Ooms, tantes, oma’s, opa’s, buren, huishoudsters, kindermeisjes: alle mensen die niet direct tot een gezin behoren, maar er op enige afstand van staan, kunnen een heilzame invloed hebben op een kind waar ze zich een tijdje over moeten ontfermen. Dat kan zijn voor een vakantie, om uit te rusten, om ouders ruimte geven, voor een logeerpartij. Juist dat dichtbij familiale, maar toch gedistantieerde, schept een ruimte waarin een gevoel van vrijheid kan ontstaan voor kinderen. De oom, tante, oma of opa is maar betrekkelijk verantwoordelijk, staat er genoeg buiten om de last van het echte opvoeden niet te voelen. Het kind is weg van huis, afgesneden van dagelijkse gewoonten, in een nieuwe omgeving, en krijgt de gelegenheid om alles anders te doen. De wereld met andere ogen te zien.

In twee romans en een klein boek met herinneringen die het afgelopen jaar zijn verschenen komen zulke verhoudingen tussen kinderen en dichtbije vreemden voor: Adriaan van Dis’ Naar zachtheid en een warm omhelzen, Tommy Wieringa’s Nirwana en Judith Herzbergs Jo. Alle drie heel verschillend, maar ze hebben gemeen dat alle drie de vrouwen die zich over de kinderen ontfermen reddende engelen zijn. Beth in Nirwana, Ommie in Naar zachtheid en Jo bij Herzberg zijn voor de kinderen de warme omhelzing van Van Dis’ titel. Aan die omhelzing hebben ze thuis gebrek, daar komen hun ouders niet aan toe, of doen ze niet genoeg aan.

op schoot zitten

Hugo in Nirwana wordt door zijn gewelddadige tweelingbroer Willem voortdurend gepest en tot bloedens toe in elkaar geslagen. Zijn ouders bemoeien zich niet met de opvoeding van de jongens, dat laten ze min of meer aan Beth over, de huishoudster van de grootvader in zijn Wassenaarse villa. Zonder Beth zou de jonge Hugo verloren zijn. Wanneer ze door omstandigheden haar betrekking bij de grootvader op moet zeggen vat Hugo haar aanwezigheid in zijn leven samen: ‘Dit is de dag waarop hij ontdekt dat er onherstelbaar verlies bestaat. In de hele wereld zijn er maar twee levende wezens onmisbaar, Leopold [de hond] en zij. Ze heeft hem getroost en aangemoedigd, tuinbroeken voor hem genaaid en een maan, een zon en sterren op zijn favoriete spijkerjasje geborduurd. Ze is zijn moeder geweest.’

Hoewel Judith vaak toenadering zocht en wilde kussen en omhelzen, ‘ook veel later nog’, kwam het daar niet van.

Adriaan in Met zachtheid is nog een slagje gevoeliger dan Hugo en ‘smolt’ als achtjarige op Ommies schoot, ‘aanvankelijk tegenstribbelend’. Wanneer hij ‘gevangen was in haar armen gloeide hij van geluk’. ‘Niemand raakte hem thuis zo zacht aan.’ Zijn zusters soms als ze hem insmeerden met kajapoetolie om zijn zenuwen te kalmeren. Grootvader raakte hem nooit aan, hij verdeed zijn tijd niet met ‘aanstellerij’.

Hoe anders bij Judith Herzberg en Jo. Dat Jo, die vanaf Judiths geboorte in 1934 bij de familie Herzberg was, niet door haar op schoot werd genomen (‘Judith doe niet zo raar!’) doet niets af aan de hechtheid van de band tussen de twee. Hoewel Judith vaak toenadering zocht en wilde kussen en omhelzen, ‘ook veel later nog’, kwam het daar niet van. Het op schoot zitten was meer voorbehouden aan haar moeder. Dat mag zo zijn, haar moeder was bezig met haar carrière. Jo was er voor Judith (en niet voor haar veel oudere broer en zus).

fliebertjes

Aanleiding om het over Jo te hebben is de envelop die Judith Herzberg in 1991 van Jo had gekregen en samen met een verkruimeld leren mapje met foto’s na lange tijd terugvond. In de envelop zaten ‘fliedertjes’, tekeningen gemaakt toen ze vier, vijf of zes jaar was, papiertjes met een delicaat met kleurpotlood getekende bloem, een boom, een kabouter, een paar paddestoelen en een prachtige kaart voor Jo’s verjaardag. ‘Jo’ staat er vaak zo maar bij.

Judith mag dan niet bij Jo op schoot gezeten hebben, Jo kon geen middag of dag weg. Herzberg kan haar jonge leven indelen in de manieren waarop ze dan huilde. Het krijsen als baby ging over in brabbelend huilen als peuter, gevolgd door het echte schreien van verdriet, overgaand in het ‘nare geluid’ waarmee je iets van een ander gedaan kunt krijgen. Het stille snikken in haar kussen was iets voor na haar twaalfde. Herzberg kan zich bij dat huilen Jo goed herinneren. Dat herinneren lukt niet altijd. Het is heel vaak ‘tasten’ naar flarden en niet toegeven aan de aanvechting om maar iets te raden of te bedenken dat in de buurt komt.

Als niet-joodse mocht Jo in de oorlog niet langer bij de familie Herzberg werken. Ze komt bij mevrouw Wiarda Beckman (‘tante Dientje’) op de Apollolaan in dienst. Daar duikt Judith een tijdje onder. De familie Herzberg raakt op drift, woont in Boxtel, Wieringen, Amsterdam, Blaricum, en in kamp ‘De Biezen’ in Barneveld. Op de dag dat het kamp ontruimd wordt neemt Jo vanuit Amsterdam de trein naar Barnveld en ontmoet bij toeval op het perron de man die de vlucht van Judith en haar zus Esther heeft geregeld door hen in een greppel te verbergen. Daar schrikken ze zich dood van een Duitse herder die bij hen komt snuffelen. Die blijkt, net als zijn baasje, goedaardig te zijn. Judith wordt door Jo meegenomen naar Amsterdam. Daar moet ze weer naar een nieuw onderduikadres, dit keer helemaal in Groningen. Ook daar, zoals overal elders, verlangen naar Jo. De ouders zijn ondertussen lange tijd gescheiden geraakt van de kinderen, maar worden in 1945 herenigd in het gastvrije huis van tuinarchitect Mien Ruys aan de Amstel. Altijd was Jo voor Judith in de buurt en zorgde ze voor ‘reddingen’, of die nu gepland waren of het gevolg van toeval.

Jo van Herzberg, Ommie van Van Dis en Beth van Wieringa zijn sterke personages met wie gevoelens onder woorden worden gebracht die dankzij Herzberg, Wieringa en Van Dis zullen overleven.

Herzberg wil dat Jo al schrijvend en zoekend in haar geheugen tevoorschijn komt, liefst zo concreet mogelijk. Met wat ze zich weet te herinneren ‘overleeft’ Jo in haar. Opgedeeld overleefde ze ook al in de verschillende vrouwen die Herzberg in de loop der jaren voor haar toneelstukken heeft bedacht. Dat zijn de flinke, slimme, de zorgzame vrouwen. Ze probeert Jo nog dichterbij te halen door haar te vergelijken met Angela Merkel. Nog specifieker wordt Herzberg wanneer ze zegt Kamala Harris haar carrière richting Capitol Hill niet te misgunnen, maar toch overvalt haar een ‘weerbarstige wrevel’. Wat is de waarde van Harris’ carrière naast een Jo, een Jo die enthousiast komt laten zien wat er aan verweesde voorwerpen zit in de verrassingsdoos die ze op een veiling heeft gekocht. De Jo die in Herzberg overleeft is misschien geen spectaculaire vrouw, maar wel flink, slim en zorgzaam, iemand die om ‘fliebertjes’ geeft die voor Judith bewaard moesten worden.

Hoe verschillend van Jo ook, Ommie van Adriaan van Dis en Beth van Tommy Wieringa zijn ook twee sterke personages met wie, net als met Jo, gevoelens onder woorden worden gebracht die dankzij Herzberg, Wieringa en Van Dis zullen overleven.

Jo door Judith Herzberg is uitgegeven door De Harmonie.