Nadat Kees Verheul een paar uur bij Nadjezjda Mandelstam op bezoek was geweest en afscheid van haar nam vertrok ze in een soort gewoonte haar gezicht in een huilgrimas. Ze gaf daarbij een perfecte imitatie van folkloristisch geweeklaag. Spot en zelfspot waren altijd in de buurt. Met zo iemand ging Verheul graag om: iemand die sinds de jaren dertig door de wol van het dagelijkse communisme was geverfd, in het bezit was van galgenhumor en uit ervaring helemaal ingesteld was om autoriteiten geen aanleiding tot actie te geven. Als ze Verheul iets uit haar memoires (die hij in twee delen zou vertalen) te lezen wilde geven, moesten eerst de gordijnen dicht. Haar man, de gerenommeerde dichter Osip Mandelstam, kwam in 1938 om in een van Stalins strafkampen.

Het vertellen over die huilgrimas is karakteristiek. Wat Verheul schreef over zijn bezoeken aan zijn Russische vrienden vanaf 1967 in boeken als Kontakt met de vijand en Rusland begint bij de IJsel was heel concreet en ‘fysiek.’ Hij komt heel dichtbij door gedetailleerd het uiterlijk, de houding, gebaren, de blikken en de uitdrukking van de ogen te beschrijven. Een bezoek aan Mandelstam was op een ironische manier hard werken. Door haar ‘geestkracht’ werd hij ‘lamgeslagen’. Het was bij haar luisteren, instemmen en gehoorzamen. Een van de andere schrijfsters die hij ontmoette, Lidia Tsjoekovskaja, was veel meer dan Mandelstam geïnteresseerd in Kees zelf, ze wilde ook van hem iets te weten komen. Hij kwam voornamelijk bij Mandelstam en Tsjoekovskaja omdat ze hem moesten vertellen over de dichteres Anna Achmatova over wie hij eind jaren zestig zijn proefschrift aan het schrijven was. Ze hadden haar goed gekend.

Kees Verheul was in alle opzichten een close reader, iemand die beter las, meer uit een tekst haalde, een juister en scherper oordeel had. Zijn essays zijn annexaties van schrijvers en boeken die hij op een doorleefde manier tot een deel van zichzelf maakte. Een sterk voorbeeld van zijn close reading was zijn uitvoerige bespreking in De Republiek der Letteren van Vrij Nederland (21 december 1996) van de door F. Bulhof en G.J. Dorleijn geannoteerde editie van Du Perrons Het land van herkomst. Daarin laat hij zien hoe onbevangen en stilistisch geraffineerd Du Perron te werk kon gaan: een boottocht met Javaanse roeiers laat hij in de syntaxis van zijn zinnen doorklinken: ‘De horizontaliteit van avondschaduwen over een rivier met lage bebossing aan weerszijden ervaar je door de syntaxis: nevenschikkingen zolang de scène duurt. Bovendien, de steeds herhaalde syntactische aanloop – is dit geen roeien met taal?’

Zijn vriendschappen waren ook closer, hij wilde precies weten met wie hij bevriend was. Hij kende hun werk. Hij vereenzelvigde zich ook graag met personages en met vrienden of docenten door wie hij zich liet beïnvloeden of ‘vormen’. In de roman Een jongen met vier benen is hij in de titelscène aan het hardlopen met zijn vriendje. Opeens heeft hij de gewaarwording dat ze samen één jongen zijn, één jongen met vier benen.

poetic passion

Naast essays over schrijvers (Henry James, T.S. Eliot, Calvino, Céline), beoefende Verheul het autobiografische essay waarin reisverslag, lectuur en persoonlijke herinneringen door elkaar heen liepen. Verheul was op zijn veertiende al een reislustige en ondernemende jongen. Binnen de kortste keren was hij door de boeken voor de jeugd in de bibliotheek van Hengelo heen. Met speciale (maar onwillig verleende) dispensatie mocht hij naar de volwassen afdeling om daar de romans van Vestdijk te kunnen lenen. Die had hij nodig om op zijn veertiende met Vestdijk te kunnen corresponderen. De vragen die hij hem als redacteur van de schoolkrant stelde werden door Vestdijk zonder poespas serieus beantwoord.

Na deze prepuberale exercitie ging Verheul op zijn zeventiende een jaar naar Williamstown in Amerika om daar colleges Engelse en Amerikaanse literatuur te volgen. Speciaal van de hoogleraar Clay Hunt was hij onder de indruk. Die bracht hem ‘een diepgaand begrip’ bij van even klassieke als eigentijdse dichters als Ezra Pound, T.S. Eliot, Yeats, Auden, Dylan Thomas en Wallace Stevens. Wanneer hij dertig jaar later over dat jaar bij Hunt schrijft geeft de lengte van het essay (65 pagina’s in Het mooiste van alle dingen) al aan dat die tijd indruk op hem heeft gemaakt. Het was in korte tijd een complete literaire opvoeding, inclusief een cursus sensibiliteit, cultuurgeschiedenis en de finesses van literaire motieven en begrippen. Meteen in de eerste uren werd hij geconfronteerd met een ideaal van literaire schoonheid. Het bestond uit ‘hardheid, intensiteit en een objectieve, bovenpersoonlijke precisie.’ Woorden als ‘getemde felheid’ vielen, Yeats wilde dat zijn gedichten ‘as cold and passionate as the dawn’ waren – om die combinatie van koude hartstocht moest het gaan. Verheul leerde er voorgoed dat ‘Schoonheid als iets scherps en precies’ is, ‘als een exquise pijn, als een door haar onpersoonlijke volmaaktheid overrompelende ervaring.’ Dat was een beeld dat hem ‘afstootte en diep aansprak.’

Kees Verheul liet zich altijd in beslag nemen door wat hij las. Hij ging er in op, hij drong er diep in door, hij vereenzelvigde zich ermee.

Verheul hield er een ‘poetic passion’ aan over die, voegde hij eraan toe, ‘rationaliteit en humor allerminst uitsluit’. Die hartstocht bracht hem er niet veel later toe om Russisch te gaan studeren en gegrepen te worden door het werk van Anna Achmatova en zijn leeftijdgenoot Joseph Brodsky. De vriendschap met Brodsky begon in 1967 in Brodsky’s Leningradse anderhalve kamer. Omdat Brodsky al een strafkamp achter de rug had en hij in de gaten werd gehouden vluchtte/emigreerde hij in 1972 via Engeland naar Amerika. Vanaf het begin van hun vriendschap (beschreven in Kontakt met de vijand), was Verheul zijn vertaler en toegang tot het Westen. Wat hij door de jaren heen aan essays over Brodsky schreef verzamelde hij in Dans om de wereld. Brodksy was gezien zijn bijna virtuoze vormvastheid een modernistisch classicist. Verheul kan niet heen om de sombere grondtoon van zijn poëzie, maar er was voor hem ook een andere Brodsky, die met humor. Dat is de dichter die 1982 in zijn ‘Romeinse elegieën’ bij een bezoek aan een Romeinse kerk aan een Christus aan het kruis vraagt: ‘Buig eens naar voren, dan fluister ik U iets in/ik ben dankbaar voor alles…’ Brodsky wist met allure te lijden, maar had ook een talent om te genieten. Dat uitte zich in zijn verbale vindingrijkheid en zijn gevatheid.

In Verheuls essayistisch oeuvre (Verlaat debuut, Een volmaakt overwoekerde tuin, Mooiste van alle dingen, De dolende pen en Herleefd vermogen) gaat ongeveer voor de helft over Russische schrijvers en dichters als Poesjkin, Gogol, Boenin, Sjalamov, Lermontov, Chlebnikov en natuurlijk Achmatova. Verheul dicht haar niet geringe kwaliteiten toe: ‘soberheid, gratie, een sterk maar beheerst temperament, intelligentie, durf en – het meest opvallende van alles – een superieure zekerheid in het aanroeren van wat echt en wezenlijk is.’ Zij was zijn standaard.

Hoe breed Verheul was is te zien aan zijn essays over niet zo voor hand liggende Nederlandse dichters als Boutens, Leopold, Gezelle, Wilfred Smit, Jan Emmens en Kees Ouwens. En niet te vergeten de essays over klassieke onderwerpen als Vergilius, Horatius, Ovidius, Dante en Ariosto. Kees Verheul liet zich altijd in beslag nemen door wat hij las. Hij ging er in op, hij drong er diep in door, hij vereenzelvigde zich ermee. Maar niet te koste van zijn kritische zin: schoonheid moest iets scherps zijn.