Het werd niets met het schrijven als hij zich de scène die hij op papier moest krijgen niet in zijn verbeelding voor zich kon zien, schreef Gustave Flaubert, de schrijver van Madame Bovary. Hij moest voor zich zien hoe Emma en haar minnaar paardreden tijdens de eerste verleidingsscène en hoe ze de geur van de vergeelde bladeren in het bos opsnoven. Dus maakte Flaubert zelf die paardenrit. Hij zag het nu goed voor zich. Hij was eenvoudig voor de duur van de rit de minnaar én de minnares, schreef hij onmiddellijk daarna aan zijn vriendin Louise Colet.

Je zou niet denken dat de vertaler van Madame Bovary op zijn beurt de wens koestert om Flaubert te zijn op het moment van het schrijven van die verleidingsscène. Toch is dat waar Hans van Pinxteren op uit was toen hij Madame Bovary en daarna Salammbo en De leerschool der liefde van Flaubert vertaalde. Bij het vertalen van een heftige scène in Salammbo, waarin sprake is van de misselijk makende geur van mensenoffers, stelde hij zich voor dat hij zich op dat moment ‘met Flaubert in dezelfde ruimte’ bevond. Voor Van Pinxteren is het noodzakelijk dat hij zich in de ‘diepe lagen en de krochten’ van een schrijver begeeft.

Over hun hoofdbrekens, inzinkingen, uitputtingslagen en dilemma’s hoor je vertalers zelden. Het is verborgen leed dat hoort bij het metier, zullen ze denken. Hans van Pinxteren is er tamelijk openhartig over in Hoe ouder hoe vrolijker, het boek waarin hij op zijn tachtigste ‘beschouwingen en verhalen over reizen en verdwalen, schrijven en vertalen, liefde en vriendschap’ heeft verzameld. Dat reizen en verdwalen brengt Van Pinxteren door de jaren heen al dan niet liftend in Afghanistan, China, in Egypte en langs de zijderoute. Op die tochten maakt hij onder meer kennis met het Taoïsme en Boeddhisme omdat ze in vergelijking met de westerse filosofie zulke luchtige en relativerende wijsheden te bieden hebben. Ze geven niet zo erg om logica. Dat kan wel eens vreemd kan uitpakken. Zoals wanneer Van Pinxteren in Bamyan de lege ruimtes in de rotsen bezoekt waar zich de door de Taliban opgeblazen Boeddhabeelden bevonden. Heel erg treurt Van Pinxteren daar niet om omdat het toch al niet de bedoeling van het Boeddhisme was dat er afbeeldingen van de Boeddha gemaakt zouden worden. Dat is wel heel erg relativerend.

woordalchemisten

Een vertaler heeft ook een privéleven, blijkt uit wat Van Pinxteren schrijft over verliefdheden, familie, vader, ooms en grootvaders. En over zichzelf en de beklemming die hij tot de laatste schooldag voelde op zijn Jezuïtenschool. Maar ook over de leraar Frans pater Kropman die hem de liefde voor Frankrijk en de Franse taal bijbracht. Door de bespreking van een roman van Simenon begreep hij dat het niet zomaar een verhaal was, maar ‘een weloverwogen compositie’. Dat was een ontdekking waar hij zijn vertalerschap op baseerde.

De vertaler weet alles van het boek: hij kent de betekenis van de woorden, de harmonie van het proza, het ritme van de zinnen en hij is vertrouwd met de kleurklank van de woorden.

Het vertalerschap van Hans van Pinxteren is een enorme uitvergroting van het gewone lezen. Wanneer lezen betekent dat je meer weet en beter weet, dan betekent vertalen nog beter weten. Vertalen verscherpt de waarneming, zorgt er voor dat de reikwijdte en de diepgang van een roman worden gepeild. Er ontstaat vaak een speciale band met de schrijver: de vertaler komt min of meer in de geheime kamers van de schrijver. De vertaler weet alles van het boek: hij kent de betekenis van de woorden, de harmonie van het proza, het ritme van de zinnen en hij is vertrouwd met de kleurklank van de woorden. Van Pinxteren zoekt naar de emotionele onderlaag, daar bloeit de tekst uit op. De schrijvers die Van Pinxteren vertaalde zijn woordalchemisten.

net zo gek

Van Pinxterens is openhartig over zijn métier en over de hoogten en diepten waarmee hij te maken kreeg bij het vertalen van Rimbaud, Flaubert, Balzac, Montaigne, Stendhal – niet de makkelijkste schrijvers. De Franse schrijver Georges Perec zei eens tegen Van Pinxteren: ‘om Rimbaud te vertalen moet je misschien net zo gek zijn als hij.’ Door het vertalen van Rimbaud maakte Van Pinxteren kennis met een originele, nog niet eerder gehoorde taal die zelfs voor de Fransen niet meteen toegankelijk was. Van Pinxteren had vanaf 1975 de niet geringe ambitie om daar een Nederlands equivalent voor te bedenken. Van Pinxteren werkte ‘van binnenuit’, groef zich diep in, werd van buitenstaander een insider.

Met die ervaring kon hij ook Flauberts Salammbo gaan vertalen, een roman gesitueerd in de derde eeuw voor Christus over de huurlingenoorlog tegen Carthago. Een roman over een beschaving die te maken krijgt met de weerstand van verdrukte groepen. Een thema dat zich zonder moeite naar de negentiende eeuw en naar onze tijd laat verhuizen, al zal men niet makkelijk wennen aan de hier vertoonde wreedheden. Van Pinxteren vond dat hij er alleen aan kon beginnen als hij zich de schrijversethiek van Flaubert eigen maakte: er veertien uur per dag mee bezig zijn. Flaubert: Alleen als je je ‘tot over je oren volstopt met je onderwerp zweet een boek waarheid uit en komt de kleur heel natuurlijk en onafwendbaar op, als de bloem zelf van de idee.’ Dat wilde niet zeggen dat Van Pinxteren tegen alles bestand was wat Flaubert in zijn verbeelding opriep: de taferelen over het ‘offer’ van driehonderd kinderen werden hem te veel en verschijnselen van ‘uitputting en neerslachtigheid’ waren zijn deel. Toen de vertaling van Salammbo af was heeft hij wekenlang niet of nauwelijks gesproken, hij had moeilijk terug te keren naar zijn ‘eigen denken en handelen’.

Ook al is Hoe ouder hoe vrolijker in de geest van Van Pinxterens versie van het Taoïsme luchtig geschreven, het vertalen is voor Van Pinxteren geen luchtig bedrijf. Het soort schrijvers dat Van Pinxteren heeft vertaald vroeg erom dat hij zich vereenzelvigde met de wereld van de schrijver, diep in ‘de lagen en de krochten’ moest afdalen om in zijn buurt te komen. Hij kan dan wel eens wegzinken ‘naar de diepere lagen’ in zichzelf’. Ondertussen is het wel zeker dat Van Pinxteren in zestig jaar vertalen een kleine tien romans heeft vertaald waarvan de vertaling nog wel een tijdje meegaat. Hij voldeed immers aan het milde dictaat van Flaubert dat proza moet klinken als goede poëzie.

Hoe ouder hoe vrolijker door Hans van Pinxteren is uitgegeven door Uitgeverij Oever.