‘Gods troon is nog ongeschokt’, schrijft Nescio aan het einde van zijn novelle Titaantjes (1914), maar ‘nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om ’m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten.’

Zijn er inderdaad nieuwe Titaantjes verschenen die God van zijn troon willen stoten om zelf de dienst uit te gaan maken? Er zullen zeker groepen jongens en meisjes zijn geweest die bij elkaar hebben gezeten, niet uitkijkend over de zee of leunend tegen het hek van het Oosterpark, zoals Nescio’s Titaantjes, maar in een disco, tijdens een popconcert, blowend, gamend, bizarre videofilmpjes kijkend.

Het Titaantjesschap duikt in elke generatie op. Negentien- of twintigjarigen barsten uit hun voegen van de lust om de wereld over te nemen, terwijl ze tegelijkertijd de onmogelijkheid ervan inzien.

In het verkleinwoord ‘Titaantjes’ zit al de vergeefsheid: een hoge borst opzetten, maar niet tot daden kunnen overgaan.

Dat dubbele besef, dat hoort bij een Titaantje. Dit wordt door Koekebakker, de titaan die in de novelle het woord voert, aan ‘de dagen onzer dwaasheid’ toegeschreven. Bavink, Hoyer, Japi, Bekker, Koekebakker moesten ‘eruit’, daar waren ze het over eens, maar wat dat dan precies inhield, dat kwam er tijdens het roken, praten, lopen, drinken en boeken lezen niet helemaal uit.

In het verkleinwoord ‘Titaantjes’ zit al de vergeefsheid: een hoge borst opzetten, maar niet tot daden kunnen overgaan. Reden waarom de latere Casanova-vertaler en PTT-oplichter Theo Kars in zijn jonge jaren als redacteur van het tijdschrift Tegenstroom niets van dit defaitisme wilde weten: hij was liever een echte titaan, daar kon hij vergeefsheid niet bij gebruiken.

De Titaantjes zijn in elke generatie anders, maar er zijn tijdloze trekjes in ze te herkennen.

Zoals in het Boekenweekgeschenk Wat wij zagen van Hanna Bervoets. Het is jammer dat het vanaf de helft vooral een liefdesverhaal wordt, want daarmee wordt het groepje jonge mensen verlaten die in het eerste deel met elkaar optrekken, vooral in de pauzes van hun bizarre werk.

We zien hier een drastische transformatie van het Titaantje. De Titaantjes van Nescio gingen op in de natuur, de landschappen, de zee, de bloeiende bomen, het buiten zijn. Bij Bervoets doen ze werk dat kenmerkend is voor onze tijd, ze passen zich aan de tijdgeest aan, zoals aan het extremer worden van de sensaties die mensen willen ondergaan. Ze werken als ‘moderators’, ze moeten beoordelen of videofilms wel uitgezonden of verspreid kunnen worden. Ze krijgen de meest verschrikkelijke, niet na te vertellen taferelen te zien. Als ze in de pauzes of na het werk als vrienden met elkaar zijn, waar hebben ze het dan over? ‘Over helemaal niks. Ja, we praten en we lachen en godzijdank ontspannen we.’ Ze zoeken elkaar op, ze blowen, ze bedienen zich van slechte humor, ‘maar onze grappen zijn veel meer een opwindende flirt met het verbodene dan een vorm van moreel commentaar.’ Het is ook om te laten zien hoe ‘hard’ ze zijn geworden. Het woordgebruik past zich aan: ‘Bitch was bij ons meer een koosnaam dan een scheldwoord.’

De komst van het liefdesverhaal in het tweede deel verhindert de uitwerking van de dynamiek in dit curieuze groepje, thuis in de aberraties van deze tijd. Nu blijft het bij het blowen en het afreageren door middel van slechte humor. Daar zat nog meer in. Maar zo zijn het ook echt Nieuwe Titaantjes.