Door stroken bieten, haver, wortels en aardappelen rijden robots om te oogsten. Aan de bloemrijke randen van boerenvelden verrijzen windmolens; op daken van boerderijen liggen zonnepanelen. Zangvogels vliegen tussen zoemende drones die de groeiprocessen van groenten scannen en optimaliseren.

Het is 2050 en het Nederlandse voedselsysteem is vrijwel volledig circulair. Kostbare landbouwgrond wordt niet meer gebruikt om veevoer te produceren, alleen nog voor voedsel voor de mens. Dieren eten uitsluitend restproducten en gras. De groenten worden naar de steden gebracht, waar zich groentetuinen op de daken van woontorens bevinden. Maaltijden van inwoners bestaan maar voor een klein deel uit dierlijke producten. Hun excreten worden gescheiden, gezuiverd en weer teruggebracht naar de polder om daar als mest te dienen.

Zo ziet het Nederlandse voedselsysteem er over dertig jaar uit als het ligt aan Imke de Boer, hoogleraar dierlijke productiesystemen aan Wageningen University & Research, en onderzoeker Evelien de Olde. Zij hebben dit voorjaar samen met veertien partners gewerkt aan een ‘integrale voedselvisie’ voor de toekomst van Nederland. De visie is ingezonden voor de Rockefeller Food System Prize, een prijsvraag om het voedselsysteem van 2050 in te richten. Er kan 200.000 euro mee worden gewonnen. Begin augustus komt de uitslag.

Heel veel problemen

Beiden zijn voor een interview met Vrij Nederland neergestreken aan de houten tafel in de zonovergoten achtertuin van De Boer, op steenworpafstand van de universiteit. Ze zijn primair wetenschappers op het gebied van dierlijke productiesystemen, ‘maar om de rol van het dier in het voedselsysteem te begrijpen, moet je ook naar de rest kijken’.

‘Fosfaat, stikstof, het klimaat: het hangt met elkaar samen. Daarom hebben we deze visie ontwikkeld.’

‘Het huidige systeem functioneert niet goed op meerdere vlakken’, zegt De Boer. ‘Ons voedselsysteem draagt voor een kwart bij aan broeikasgasemissies, veroorzaakt een derde van de verzuring, tachtig procent van de vermesting en heeft een flink effect op het verlies van biodiversiteit. Daarnaast leidt het niet tot gezonde voeding voor iedereen. Zeker als je wereldwijd kijkt: er zijn te veel mensen die hongerlijden én te veel mensen die te zwaar zijn. Dan heb je ook nog belabberde arbeidsomstandigheden en dierenwelzijn. Er zijn heel veel problemen.’

‘Het is duidelijk dat we een langetermijnvisie nodig hebben die daadwerkelijk wordt uitgevoerd,’ zegt De Olde. ‘Niet dat er nu helemaal niets gebeurt, maar telkens wordt naar één onderdeel gekeken: vijf jaar geleden de fosfaatdiscussie, nu de stikstof en straks krijgen we het klimaat.’

Daarom is er behoefte aan integraal beleid, zeggen de wetenschappers. ‘Fosfaat, stikstof, het klimaat: het hangt met elkaar samen. Daarom hebben we deze visie ontwikkeld.’ Een idealistische visie, geven ze toe, maar een die heel goed mogelijk is.

Waar beginnen we?

‘We moeten zorgen voor een gezonde natuur en biodiversiteit, met een gezonde bodem en schone lucht en water,’ zegt De Boer. ‘Daarom hebben we duidelijkheid nodig over de milieuplafonds van ons voedselsysteem: we stellen het maximale gebruik van land en water vast en de maximale uitstoot van broeikasgassen, stikstof, fosfaat en noem allemaal maar op.’

Milieuplafond

De wetenschappers baseren hun model op de donuteconomie, een theorie die ontwikkeld werd door Oxford-professor Kate Raworth. Dat model bestaat uit twee delen: de basisbehoeften van de mens (de binnenrand van de donut) en de milieuplafonds van de planeet (de buitenrand van de donut).

‘In het midden staat het sociaal fundament,’ zegt De Boer. ‘Met niet alleen de rechten van de mens, maar ook die van het dier. Tussen dat sociale fundament en het milieuplafond ontstaat de ruimte voor agro-ecologische systemen die produceren in harmonie met de natuur en zorg dragen voor mens en dier. Je kunt dan bijvoorbeeld precies zien hoeveel dieren in een bepaalde regio passen. En dan zul je ook zien dat we niet zoveel hoeven te exporteren en importeren als we nu doen.’

Ik wil wel graag m’n kopje koffie kunnen blijven drinken.

‘Dat moet ook zeker blijven kunnen,’ zegt De Olde. ‘We zullen blijven importeren en exporteren, maar het moet beter in balans zijn met wat binnen die twee lagen van de donut kan. We zouden ook moeten stoppen met het creëren van meerwaarde op importen. Dus: geen cacao en ongebrande koffiebonen kopen, maar fairtrade chocoladerepen en koffie. Dan blijft de meerwaarde die de verwerkende industrie toevoegt in het land van oorsprong. Veel eerlijker, want we halen nu de ruwe grondstoffen weg uit landen die die meerwaarde hard nodig hebben.’

‘Wat we hier kunnen produceren, moeten we hier ook consumeren. Zoals zuivel, aardappelen, wortelen.’

De Boer: ‘Wat we hier kunnen produceren, moeten we hier ook consumeren. Zoals zuivel, aardappelen, wortelen. Wij zijn beter in het produceren van melk, dus dat moeten we ook vooral blijven doen. Maar koffie en citrusvruchten kunnen we beter ergens anders telen dan hier.’

Wat lossen we op met minder import en export?

‘Het enorme transport van voedsel over de hele wereld heeft uiteindelijk niet gezorgd voor meer voedselzekerheid maar juist voor afhankelijkheid,’ zegt De Olde. ‘Landen worden afhankelijk van import of juist van export, zoals wij. Vooral nu, tijdens de coronacrisis, zie je daar de gevolgen van. Wij zitten met enorme aardappeloverschotten, terwijl elders ernstige tekorten dreigen.’

Dan hebben we in Nederland wel makkelijk praten, als we lokaler gaan produceren en eten. Wij wonen hier in een vruchtbare delta met heel veel voedsel. Wij redden het wel. Maar in landen waar niet zo’n prettig klimaat is om voedsel te verbouwen zijn ze niet voor niets afhankelijk van de import.

De Boer: ‘Daarom blijft handel ook nodig. Maar nu ligt driekwart van het land dat we gebruiken voor onze voedselconsumptie buiten Nederland. Terwijl we heel veel voedsel produceren en exporteren! We zijn in een ontzettend rare kronkel terechtgekomen. Er is zoveel onnodig transport.’

De discussie over de toekomst van de voedselproductie lijkt soms uit twee kampen te bestaan. Zoals Charles C. Mann beschreef in zijn boek The Wizard and The Prophet: je hebt de ‘tovenaars’, die geloven in globalisering, vooruitgang en technologie, en de ‘profeten’, die denken dat we terug moeten naar lokale, kleinschalige en lagere productie. In welk kamp zitten jullie?

‘We kiezen geen kant,’ zegt De Boer. ‘We combineren the best of both worlds. In de basis hameren we op de ecologische principes, maar die kun je prima combineren met technologie. Bijvoorbeeld met strokenteelt: als je verschillende gewassen door elkaar teelt, maak je effectiever gebruik van de stoffen in de bodem, ben je beter bestand tegen droogte en ziektes en hoef je geen pesticiden te gebruiken. Die stroken kun je op grote schaal telen en in de toekomst zullen we drones en robots kunnen inzetten voor het monitoren en oogsten.

We zijn ook niet tegen het gebruik van kunstmest of genetische modificatie. Maar ook met klassieke veredeling kunnen we robuuste gewassen ontwikkelen die beter kunnen omgaan met de droogte en de verzilte bodem die door klimaatverandering zullen ontstaan. Een typische “tovenaarsaanpak”, met het fundament van de ecologisch “profeten”.’

De Olde: ‘We hebben veel geleerd van de biologische en ecologische beweging, maar van ons hoeft niet alles per se biologisch te worden. We spreken ons wel heel duidelijk uit tegen het gebruik van pesticiden en herbiciden vanwege het effect dat die hebben op de bodem en de biodiversiteit.’

Zijn de opbrengsten niet veel lager zonder het gebruik van pesticiden? Zodat je meer land nodig hebt om hetzelfde te produceren, terwijl grootschalig landgebruik en ontbossing juist tot de grote oorzaken van klimaatverandering behoren?

‘Dat is nog maar de vraag,’ zegt De Boer. ‘Die pesticiden maken ook een hele hoop kapot, zoals nuttige insecten. Als je dat niet meeneemt in je berekeningen, krijg je een vertekend beeld. Als je de winst voor de biodiversiteit wel meeneemt, dan kun je met strokenteelt misschien wel een hogere opbrengst halen. Het probleem is alleen dat we die stroken nu nog moeilijk kunnen oogsten met grote machines. In de toekomst moet dat mogelijk worden, daar wordt nu hard aan gewerkt.’

Mensen zullen ook hun eetpatronen moeten aanpassen: volkoren in plaats van witbrood, seizoensgebonden en nog onbekende groenten als zeekool en Nieuw-Zeelandse spinazie, veel minder dierlijke producten en de dieren die we eten van kop tot staart, met ingewanden, oren en al. Zit de Nederlandse consument daarop te wachten?

‘We moeten consumenten bewuster maken van het belang van goed eten,’ zegt De Olde. ‘Wat je eet heeft invloed op je lichaam en gezondheid, en op de planeet. Daarom pleiten we ook voor voedselonderwijs als verplicht vak op alle scholen. Duurzaam eten moet normaal, aantrekkelijk en makkelijk zijn. Als de omgeving verandert, van kantine tot supermarkt tot restaurant, dan verandert de consument ook.’

De Boer: ‘Veel mensen zullen zich de komende tijd gaan afvragen of het eten van dierlijke producten nog wel zo ethisch is. Je ziet dat er nu nog veel cognitieve dissonantie is: mensen kijken toch liever de andere kant op. Maar we weten met de dag meer over de gevoelens, intelligentie en de empathie van dieren. Dus ik denk dat het een natuurlijk proces is dat we met z’n allen minder vlees, zuivel en eieren gaan eten.’

Moeten we allemaal veganistisch worden?

‘We hebben uitgerekend dat er een effectieve plek is voor dieren in een voedselsysteem,’ zegt De Boer. ‘Of je ze ook moet doden en opeten, dat is een ethische vraag die mensen zelf zullen moeten beantwoorden. Ik worstel daar persoonlijk ook mee. Ik eet nog amper vlees, maar vind het nog wel moeilijk om zuivel en eieren te laten staan en mijn man vindt vlees lekker.’

De Olde: ‘Als we ons in ieder geval wat meer bewust zijn van waar eten vandaan komt, en hoeveel moeite het kost om het te produceren, dan hoeven we niet allemaal veganistisch te worden. Ik zou graag zien dat we als consument bewust kiezen voor een bepaald productiesysteem. Dat vraagt meer bewustwording en transparantie.’

We spraken De Boer ook over haar visie op de veestapel in dit profiel over D66-Kamerlid Tjeerd de GrootWat drijft 'boerenboeman' Tjeerd de Groot (D66)? 'Ik sta elke dag op om de wereld te veranderen'30 mei 2020 

Die keuze wordt ook vaak bepaald door de portemonnee van de consument. Zeker op de lagere treden van de sociaaleconomische ladder kijken mensen naar wat ze kunnen betalen. Duurzame producten zijn niet bepaald goedkoper.

De Boer: ‘De voedselprijzen van nu zijn geen eerlijke reflectie van de kosten. Voedsel is eigenlijk gigagoedkoop. Als je alle kosten meerekent, ook die van het milieu en dierenwelzijn, dan zijn duurzame producten niet per se duurder. Dus het is maar net hoe je naar de economie kijkt. Bij een duurzamere voedselproductie hoort een eerlijke prijs in de winkel.’

Een ‘eerlijke prijs’ in de supermarkt is makkelijk gezegd als je dat zelf kunt betalen.

‘Dat klopt,’ zegt De Olde. ‘Dat is een mogelijke trade off: dat ongelijkheid door deze transitie juist wordt vergroot. We moeten echt heel goed gaan nadenken hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen met een minder hoog inkomen ook gezond en duurzaam kunnen eten.’

‘En dus anders nadenken over de complete economie,’ stelt De Boer. ‘Waar komt die ongelijkheid vandaan? Dat komt niet uit het voedselsysteem. Het is een beetje flauw om de sociaaleconomische ongelijkheid alleen te koppelen aan voedsel. Maar we willen wel gezond en duurzaam voedsel voor iedereen. Daarom vergt deze transitie een ander economisch bestel, waarin de oorzaken van sociale ongelijkheid worden aangepakt, en niet de gevolgen daarvan.’

Willen de boeren wel veranderen? We hebben de afgelopen maanden veel protesten gezien van boeren die protesteren tegen veranderingen en die bang zijn om hun verdienmodel te verliezen.

De Olde: ‘Ten eerste moeten de Europese landbouwsubsidies worden aangepast. Je ziet daar nu de eerste stappen voor in de Green Deal en de From Farm to Fork-strategie van Frans Timmermans in de Europese Commissie. En we moeten dus zichtbaar maken wat de meerwaarde is van duurzaam boeren, zodat mensen ook bereid zijn om wat meer te betalen.’

De Boer: ‘Nu verdienen tussenschakels in de keten − bedrijven als FrieslandCampina en Ahold − relatief veel meer dan de boer. Daar zit ruimte. En boeren willen wel veranderen, maar ze zijn boos door de regels die keer op keer wijzigen. Eerst was er het fosfaatprobleem, toen de stikstofcrisis en straks komen er strengere klimaatregels. Ze weten niet wat de toekomst brengt. Daarom is het zo belangrijk om een visie te maken voor de lange termijn. Onze boeren, tuinders en vissers vragen hierom. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer die duidelijkheid er voor de lange termijn is en we boeren waarderen voor al hun diensten, ze ondernemend en creatief genoeg zijn om gezond en duurzaam voedsel voor iedereen te produceren’.