Dit verhaal komt uit de nieuwe Vrij Nederland, die vanaf vandaag in de winkels ligt. Bestel ‘m hier!

Af en toe hoor je iemand over jou praten op een manier die je blik op jezelf verandert. De eerste keer dat een passant je zijdelings aanduidt als ‘die mevrouw’, om daarmee je volwassenheid terloops officieel te maken. Een mailtje over jou dat per ongeluk aan jou wordt verzonden (strekking: we vinden je leuk, maar je bent niet bekend genoeg om aan te schuiven bij onze prime time talkshow). Een appgroep die denkt dat jij de groep verlaten hebt, waardoor de deelnemers zich vrij voelen verwend gedrag – een sleutel lenen en vervolgens nooit teruggeven – te categoriseren als ‘echt iets voor Doortje’. (Mochten jullie meelezen: ik ben inmiddels wel uit de groep.)

Een van mijn meest vormende ervaringen uit deze categorie is afkomstig van ofwel Arthur ofwel Jarmo Berkhout – een tweeling die ik ken van de middelbare school en met wie ik daarna filosofie studeerde. Decor van de uitspraak was het eindexamenfeest van een klasgenoot – we waren allemaal achttien en net geslaagd. Ik liep door de gang richting de huiskamer, en denk dat het Arthur was – maar zeker weten doe ik het niet – die ik door de muur heen over mij hoorde zeggen: ‘O, Doortje, die búlkt van het culturele kapitaal.’

Later die avond googelde ik in bed op ‘cultureel kapitaal’ – ik had net mijn eerste smartphone, een BlackBerry Bold 9900. Ik weet niet meer precies wat er destijds op Wikipedia stond, maar het zal niet heel anders zijn geweest dan de huidige omschrijving: ‘het geheel van kennis, cognitieve vaardigheden en opleiding van een persoon waarmee sociale privileges verworven of behouden kunnen worden.’

Vanuit mijn bed – met daarboven een ingelijste uitsnede van een fresco uit de Sixtijnse Kapel – staarde ik het donker in, met een gevoel dat het midden hield tussen op heterdaad betrapt en door en door begrepen.

Het zou nog wel even duren voor ik zou begrijpen wat Wikipedia bedoelde met ‘sociale mobiliteit’ en een ‘geïnstitutionaliseerd netwerk’, andere begrippen die bij cultureel kapitaal kwamen kijken, maar de deur naar een breder besef van klassen, van ongelijkheid, en van het feit dat ik als gymnasiumkind uit Amsterdam-Zuid ontegenzeglijk aan de gunstige kant van die maatschappelijke kloof stond, werd die avond op een kier gezet.

Het idee dat alles wat ik de achttien jaar daarvoor als vanzelfsprekend had aangenomen – museumbezoeken, kinderopera’s, thuis boeken lezen, elk jaar zomervakantie én skiën – dat dat een manier was om je bewust of onbewust te verheffen boven een ander deel van de samenleving. Het voelt bizar om dit nu op te schrijven, maar destijds had ik er gewoon nog nooit op die manier over nagedacht.

Jarmo (links) en Arthur Berkhout
Andere werelden

Zij wel dus, Arthur en Jarmo. Twaalf jaar later zitten we in een studioruimte op het Groene Veld – een vroegere rioolwaterzuivering langs de A10 in Amsterdam-Noord, waar bewoners van het voormalige ADM-terrein drie jaar geleden hun intrek hebben ingenomen na de ontruiming van hun eerdere verblijfplaats in het Westelijk Havengebied. Aanleiding van ons gesprek is het verschijnen van hun eerste boek, Anti-nihilisme. Engagement in de 21ste eeuw, deze maand bij uitgeverij Pluijm.

De tweeling wilde hier afspreken omdat het volgens hen een plek is die ‘laat zien hoe het ook kan’. Met ‘hoe het ook kan’ bedoelen ze: anders dan de heersende norm van alle vrije ruimte in de stad zo snel mogelijk laten opkopen door de hoogste bieder, om er vervolgens dure appartementen of hotels op neer te zetten.

Op deze slibvelden wordt geëxperimenteerd met nieuwe manieren van samenleven en niet-commerciële initiatieven: open tuinwerkdagen, gratis concerten, workshops textiel bedrukken met verse bloemen. Er staat een stalen constructie waarvan niet duidelijk is of het kunst is, of een werktuig buiten gebruik; een groot deel is overwoekerd door planten. Af en toe rijdt er een auto het terrein op en daarna weer af – onduidelijk met welk doel precies.

‘Wij waren natuurlijk niet de standaard Barlaeus-kinderen,’ vertelt Jarmo in een van de lichte, lege studioruimtes. ‘Niet dat we nou echt working class zijn…’
‘Eerder lagere middenklasse,’ gaat Arthur verder.

Zoals wel meer tweelingen beschikken Jarmo en Arthur over de jaloersmakende dynamiek van elkaars zinnen aanvullen en afmaken zonder dat het overkomt als onderling wedijveren of als overdreven amicaal. ‘Op de middelbare school mengden wij met een heel ander milieu dan ons eigen. Wij woonden niet in een enorm huis in Oud-Zuid of aan de grachten, maar in de Dapperbuurt. Wij speelden voetbal in plaats van hockey. Wij hadden toegang tot een andere wereld, maar het werd al snel duidelijk dat die Barlaeus-kinderen geen idee hadden dat er nog andere werelden bestonden naast die van hen.’

Jarmo: ‘Toch waren we op dat moment ook zelf niet echt doordrongen van het idee dat het gymnasium een instituut was voor elitevorming.’

Arthur: ‘Dat realiseerde ik me pas toen iedereen aan het eind van de zesde bij het corps ging. Ik was totaal in shock. Dat had ik echt niet zien aankomen.’

Jarmo: ‘Ineens zie je hoe die elite zichzelf in stand houdt, met dat standaard rijtje: eerst gymnasium, daarna rechten of medicijnen plus corps.’

Arthur: ‘Ik zag onze school voor dat shock-moment vooral als een plek waar je lekker veel kon leren. Geweldig toch, dacht ik altijd, de hele dag over literatuur praten en Latijn lezen, haha.’

Jarmo: ‘Sowieso kwamen de echte discussies over ongelijkheid in onze samenleving pas na die tijd op gang. We hadden destijds nog niet het vocabulaire om die klassenverschillen te benoemen. Dat is nu anders. Misschien dat leerlingen op het Barlaeus inmiddels al beter bekwaam zijn dat soort dingen onderling te bespreken. Dat wil niet zeggen dat ze meteen allemaal de barricades opgaan om hun eigen school af te breken, maar…’
Arthur: ‘…kwestie van tijd.’

Jarmo en Arthur Berkhout
Jarmo Berkhout
Geloven in verandering

Na het Barlaeus gingen we alle drie filosofie studeren aan de Universiteit van Amsterdam – Arthur deed ook nog geschiedenis. In die periode bestendigde de tweeling hun reputatie – vanuit mij bezien – als jongens die altijd net iets meer leken te weten dan de rest.

Al snel bleek dat dat praten over filosofie en maatschappij van Arthur en Jarmo – in het café en in de wandelgangen ook wel de Berkhout Boys genoemd – niet bij praten zou blijven.

Terwijl het mij uren kostte om me door een paar bladzijden Nietzsche te worstelen, spraken zij direct over Hannah Arendt en Ludwig Wittgenstein alsof ze die al jaren lazen – ik sluit niet uit dat dat ook echt het geval was. En meer nog dan dat ze spraken over filosofie, leken ze filosofie te leven. Dit waren de types die voor hun plezier tot diep in de nacht in het café zaten te praten over de rol van paranoia in het werk van Theodor Adorno en de vraag of je Houellebecq moest lezen als satire of als serieuze maatschappijkritiek.

Terwijl types als ikzelf vooral bezig waren met de randzaken van studeren: uitgaan, verliefd worden, en die alsmaar teleurstellende poging een zelfstandig leven te leiden dat zo leuk was als je je vooraf had voorgesteld.

Al snel bleek dat dat praten over filosofie en maatschappij van Arthur en Jarmo – in het café en in de wandelgangen ook wel de Berkhout Boys genoemd – niet bij praten zou blijven. Terwijl ik streberig opging voor een tweede duale master in de Journalistiek – mijn ogen allang gericht op die prangende vraag wat je in godsnaam aan baankansen creëert met alleen een filosofiestudie – bezetten zij het Maagdenhuis in protest tegen de bezuinigingen op onze faculteit. Tijdens mijn stage bij NRC Handelsblad vormde hun activisme een dankbaar onderwerp voor mijn eerste stukken in de krant.

Inmiddels werkt Jarmo in de noodopvang voor Oekraïense vluchtelingen en doet Arthur onderzoek voor het wetenschappelijk bureau van de vakbeweging. Meer nog dan dat ze filosofie leven, leven ze misschien wel verandering – of in elk geval het geloven in verandering; in een ander model, een nieuwe werkelijkheid.

Arthur Berkhout
Arthur Berkhout
Utopie

Anti-nihilisme vertrekt vanuit hun eigen verzet tegen de status quo – vanuit hun ervaringen met het bezetten van het Maagdenhuis. Het was een tijd waarin niet alleen op de universiteit in Amsterdam protest ontstond, schrijven ze – de hele jaren tien van deze eeuw kun je zien als een decennium waarin men in opstand kwam tegen de ‘verstikkende mantel van de neoliberale consensus’, zoals Jarmo het noemt. ‘De vanzelfsprekendheid van het heersende systeem was door de economische crisis verdwenen, dus konden we onszelf weer vragen stellen, en een mogelijkheid van nieuwe werelden voor ons zien.’

Jarmo: ‘Het is een misvatting te denken dat globalisering een wegvallen van grenzen betekent. Het is juist een vermenigvuldiging van grenzen en verschillende grensregimes.’
Arthur, tegen Jarmo: ‘Probeer niet zo in technische termen te praten.’

Als voorbeelden van die nieuwe werelden noemen ze de massale migratie vanuit Syrië, in 2015 en 2016. ‘Ruim een miljoen mensen probeerde destijds Europa binnen te komen,’ zegt Jarmo. ‘En wat toen gebeurde, is exemplarisch voor die tijd. Een deel van de mensen begon mee te helpen – veel activisten reisden naar Griekenland om vluchtelingen op te vangen. Tegelijkertijd ontstond er een backlash: een sentiment van anti-migratie, vooral op rechts. Dat leidde tot een herziening van het Europese grensbeleid – eigenlijk een afsluiten van ons eigen territorium. Terwijl dus enerzijds een utopie waarneembaar werd – iedereen kwam samen in een nieuwe, open gemeenschap – ontstond anderzijds een snoeiharde repressie.’

Dat heeft er ook toe geleid, gaat Arthur verder, dat het populisme als politieke stroming is versterkt.

In jullie boek schrijven jullie problemen te hebben met de term ‘populisme’. 

Arthur: ‘De meeste mensen gebruiken die term om een soort anti-liberalisme en anti-elite aan te duiden, en doen alsof populisme niet per se links of rechts is. Maar dat slaat nergens op. Daarvoor hoef je alleen maar naar iemand als Thierry Baudet te kijken: een extreem elitaire mens die een deel van het volk mobiliseert, zogenaamd tégen de elite.’

Jarmo: ‘Populisten zijn niet tegen liberalisme of elite, maar tegen links.’
Arthur: ‘Ze zijn ook niet tegen globalisering, zoals vaak wordt gedacht, maar tegen een bepaalde vorm van globalisering. Ten onrechte hebben veel mensen het idee dat je enerzijds het liberalisme hebt dat alle grenzen wil opengooien, en anderzijds een soort evil populistisch nationalisme dat die grenzen juist wil sluiten. Maar dat hele globaliseringsideaal kan juist niet bestaan zonder het in stand houden van landsgrenzen.’

Jarmo: ‘Het is een misvatting te denken dat globalisering een wegvallen van grenzen betekent. Het is juist een vermenigvuldiging van grenzen en verschillende grensregimes.’
Arthur, tegen Jarmo: ‘Probeer niet zo in technische termen te praten.’

Jarmo: ‘Oké, simpeler gezegd: moderne globalisering bestaat alleen voor mensen met een bepaald soort paspoort. Het tuigt verschillende grensregimes op voor verschillende mensen, om zo de hele wereldbevolking te reguleren. En dat is nodig voor kapitalisme op wereldschaal.’

Misschien kun je zeggen: moderne globalisering maakt de wereld groter voor de ene groep en kleiner voor de andere groep.

Arthur: ‘Nog beter kun je zeggen dat het de wereld verdeelt in verschillende delen. Of dat er verschillende paspoorten bestaan voor verschillende soorten mensen. Het proces van globalisering houdt een regulering in van onze mobiliteit. Niet iedereen kan zomaar de grens over.’

In Anti-nihilisme schrijven jullie ook over de moderniteit als een opheffen van limieten. Terwijl limieten volgens jullie noodzakelijk zijn voor een zinvol bestaan. Waarom is dat?

Jarmo: ‘Dat idee hebben we geleend van Bruno Latour. Een Franse socioloog, filosoof…’

Arthur: ‘Hij wil geen filosoof genoemd worden, hè.’
Jarmo: ‘Hij doet maar wat hij wil. In elk geval: Latour spreekt niet over globalisering maar over modernisering. Hij beschrijft dit als een proces dat van het lokale naar het globale beweegt: van een situatie waarin mensen totaal contextgebonden leefden en niet wisten wat zich afspeelde aan de andere kant van de wereld, naar een situatie waarin we de aarde bezien als vanuit het heelal – als een geabstraheerd hemellichaam dat je van veraf kunt beschouwen, zonder dat je er zelf deel van uitmaakt. En vanuit die afstandelijke, globale blik wordt elk proces op aarde onderhevig gemaakt aan dezelfde logica: die van vermeerdering en schaalvergroting.’

Hoe merk je dat in het dagelijks leven?

Jarmo: ‘Sociale media zijn een goed voorbeeld van die benadering. Het is een absurd idee dat alle mensen op alle locaties op de wereld momenteel gereguleerd worden door één algoritme dat op één plek is gemaakt.’

Arthur: ‘Vrijwel alle processen die ons leven momenteel vormgeven, zijn manieren om ons te onttrekken aan de directe, contextgebonden ervaring. En die processen worden aan ons gepresenteerd als vormen van keuzevrijheid. Alsof alles wat je doet, berust op jouw eigen keuze. Je mag veganist zijn of vlees eten; vliegen of niet – wat jij wil. Het idee is dat er geen limieten mogen zijn aan de expansie van onze eigen keuze. En de politiek is er constant op gericht dat te faciliteren.’

Jarmo en Arthur Berkhout

Af van dat persoonlijke perspectief

Je kunt eigenlijk niet anders dan knikken en ja mompelen, als je Arthur en Jarmo zo hoort praten.

Ze hebben gelijk, zeker, maar tegelijk vraag ik me af: hoe moeten we omgaan met dit soort waarheden? Terwijl ik me best bewust ben van al dit soort systemen en hun negatieve effecten, doe ik zelf elke dag toch zeker tien dingen die precies die systemen in stand houden – als het er geen honderd zijn.

Arthur: ‘We zijn allemaal zo bezig met onze eigen onschuld bewijzen, terwijl engagement pas echt begint op het moment dat je accepteert dat je schuldig bent.’

Maar als ik Arthur en Jarmo vraag hoe dat voor hen is – zij zullen toch ook wel eens iets doen, denken of kopen dat ingaat tegen hun eigen idealen? – wijzen ze me direct op de individualistische, neoliberale houding die aan dat soort gedachten ten grondslag ligt.

Arthur: ‘Een van de redenen voor ons om dit boek te schrijven, is dat we juist af willen van dat persoonlijke perspectief.’

Dus jullie doen geen uitspraken over jullie eigen acties.

Jarmo: ‘Het punt is dat je zonder daar zelf voor te kiezen medeplichtig wordt gemaakt aan die systemen. En ik denk dat het geen zin heeft om je daar alsmaar heel schuldig over te voelen. Zinniger is het na te denken over andere vormen van politiek en andere vormen van subjectiviteit. Wat wij willen, is kortsluiting maken tussen die grote macroprocessen en wat die precies betekenen voor het subject.’

Arthur: ‘Dat is wel heel technisch gezegd.’
Jarmo: ‘Té technisch gezegd?’
Arthur: ‘Ik zit na te denken hoe je dit anders kunt verwoorden…’
Jarmo: ‘Het punt is: wij willen niet meedoen aan de individualisering van de verantwoordelijkheid.’

Vinden jullie dat dat te veel gebeurt?

Jarmo: ‘Absoluut.’

Arthur: ‘Zeker in Nederland.’

In de zin van bijvoorbeeld vliegschaamte en consumentenactivisme?

Jarmo: ‘En ondertussen terugdeinzen voor de vragen die echt relevant zijn.’

Ik denk dat dat terugdeinzen ook te maken heeft met de eindeloosheid van het domein waarin je terechtkomt op het moment dat je dit soort vragen gaat stellen. Wie geen vlees eet of niet vliegt, kan zich op een overzichtelijke manier een goed mens voelen. 

Jarmo: ‘Ja, en dat is dus een heel apolitieke houding. Dat soort lifestylekeuzes worden pas zinvol als je ze politiseert.’

Arthur: ‘We zijn allemaal zo bezig met onze eigen onschuld bewijzen, terwijl engagement pas echt begint op het moment dat je accepteert dat je schuldig bent. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de boerenprotesten – het klopt dat die boeren niet honderd procent schuldig zijn aan het stikstofprobleem. Maar de vraag is vervolgens: wat doe je met de huidige status quo? Een geëngageerde houding is: alsnog verantwoordelijkheid nemen, ook al ben jij niet alleen en niet volledig schuldig. Dat kan een katalysator zijn om werkelijk in actie te komen en iets te veranderen. Een andere benadering is die verandering blokkeren.’

In jullie boek karakteriseren jullie de moderne mens als iemand die altijd onderweg is – vergelijkbaar met een vluchteling. Hoe ziet dat constante onderweg zijn eruit?

Arthur: ‘Het moderne kapitalisme behelst een breuk met de niet-moderne ervaring van tijd en kosmos. Niet-moderne concepten van tijd relateren terug – naar voorouders, naar eeuwenoude cycli. In het huidige concept van tijd hebben we een oorsprong maar geen eindpunt. Het opent de tijd als lineair. Snap je dat? Je hebt ook filosofie gestudeerd, toch.’

Je bedoelt dat tijd iets objectiefs wordt – we moeten altijd vooruit.

Jarmo: ‘Precies. Het is onmogelijk je aan dat idee te ontworstelen. Het is momenteel heel moeilijk om zelf te besluiten dat je liever volgens een cyclisch tijdsbegrip zou willen leven.’

Arthur: ‘Dan krijg je een beetje dat zweef-achtige…’
Jarmo: ‘Ja, maar al die samenzwevers en yogarechtse types hebben wel een zinnige behoefte, namelijk aan andere vormen van samenzijn, van verbinden. Maar ook daarvoor geldt dat het probleem is dat mensen dat soort behoeften niet politiseren, niet beschouwen als iets collectiefs.’

Arthur: ‘Mensen denken dat het aan henzelf ligt als ze een burn-out krijgen.’
Jarmo: ‘Daarom vormen de jaren zestig voor ons nog steeds zo’n grote inspiratie. In die periode werd het politieke echt persoonlijk: mensen gingen het ideaal van systeemverandering combineren met experimenteren met andere manieren van leven. Dat was heel vruchtbaar.’

Ondertussen zijn veel van die experimenten uiteindelijk mislukt. Gratis kinderopvang is er bijvoorbeeld nooit gekomen; De Nederlandsche Bank werd ondanks felle protesten gewoon gebouwd in de Amsterdamse binnenstad; het witte-fietsenplan was een leuk idee maar een ramp in de praktijk. 

Arthur: ‘Dat is natuurlijk een heel neoliberale zienswijze: er is een plan, en als dat niet lukt, heeft het gefaald. Maar revolutionaire politieke impuls brengt altijd effecten met zich mee die je niet had voorzien. Het is voor moderne mensen heel lastig om iets te beginnen waarvan de uitkomst niet vaststaat, waarvan de meetbaarheid van het uiteindelijke succes niet duidelijk is. Toch pleiten wij ervoor om alsnog die moed tot het nieuwe en onbekende op te vatten.’

Optimisme is iets voor de elite, schrijven jullie. In hoeverre behoren jullie tot die elite?

Jarmo: ‘We bedoelen daarmee een soort optimisme richting het historische verloop. Een vertrouwen in een goede uitkomst. Dat kun je alleen hebben als je observeert van een afstand en niet geconfronteerd wordt met de mensen die het gewicht dragen van dat historische verloop. Als je profiteert, dus.’

Arthur: ‘Optimisme hangt samen met een vooruitgangsidee, het idee dat het wel goed komt, dat we heus wel een oplossing gaan vinden voor al die CO2-uitstoot. Maar dat idee gaat voorbij aan het feit dat de ontwikkelingen van de afgelopen eeuwen überhaupt niet mogelijk waren geweest zonder bijvoorbeeld kolonialisme en het onherstelbaar vernietigen van de natuur. Alleen al om die reden is die vorm van optimisme bizar te noemen. Maar dat betekent niet dat we dan maar pessimistisch moeten zijn. Zowel optimisme als pessimisme zorgt voor een passieve kijk op de mens. Een optimist denkt niet na over verandering. En een pessimist denkt dat verandering niet bestaat.’

Arthur Berkhout

Vertrouwen

Ze spreken veel mensen die behoorlijk fatalistisch zijn, vertellen Arthur en Jarmo. Die zeggen: het heeft toch allemaal geen zin meer, als individu kan ik niets doen, de aarde is toch al naar de klote. ‘Met dit boek willen wij tegen precies die mensen zeggen dat het altijd wél zin heeft om in actie te komen,’ zegt Arthur. ‘En ten tweede: dat die actie altijd al gaande ís. Zelfs onder de meest afgrijselijke omstandigheden proberen mensen altijd nog iets te veranderen. Er is nooit een punt waarop het niet zinvol is je bij hen aan te sluiten.’

‘We moeten gaan handelen op een andere manier dan we gewend zijn. En daar hebben we een nieuw soort moed voor nodig.’

Jarmo: ‘We willen niet tegen mensen zeggen wat ze precies moeten doen of pretenderen dat wij de antwoorden hebben. Wat we wel willen zeggen, is dat dit de tijd is om andere dingen te willen dan wat we hebben geërfd.’

Arthur: ‘Mag ik nog iets zeggen?’

Jarmo: ‘Uiteraard.’

Arthur: ‘Als je in je persoonlijke leven met een crisis wordt geconfronteerd, betekent dat dat je op een nieuwe manier moet gaan leven. En dat is precies wat er nu aan de hand is met de hele wereld. Onze manier van leven destabiliseert het leven zelf. Dat is de kwestie waar we nu voor staan. Een nihilistische houding is vervolgens toch vasthouden aan die manier van leven. Terwijl het absoluut niet erg is als de samenleving zoals die nu bestaat niet door kan gaan. Dat is niet het probleem. Het probleem is niet dat we in de toekomst misschien niet dezelfde liberale vrijheden zullen hebben die we nu hebben; dat we misschien met minder moeten gaan leven. Het probleem is de actuele ondermijning van het leven door onze huidige leefwijze. En die situatie stelt ons voor een taak: we moeten gaan handelen op een andere manier dan we gewend zijn. En daar hebben we een nieuw soort moed voor nodig. En vertrouwen in onszelf en in elkaar.’

Zelf nadenken

Waarom is het zo vervreemdend om iemand over jou te horen praten? Vermoedelijk omdat je op zo’n moment even door je eigen vierde wand heen prikt – je breekt kortstondig met je eigen, beperkte point of view. Ineens zie je hoeveel andere zienswijzen er mogelijk zijn – op de wereld om je heen, op de mensen die je kent, op jou. Jouw waarheid is niet dé waarheid, slechts één waarheid – zelfs als het gaat om je visie op jezelf.

Anti-nihilisme leest op een bepaalde manier als een opgevangen gesprek over onze samenleving; over de lezer zelf en over de mens in het algemeen. Arthur en Jarmo voorzien je van een nieuwe zienswijze – een manier van kijken naar je eigen situatie die verder reikt dan je persoonlijke blik, die jouw gevoelens en handelingen in een breder perspectief zet.

Wat hopen ze, vraag ik – dat de lezers door hun boek spontaan de barricaden opgaan? Ja, natuurlijk, zeggen ze, maar meer realistisch gezien hopen ze vooral dat mensen ‘geraakt zijn’. ‘Wij komen natuurlijk niet met een kant-en-klare oplossing,’ zegt Jarmo, ‘zoiets als gratis geld voor iedereen. Wij denken dat mensen zelf moeten gaan nadenken. Want er is niet één oplossing voor alles. Er zijn talloze oplossingen, groot en klein. En het gaat erom dat mensen die samen gaan uitvinden.’