomnie is geen slaaptekort
Ik heb het steeds over slechte slapers, maar eigenlijk zou ik preciezer moeten zijn: de slechte slapers uit het onderzoek van Van Someren zijn mensen met insomnie. Dat is iets anders dan slaaptekort, benadrukt hij. ‘Slaaptekort wil zeggen dat mensen goed slapen, maar te kort. Insomnie betekent dat mensen wel voldoende tijd voor slaap nemen, maar slecht slapen.’
Deze twee groepen worden vaak op één hoop gegooid. Ten onrechte, zegt Van Someren. Want hun slaap zit anders in elkaar. Als je mensen of proefdieren expres wakker houdt en kijkt wat er gebeurt (zoals in de onderzoeken van Peter Meerlo die ik eerder beschreef), kijk je dus eigenlijk naar slaaptekort of slaapdeprivatie, en zeggen je resultaten niet per se iets over slapeloosheid of insomnie.
Die laatste klacht, insomnie, komt erop neer dat je slaap alsmaar kort onderbroken wordt. Dat zegt niet per se iets over de duur van de slaap: de totale duur van alle stukjes slaap kan, alles bij elkaar opgeteld, redelijk normaal zijn.
‘Dat voelt overigens niet als afdoende slaap, want je hebt ook tijdens de stukjes slaap het gevoel dat je nog wakker ligt. Insomnie betekent eigenlijk vooral dat de slaap instabiel is, wat consequenties heeft voor wat er normaal gesproken in REM-slaap gebeurt. Je kunt slapen zien als onder water duiken, bijvoorbeeld in een duikboot.’
De arts Robert Burton schreef al in 1621: ‘Waking, by reason of their continual cares, fears, [and] sorrows is a symptom that much crucifies melancholy men.’
‘Wat je ziet als je naar slapelozen kijkt, is dat ze tijdens hun REM-slaap telkens heel even boven water komen. Ze steken de periscoop van hun duikboot steeds een paar seconden boven het water uit, alsof ze moeten checken dat alles oké is. Dat kun je ook terugzien aan de golven van hun slaap-EEG: een paar seconden lijkt iemand wakker.’
Een gegeven dat trouwens al ver vóór de uitvinding van EEG bekend was. Zo schreef de arts Robert Burton al in 1621 in The Anatomy of Melancholy: ‘Waking, by reason of their continual cares, fears, [and] sorrows is a symptom that much crucifies melancholy men.’
Een kleine vierhonderd jaar later probeert Van Someren aan te wijzen waar dat precies aan ligt: mogelijk zorgt de aanwezigheid van noradrenaline ervoor dat het brein waakzaam blijft en niet de modus bereikt waarin emotieverwerking goed kan plaatsvinden. Spanning kan daarom niet goed worden opgeruimd. En een gevolg daarvan is dat angst, spanning en somberte hardnekkig blijven hangen.
BENG!
Zowel angststoornissen en depressie als slapeloosheid worden gekenmerkt door verstoorde REM-slaap. De parallellen zijn heel opvallend, zegt Van Someren. ‘Mijn stoute vermoeden is dat er bij angst, depressie en slapeloosheid eigenlijk globaal hetzelfde gebeurt: dat de REM-slaap averechts werkt; dat dat te maken heeft met het feit dat noradrenaline niet goed wordt afgesloten en verbindingen dus niet worden verzwakt maar versterkt, zodat je emotionele brein bij herinneringen – BENG! – blijft aanslaan.’
De droomslaap loopt in alle gevallen mank, de emotieverwerking dus ook. ‘Vervolgens zijn het misschien maar kleine verschillen die bepalen welke emotie zich ophoopt. Sommige mensen zullen vooral last hebben van het vasthouden van angst, anderen kunnen vooral somberte niet opruimen, en weer anderen zouden spanning kunnen meenemen naar de volgende dag,’ zegt Van Someren. Afhankelijk daarvan zal iemand zich eerder herkennen in het ziektebeeld van een angststoornis, een depressie of een slaapstoornis.
Van Someren: ‘Er is een enorme overlap tussen die ziektebeelden. Neem je alle klachten waarmee ze gepaard gaan mee, zoals in epidemiologische studies gebeurt, dan blijkt de overlap tussen die klachten wel 80 procent.’
Eigenlijk, denkt hij, gaat het om één groot cluster van symptomen. Je zou angst, depressie en slapeloosheid kunnen zien als drie covers van hetzelfde nummer. Er is één basismelodie, die kan worden uitgevoerd als snerpende grunge-versie, als sombere ballad en als uptempo techno-uitvoering. Kleine verschillen bepalen welke kant het sterkst naar voren komt. En dus welk label erop wordt geplakt.
Hoe arbitrair de keuze voor de ene of de andere diagnose soms is, ervoer ik ook zelf. Toen ik naar de huisarts ging met mijn slaapproblemen, nam de psycholoog van dienst me een vragenlijst af, luisterde naar mijn beschrijving en zei: ‘Je mag kiezen. Je voldoet eigenlijk perfect aan de criteria voor een slaapstoornis, oftewel insomnie, maar ik kan je ook een angststoornis geven. Je angst om niet te slapen houdt je immers ook wakker.’
Ik ‘koos’ de angststoornis, omdat ik daarmee een bredere behandeling kon krijgen. Maar vreemd is het wel. Als ik met een en dezelfde klacht – met dezelfde vragenlijst en dezelfde symptomen – twee verschillende diagnoses kan krijgen, wat is dan de zin van die twee diagnoses? Waarom hebben we het dan niet over één klacht met één diagnose?
Verschillende labels
Hoewel de overlap tussen bovengenoemde klachten groot is, is er nog maar mondjesmaat onderzoek naar die overlap gedaan. Angstonderzoekers kijken naar de dag, slaaponderzoekers kijken naar de nacht, ook al bestuderen ze vaak dezelfde persoon.
Die blinde vlek is een kwestie van taal, denkt Van Someren. ‘We hebben verschillende labels verzonnen en verdelen het probleem over die vakjes. Zo ontstaan er verschillende groepen patiënten, die we vervolgens strikt gescheiden proberen te houden. Veel studies kijken alleen naar angst, of alleen naar depressie, of alleen naar slaap.’
Bij onderzoek naar slapeloosheid, bijvoorbeeld, wordt doorgaans iedereen die óók depressieve klachten heeft, uit de testgroep geknikkerd – ondanks het feit dat die twee klachten heel vaak hand in hand gaan, en de verschillen tussen die groepen dus nogal arbitrair zijn.
‘Tien jaar geleden deden wij dat ook zo,’ zegt Van Someren over zijn onderzoeksgroep in het Nederlands Herseninstituut. ‘Dan zochten we slapelozen voor een onderzoek, vonden er 470 en lieten we hen vragenlijsten invullen over hoe angstig of hoe somber ze waren. Vervolgens gooiden we iedereen eruit die ook maar een beetje angstig of depressief was, met de laagste cut-off voor die ziektebeelden, al hadden ze allemaal echt ook slapeloosheid. Uiteindelijk hielden we dan 35 mensen over: de Vikingen onder de slapelozen. Tja, daar hebben we leuke bevindingen bij gedaan, maar die resultaten zeggen niets over alle slapelozen.’
‘Alle eigenschappen die ooit door iemand in verband waren gebracht met slapeloosheid, hebben we bij hen gemeten. En die data hebben we laten beslissen over de ‘diagnoses’.’
Van Someren en zijn onderzoeksgroep hebben de logica daarom omgedraaid. ‘In plaats van strenge selectiecriteria te hanteren om alleen die mensen te testen die louter en alleen slaapklachten hebben, hebben we juist iedereen meegenomen.’
Duizenden vrijwilligers, die zich via SlaapRegister.nl hadden aangemeld, hebben Van Someren en zijn team geholpen door een enorme hoeveelheid vragenlijsten in te vullen via internet. Die vragenlijsten gingen niet alleen over slaap. ‘Alle eigenschappen die ooit door iemand in verband waren gebracht met slapeloosheid, hebben we bij hen gemeten. En die enorme berg data hebben we zelf laten beslissen over de aanwezigheid van verschillende “diagnoses” of “subtypen”.’
De berg data bleek uit vijf toppen te bestaan: vijf ‘types’ die je bij slapelozen kunt onderscheiden. Die laten zich niet zomaar samenvatten, à la: de depressieve slapeloze of de neurotische slapeloze. Daarvoor zijn de oorzaken van slaapproblemen te complex. Maar als je met die subtypes in de hand oude testresultaten gaat analyseren, blijkt dat sommige testgroepen, vanwege de strenge indelingscriteria, helemaal uit twee of drie subtypes hadden bestaan, terwijl de rest was uitgesloten.
Niet gek dus, dat de testresultaten vaak niet met elkaar strookten. ‘Van bovenaf opgelegd hokjesdenken met diagnostische handboeken heeft ons onderzoek jarenlang parten gespeeld. Data-gedreven hokjesdenken zal ons beter vooruit kunnen brengen.’
Wakker liggen voor de wetenschap
Sinds Van Someren zijn net wijder heeft uitgegooid, hebben hij en zijn onderzoeksgroep grote stappen gezet. Zo wordt het langzaam duidelijk dat de sleutel tot slaap niet per se gezocht moet worden in de nacht, maar dat de dag even belangrijk is. Van Someren: ‘Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het hele idee dat slapeloosheid een slaapstoornis is, een vergissing is geweest.’ Wakker liggen gaat over veel meer dan slaap. Het gaat over verdriet, angst, spanning, emoties, herinneringen, en de manier waarop die vorm krijgen in ons brein.
Als Van Someren één ding heeft geleerd van de jaren dat hij zich blindstaarde op slaapregelsystemen zoals de biologische klok, zegt hij, dan is het dit: we moeten een ruimere blik hebben als we slapeloosheid willen begrijpen. ‘Daarom hebben we veel meer informatie nodig, informatie die alleen de goede én slechte slapers zelf kunnen leveren. Als we nu op de rand staan van een doorbraak in ons onderzoek – en dat gevoel heb ik wel – dan is dat te danken aan de honderdduizenden mensen die hebben meegedaan aan SlaapRegister.nl. We hebben nog heel veel mensen nodig.’
Het is een troostrijk middernachtelijk idee: je aanmelden, en dan massaal samen wakker liggen ten behoeve van de wetenschap.
Enkele reis richting depressie?
Over die troost wil ik tot slot nog iets zeggen. Het bovenstaande verhaal klinkt – zeker voor wie vannacht niet goed geslapen heeft – wellicht als een vonnis. Zet je onze huidige kennis over slaap, genen en het brein naast elkaar, dan lijkt slapeloosheid een enkele reis richting depressie. Maar zo is het niet. Immers, het brein is en blijft plastisch: die krimpende hippocampus kan zich goed herstellen. Zelfs je genen hebben niet het laatste woord. Ze veroordelen je niet onherroepelijk tot wakker liggen, maar geven je er hoogstens een bepaalde kwetsbaarheid voor, en of die opspeelt, hangt voor een belangrijk deel af van de context: je ervaringen en je omgeving. Geen mens is een eiland: we bestaan in een bepaald lichaam in een bepaalde omgeving, en de invloed daarvan kun je nauwelijks overschatten.
Daarom kijk ik in mijn volgende en laatste stuk naar invloed die onze sociale omgeving en onze samenleving hebben op onze slaap. En stel ik de vraag hoe een sociaal slaapmiddel eruit zou zien.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.