Van de roemruchte jaren zestig van de vorige eeuw bestaan verschillende versies. De een ziet het decennium eenvoudig samengevat in de leus ‘de verbeelding aan de macht’. De ander ziet het als een tijd waarin de volwassenen het afleggen tegen een snel opkomende jeugdcultuur.
Weer een ander ziet er de totale emancipatie van de mens in: alles werd opnieuw geijkt. En dan is er de school die de jaren zestig ziet als een duurzame culturele revolutie waarin een heel andere mentaliteit ontstond.
In zijn vuistdikke ‘cultuurgeschiedenis’ De jaren zestig uit 2018 erkent Geert Buelens wel dat de cultuur van de jaren zestig aan het langste eind heeft getrokken en tot op de huidige dag doorwerkt, maar tegelijk verkleint hij de betekenis ervan.
Waren The Beatles en Elvis Presley voor die jaren gezichtsbepalend en vernieuwend? Maar zoveel stelden ze niet voor in vergelijking met The Sound of Music en de zingende non Soeur Sourire. Die deden het in de hitparade beter dan The Beatles, Elvis of Jimi Hendrix. En de Provo’s? Die keken elitair neer op de echte ruggengraat van het land, door hen ‘klootjesvolk’ genoemd. Dat kon niet, ook al keerden de provo’s zich ook tegen de echte elite: de regenten.
De bevrijding van 1945 schiep juist de ruimte voor het loskomen van het seksuele puritanisme, de beknellende religie en verzuiling.
Tussen 1946 en 1949 kwamen er met de ‘babyboom’ een miljoen mensen in Nederland bij. Dat enorme getal vergeet Hans Righart zijn De eindeloze jaren zestig (1995) niet vermelden. Hij zag dat in de jaren zestig daardoor twee generaties gingen botsen, de generatie die de jaren dertig en de oorlog had meegemaakt, en de naoorlogse generatie die zich vrij voelde en profiteerde van de wederopbouw. Die had niets met de neiging van de volwassenen om het leven van voor de oorlog te restaureren.
De bevrijding van 1945 schiep juist de ruimte voor het loskomen van het seksuele puritanisme, de beknellende religie, de verzuiling en autoritaire staat. De welvaart deed zich ook gelden: in loonsverhogingen van 15 procent in 1964 en 10 procent in 1965.
dekolonisatie
Er gebeurde in de jaren zestig zoveel op zoveel verschillende terreinen dat er altijd iets over het hoofd dreigt te worden gezien. Het is de kunst de meest omvattende samenvatting te bedenken. Waar alles in zit. Ik denk dat Henk Hofland het dichts in de buurt is gekomen met wat hij in Tegels lichten over ‘dekolonisatie van de burger’ van de jaren zestig schrijft.
‘Dekolonisatie’ bestrijkt de meeste terreinen, van gezag tot bevrijding, van bezetting tot onafhankelijkheid. Het komt ook aardig in de buurt van hoe Piet de Rooy erover denkt in zijn nieuwe ‘geschiedenis van de jaren zestig’ Alles! En wel Nu!. Wanneer De Rooy schrijft dat het belangrijkste kenmerk van die jaren ‘de enorme verbreiding van de behoefte aan authenticiteit’ is, dan past dat als een belangrijk aspect in Hoflands dekolonisatie.
Die ‘dekolonisatie’ hield in dat men in zijn algemeenheid verlost raakte van ‘bovenpersoonlijke normen’, afkomstig van de kerk, de overheid, de burgerlijke cultuur, ideologie, traditie, de stijl van besturen, de manier van zich vermaken en zich kleden. Dit alles samen vormde als het ware een kolonisator. Die had in de negentiende eeuw zijn gang kunnen gaan, en begon in het begin van de twintigste eeuw weerstand te ondervinden in de gedaante van de avant-garde, de artistieke wereld, de bohème, van Dada en de expressionisten. Dat waren veelal kunstenaars die terug wilden naar de oorsprong, naar het authentieke zelf, weg van de vervreemdende industrie en de vercommercialiseerde samenleving.
Een individu verlangde niet gekoloniseerd te zijn door andermans ideeën en opvattingen, maar van zichzelf te zijn, ‘authentiek.’
De dekolonisatie, schrijft De Rooy, betekende ook individualisering, een verschijnsel dat volgens Alexis de Tocqueville rond 1840 was voortgevloeid uit de democratie. Individualisering betekende niet het egoïstischer worden van mensen, en geen ‘atomisering’ van de mens, maar ‘een verandering in de aard en de vorm van de verbanden.’
Een individu verlangde niet gekoloniseerd te zijn door andermans ideeën en opvattingen, maar van zichzelf te zijn, ‘authentiek.’ Het zich uitsprekende, ‘expressieve’, individualisme was overigens geen progressief monopolie, je trof het ook aan in de verkiezingsleus van de liberalen van de VVD: ‘Gewoon jezelf kunnen zijn.’
het anti-burgerlijke van de romantiek
De Rooy is een historicus voor wie ingrijpende gebeurtenissen niet uit de lucht komen vallen, maar een lange ondergrondse aanloop hebben, ook al is men zich daar niet zo van bewust. Die dekolonisatie en dat verlangen naar authenticiteit heeft zich al eens eerder in de geschiedenis gemanifesteerd: in de periode van de Romantiek in het begin van de negentiende eeuw. Daar vond de ‘tegencultuur’ van de jaren zestig haar bronnen: in het anti-burgerlijke van de Romantiek, de terugkeer naar de natuur, tegen de mechanisering van de wereld en in het eerherstel van het gevoel.
Ook al brachten de provo’s en kabouters geen politieke revolutie teweeg, toch dicht De Rooy die tijd wel degelijk ‘een revolutionair karakter’ toe.
Typerend voor de kracht waarmee men in de jaren zestig een autonoom individu wilde zijn en geen nummer in de opkomende consumptiemaatschappij was de weerstand die ontstond tegen de Volkstelling van 1971.
Daar werd tamelijk massaal tegen geprotesteerd, van Telegraaf-columnist Jacques Gans tot Vrij Nederland-columnist Renate Rubinstein: men wilde ‘geen reductie tot teleenheid.’ Men wilde liever ‘een nummertje maken dan een nummertje worden’, zoals muren en schuttingen lieten weten. De Volkstelling ging niet door en werd helemaal afgeschaft.
revolutionair karakter
Het niet doorgaan van de Volkstelling toonde aan dat de geest van de provo’s, kabouters, hippies en de tegencultuur in het algemeen wel degelijk naar het algemene publiek doorsijpelde. Ook al brachten de provo’s en kabouters geen politieke revolutie teweeg, toch dicht De Rooy die tijd wel degelijk ‘een revolutionair karakter’ toe. Dat zit hem niet in de versnelling van ontwikkelingen, maar in de samenhang, in ‘het gevoel dat de samenleving op vrijwel elk terrein aan het veranderen was en wel in een en dezelfde richting.’
De ‘revolutionaire’ verandering was die van een benauwde naar een verlichte cultuur.
Die richting was de dekolonisatie van de burger, zijn verzelfstandiging. De richting was ook die van progressiviteit en niet van het conservatisme van de zwijgende meerderheid die werd vertegenwoordigd door de toch steeds maar in oplage groeiende Telegraaf.De moloch De Telegraaf nam het op tegen kabouters. Die hielden stand.
Het ‘revolutionaire’ van de veranderingen in de samenleving voltrok zich in de secularisatie, de ontzuiling, in de omgangsvormen, in de afkeer van hiërarchie, in de seksuele bevrijding, in de kleding, in een informelere verhouding tot elkaar, in een grotere gelijkheid, in bestuurlijke ontspanning, in de ruimte die de muziek kreeg, in het verdwijnen van onnodig gezag, in het oplossen van de autoritaire staat – stuk voor stuk zegeningen van de jaren zestig die niet allemáál even duurzaam zijn gebleken.
Gedragsregels werden versoepeld en tot dan toe bedwongen driften en emoties kregen juist meer ruimte.
De ‘revolutionaire’ verandering was die van een benauwde naar een verlichte cultuur waarin, in de woorden van Henk Hofland, van veel ‘improvisatie, spontaniteit en creativiteit’ sprake was.
ontremming
In het denken over de jaren zestig dook steeds vaker Het civilisatieproces van de Duitse socioloog Norbert Elias op. Het boek verscheen in 1982 in Nederlandse vertaling, maar was zijn reputatie vanaf 1939 vooruit gesneld. Het bevatte op vele terreinen interessante sociologische inzichten, maar leverde geen verklaring voor het ‘informaliseringsproces’ dat zich in de jaren zestig had voorgedaan.
Het civilisatieproces veronderstelde in Elias’ theorie immers een steeds groeiende zelfbeheersing, en dat was nu precies wat zich niet voordeed in de cultuur van de jongvolwassenen. Gedragsregels werden versoepeld en tot dan toe bedwongen driften en emoties kregen juist meer ruimte. Als er van iets sprake was, dan was het niet van beheersing, maar van ontremming.
De door conventies, taboes, regels, moraal, geboden en canons getemde mens werd ontketend, vooral als het om geloof, muziek en seksualiteit ging.
Het was een cultuuromslag, waarvan zelfs Geert Buelens moet toegeven dat die vernieuwende cultuur ‘aan het langste eind heeft getrokken.’ Dat wil zeggen: tot op vandaag doorwerkt en in de mentaliteit is terug te vinden, ook al lijkt de verrechtsing en de terugkeer van het verlangen naar gezag en moraal dat tegen de spreken.
De bekendste leus van de jaren zestig, dat ‘de verbeelding aan de macht’ moest komen, beklijft het meest. Hij staat voor: zich iets voorstellen dat er nog niet is, maar zou moeten komen. Het is een uitweg uit verstarring, verveling, gewoonte en de status quo. Wat zich buiten de kaders bevindt, daar zoekt de verbeelding het. Ook al heeft hij het er niet uitvoerig over, de verbeelding speelt wel degelijk een rol in de sympathie die De Rooy in zijn compacte (223 pagina’s), maar toch breed en soms diepzinnig uitwaaierende geschiedenis, voor deze tijd heeft.
Alles! En wel Nu! Een geschiedenis van de jaren zestig door Piet de Rooy is uitgegeven door de Wereldbibliotheek.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.