Voor schrijvers is vrijheid iets heel paradoxaals. Ze zijn natuurlijk verguld met de vrijheid waarmee ze kunnen schrijven wat ze willen. Maar in de praktijk betekent het dat ze op zoek moeten naar wat ze écht willen schrijven en met welke woorden precies. En dat zoeken is helemaal niet vrij. Het voelt zelfs als een harnas waar ze uit willen breken.
Ze zijn pas bevrijd op het moment dat de woorden en de zinnen er staan zoals het de bedoeling is. Maar van die bedoeling zijn ze maar half zeker. Kan het niet altijd beter?
Wie wel eens de manuscripten van Proust of Flaubert heeft gezien, weet wat zich daar aan strijd heeft afgespeeld. Wat je ziet, is een ondoordringbaar woud van doorhalingen die doorgehaald zijn tot er een driedubbel doorgehaalde tekst is ontstaan waar alleen een zetter met ascetische gaven uit wijs kan worden. En het verbeteren begint gewoon weer opnieuw wanneer ze de drukproeven in handen krijgen. Ze hebben nog geen blik op die schone proef geworpen of ze willen de daar gevangengehouden woorden bevrijden met andere, nieuwere, betere. Gezegend de schrijver bij wie het min of meer in één keer goed gaat.
Regime
En dan zijn er schrijvers die zich geheel vrijwillig een bepaald onvrij regime opleggen om überhaupt tot schrijven te kunnen komen. Dat is te vergelijken met het repertoire aan tics dat Rafael Nadal moet afwerken voor hij kan gaan serveren: bij de schrijver eerst koffie, eerst een scherpe punt aan het potlood, eerst nog naar de mail kijken, eerst nog de voorraad kauwgum checken, eerst nog naar de wc.
Volgens Houellebecq is de wereld lijden, en schrijven helemaal.
Wat bij Nadal het even aanraken van zijn neus is, is bij de schrijver het omstandig schoonmaken van zijn bril of het verwijderen van stofjes van zijn toetsenbord, ook al zijn die in geen velden of wegen te bekennen, want gisteren al verwijderd toen er ook al bijna niets tussen zat. Van een vrij gevoel merken we ondertussen nog niets bij de schrijver.
Elk lijden is goed
En wat als het onvrij zijn onverbrekelijk bij het leven en het schrijverschap hoort, zoals Michel Houellebecq meent in een programmatische tekst, al begin jaren negentig geschreven.
Volgens Houellebecq is de wereld lijden, en schrijven helemaal: ‘Elk lijden is goed; elk lijden is nuttig; elk lijden werpt zijn vruchten af; elk lijden is een hele kosmos,’ schrijft hij in ‘Leven, lijden, schrijven’ in Nader tot de ontreddering.
Je zou niet zeggen dat de Houellebecq van dertig jaar later daar nog net zo over denkt, maar het staat nog steeds als eerste in zijn collectie essays: ‘U moet het lijden in uw poriën voelen. Elk nietig deeltje van de kosmos moet u persoonlijk kwetsen. Toch zult u moeten blijven leven – in elk geval een tijdje.’
Alles wat van enige betekenis is, wordt voorafgegaan door het leveren van een inspanning om tot die betekenis te komen. Houellebecq noemt die inspanning graag ‘lijden’ omdat dat natuurlijk perverse associaties oproept met het christelijke lijden van Jezus. Die heeft voor ons aan het kruis geleden.
Maar het zou volgens Houellebecq een misverstand zijn om te denken dat we daarmee van het lijden zijn verlost en bevrijd. No way.
Er moet geleden worden voor een beetje vrijheid.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.